Sefanja
Chapter 2

Sefanja

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Treedt in uzelf, en komt tot bezinning, Tuchteloos ras:
1Дослїдждуйте ж себе вважно, вивідуйте себе, народе бутний,
2Voordat ge verstuift op die dag Als opgejaagd kaf. Voordat op u neerkomt Jahweh’s ziedende toorn, Voordat de Dag u bereikt Van de gramschap van Jahweh.
2Докіль не настигло ще те, що призначено, — час бо пролїтає, мов полова — докіль іще не прийшов на вас палаючий гнїв Господень, не наспів на вас день досади Господньої.
3Zoekt Jahweh, gij nederigen der aarde, Gij allen, die zijn wil volbrengt; Zoekt gerechtigheid, zoekt nederigheid: Misschien zijt ge veilig op de Dag van de gramschap van Jahweh.
3Шукайте Господа, всї ви покірні в землї, що певните закони його; шукайте справедливостї, шукайте смирностї; може хоч ви оцїлїєте в день гнїву Господнього.
4Want Gaza wordt een verlaten oord, Asjkelon een woestijn; Asjdod wordt opgejaagd op klaarlichte dag, Ekron ontworteld!
4Ось бо, й Газа обезлюдїє, й Аскалон опустїє, ополуднї з Азоту всїх повиганяють, а Екрон буде викоренений.
5Wee u, bewoners der zeekust, Volk der Kretenzen: Het woord van Jahweh komt over u! Kanaän, Ik zal u verwoesten, Land der Filistijnen, ge zult zonder inwoners zijn!
5Горе поморянам, — народові Крити! Проти вас слово Господнє, Кананеї, — земле Филистійська! витрачу тебе що до одного осадника, —
6De zeekust van Kreta zal een weideplaats worden, Een schapenkooi:
6І обернеться поморрє в кошару на вівцї, в загін на товар.
7Ze valt het Overschot ten deel Van Juda’s huis. Zij zullen daar weiden, en in Asjkelons huizen ‘s Avonds gaan rusten; Want Jahweh, hun God, zal weer naar hen omzien, Keert hun lot weer ten beste!
7І допадеться та країна Юдиним останкам, і будуть вони там пасти, а настане вечір, у будинках Аскалонських одпочивати; бо Господь Бог навідається до них і заверне з неволї.
8Ik heb het honen van Moab gehoord, En het schimpen der zonen van Ammon, Die mijn volk hebben gesmaad, Een hoge toon tegen zijn land gevoerd.
8О, я чув наругу Моаба і насьміхи синів Аммонових, як вони з люду мого глузували та пишались у його займанщинї.
9Zo waar Ik leef, spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Daarom zal Moab als Sodoma worden, Als Gomorra de zonen van Ammon. Een veld met doornen zal het worden, Een zouthoop, een steppe voor eeuwig; Het Overschot van mijn volk maakt het buit, De Rest van mijn natie ontvangt het tot erfdeel!
9Тим же то, так певно, як я живу, говорить Господь сил небесних, Бог Ізраїля: Моаб буде, як Содома, а сини Аммонові — як Гоморра; будуть місцем кропиви, солоним проваллєм, — пустинею на віки; останок мого люду займе їх, як здобич, і ті, що вцїлїють, заберуть їх собі в наслїддє.
10Dat zal hun lot zijn, Als loon voor hun trots; Omdat zij hebben gesmaad en gehoond Het volk van Jahweh der heirscharen.
10Се буде їм за їх гордощі, за те, що вони пишались та глузували з народу Господа сил небесних.
11Dan zal Jahweh door hen worden gevreesd, Omdat Jahweh de goden der aarde vernielt; En iedereen zal op zijn eigen plaats Hem aanbidden, Op alle eilanden der volken!
11О, страшним стане їм Господь; він повигублює всї боги на землї, й йому будуть покланятись — кожний в свому краю — й усї острови далекі.
12Gij ook, Koesjieten Zult worden vermoord door mijn zwaard!
12І ви, Етіопії, поляжете від меча мого.
13Dan strekt Hij zijn hand tegen het noorden uit, Richt Assjoer te gronde, Maakt van Ninive een woestijn, Verdord als een steppe.
13І простягне він руку свою на північ, і затратить Ассура, та й Ниневію оберне в розвалища, в степ сухий, як пустиня,
14Daar leggen zich de kudden neer, En allerlei wilde beesten; Kraaien en reigers Nestelen op zijn kapitélen. Hoort, het giert door zijn vensters, De verwoesting ligt op zijn drempel: Want het cederwerk Heeft men afgerukt.
14І будуть посеред неї спочивати стада та всяка животина; пеликан та їжак будуть по різьбових окрасах ночувати; голоси їх будуть із вікон роздаватись, а опустїннє видне буде й на одвірках, бо не стане на них кедрових окладин.
15Dat is nu de dartele stad, Zo onbezorgd, Die sprak tot zichzelf: Dat ben ik, en geen ander! Hoe is zij een puinhoop geworden, Een leger voor beesten; Ieder die haar voorbijgaat, Blaast, en zwaait met de hand.
15От, яким стане той город веселий, що жив собі безпеч, що то мовляв у серцї свому: Ось, я! нема понад мене! О, що ж із нього зробилось! — розвалища, леговища зьвірям! Хто нї проходити ме попри його, — засвище та й махне рукою.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.