Ruth 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu had Noömi een bloedverwant van de kant van haar man, een vermogend man uit Eliméleks geslacht, Bóoz genaamd.
1В Ноеми був родич з чоловікового роду, на ймення Бооз, чоловік дуже заможний, з Елимелехового роду.
2Eens zei Rut, de moabietische, tot Noömi: Ik zal naar het veld gaan, om aren te lezen achter hem, in wiens ogen ik genade vinden zal. Zij antwoordde: Ga, mijn dochter.
2І сказала Рут, Моабитянка, до Ноеми: Пусти мене на поле збирати колоски слїдком за тим, в кого запобіжу ласки. Вона сказала їй: То й іди, моя доню.
3Ze ging dus, en begon in het veld achter de maaiers aren te lezen. Nu wilde het toeval, dat het een akker was van Bóoz uit het geslacht van Elimélek.
3Вона пішла, і прийшовши збирала на полі колоски позад женцїв. І трапилось так, що та частка поля належала до Бооза, що був з Елимелехового роду.
4En zie, daar kwam Bóoz uit Betlehem aan. Hij groette de maaiers: Jahweh zij met u! Zij groetten hem terug: Jahweh zegene u!
4Коли це Бооз приходить з Вефлеєма і промовив до женцїв: Господь при вас! Вони одказали йому: Благослови й тебе Господь!
5Daarop vroeg Bóoz aan den opzichter der maaiers: Van wie is dat meisje daar?
5І сказав Бооз до наймита, що доглядав женцїв: чия це молодиця?
6De opzichter der maaiers antwoordde: Dat is de jonge moabietische, die met Noömi uit het land van Moab is teruggekomen.
6Наймит, що доглядав коло женцїв, відповів кажучи: Ся молодиця Моабитянка, що прийшла з Ноемою з Моабського краю;
7Ze zei: Ik zou graag aren willen lezen en achter de maaiers bij de schoven gaan rapen. Zo kwam ze, en was van vanmorgen tot nu toe op de been; geen ogenblik rust heeft ze zich gegund.
7І сказала вона: Будь ласкав, дозволь менї визбирувати колоссє позаду женцїв! Прийшла вона, та й остає тут од самого ранку й досі; в дома і не була.
8Nu richtte Bóoz zich tot Rut: Luister eens, mijn kind; ge moet niet op een andere akker gaan rapen en hier niet vandaan gaan, maar bij mijn knechten blijven.
8І промовив Бооз до Рути: Слухай, небого! Не ходи збирати на инче поле і не переходь звідсїль; будь тутечки з моїми дївчатами.
9Ge houdt u aan de akker, die ze maaien, en blijft hen volgen. Ik heb mijn jongens reeds bevolen, u niet lastig te vallen. En als ge dorst hebt, gaat ge naar de kruiken, en drinkt ge van wat de jongens scheppen.
9Дивись, де вони жнуть на постатї, та й ходи за ними. Я дав приказ хлопцям моїм не чіпати тебе. Як тобі схочеться пити, то йди до посуду та й пий, те, що черпають мої хлопцї.
10Toen boog ze zich plat voor hem ter aarde, en zei: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat ge u iets aan mij gelegen laat liggen, ofschoon ik maar een vreemde ben?
10Вона впала ниць і поклонилась до землї, і промовила до його: Чим я запобігла ласку в очах твоїх, що ти приймаєш мене, хоч я й чужоземка?
11Bóoz hernam: Men heeft me verteld, wat ge na de dood van uw man voor uw schoonmoeder gedaan hebt; hoe ge uw vader en uw moeder verliet en het land, waar ge geboren zijt, om naar een volk te gaan, dat u vóór die tijd onbekend was.
11Бооз одповів сказавши їй: Менї розказано про все, що ти зробила задля своєї свекрухи після смертї твого чоловіка, покинувши батька твого і матїр твою, і отчину твою та прийшла до народа, котрого ти не знала нї позавчора нї вчора.
12Jahweh vergelde u wat ge gedaan hebt! Moge Jahweh, de God van Israël, onder wiens vleugelen ge uw toevlucht zijt komen zoeken, u overvloedig belonen.
12Бог прийми це твоє дїло! І нехай тобі буде повна нагорода від Господа, Бога Ізрайлевого, до котрого ти прийшла, щоб під його крилами захистити себе!
13Rut hernam: Heer, laat me slechts genade in uw ogen vinden! Gij hebt me moed gegeven en vleiende woorden tot uw dienstmaagd gesproken, ofschoon ik me niet met een van uw dienstmaagden vergelijken mag.
13Вона сказала: Дозволь менї запобігати ласки в твоїх очах, мій добродїю! Ти бо мене звеселив і промовив по серци твоєї рабинї, коли я невартна нї однієї зпоміж твоїх служениць.
14Toen het etenstijd was, zeide Bóoz tot haar: Kom hier, dan kunt ge meeëten van onze spijzen, en uw brood meedopen in de azijn. Ze ging dus bij de maaiers zitten; en hij gaf haar zoveel geroosterd graan, dat ze volop kon eten en nog overhield.
14І сказав їй Бооз, як був час обідати: Ходи сюди і їж хлїб, і вмочай свій шматок в оцет. І сїла вона коло женцїв, і він подав їй праженого хлїба; і вона їла, і наїлась до сита, ще й зісталось.
15Toen ze opstond, om weer aren te lezen, beval Bóoz zijn knechten: Laat haar ook wat tussen de schoven rapen, en hindert haar niet.
15І встала вона, щоб збирати, а Бооз дав приказ своїм наймитам, сказавши: нехай вона збирає колосся і поміж снопами, і не зʼобижайте її.
16Ge moet ook met opzet voor haar wat uit de bossen laten glippen, en als ze het opraapt, niet tegen haar uitvallen.
16Та й самі колосся із снопів покидайте, нехай вона збирає на харч, і не сваріть на неї.
17Zo bleef ze tot de avond aren lezen op de akker; toen klopte ze uit, wat ze geraapt had: Het was bijna een hele efa gerst.
17Так збирала вона на полі до вечора, і змолотила зібране, і вийшла трохи не ефа ячменю.
18Ze nam het mee en ging naar de stad. Toen haar schoonmoeder zag, wat ze verzameld had, en Rut haar ook nog verraste met wat zij, na zelf volop gegeten te hebben, had overgehouden,
18Забравши це, вона пішла до міста, і свекруха її побачила, що вона назбирала. Надтож вийняла вона і дала їй ще й те, що в неї зісталось, як вона до сита наїлась.
19vroeg haar schoonmoeder haar: Waar hebt ge vandaag verzameld, en met wien hebt ge te doen gehad? Gezegend hij, die zich over u heeft ontfermd. Nu vertelde ze haar schoonmoeder, bij wien ze gewerkt had, en zei: De man, bij wien ik vandaag gewerkt heb, heet Bóoz.
19І сказала їй свекруха: Де ти збирала сьогодня, і де була на роботї? Будь благословен той, хто прийняв тебе! Рут сказала своїй свекрусї, в кого вона працювала, кажучи: Той чоловік, у котрого я сьогодня працювала, на ймення Бооз.
20Toen zei Noömi tot haar schoondochter: Moge hij zegen ontvangen van Jahweh, die in zijn ontferming levenden noch doden vergeet! En ze ging voort: Die man is ons verwant; hij is een van onze lossers.
20І сказала Ноема своїй невістцї: Будь він благословен Господом за те, що не позбавив своєї ласки нї живих, нї померших! І сказала їй Ноема: Цей чоловік не чужий для нас; він з нашої ріднї.
21Rut, de moabietische, hernam: Hij heeft me ook nog gezegd: “Blijf bij mijn knechten, totdat ze mijn hele oogst hebben binnengehaald.”
21Рут Моабитянка сказала: Він навіть сказав менї: Зіставайся з моїми слугами, доки в їх не скіньчяться жнива.
22En Noömi zei tot haar schoondochter Rut: Het is goed, mijn dochter, dat ge met zijn knechten meegaat; op een ander veld kon men u wel eens lastig vallen.
22І сказала Ноема своїй невістцї Рутї: Це лїпше, моя доню, що ти ходити меш з його наймичками; нїхто не скаже тобі нїчого прикрого на другому полі.
23Zo bleef ze bij de knechten van Bóoz aren lezen, tot de gehele gerste- en tarweoogst binnen was. Daarna bleef ze bij haar schoonmoeder thuis.
23Так вона була все з Боозовими наймичками, щоб збирати колосся, доки й не минули жнива ячмінні і жнива пшеничні, і пішла до своєї свекрухи.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.