Hebreeen
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daar de Wet slechts de schaduw bezit der toekomstige goederen en niet het wezen dier dingen zelf, kan ze onmogelijk door offers, welke men jaarlijks opdraagt op dezelfde wijze, hen die er aan deelnemen, ééns en voor al tot volmaaktheid brengen.
1Umbram enim habens lex futurorum bonorum, non ipsam imaginem rerum: per singulos annos, eisdem ipsis hostiis quas offerunt indesinenter, numquam potest accedentes perfectos facere:
2Zou anders het offeren niet hebben opgehouden, omdat dan de offeraars ééns en voor al waren gereinigd en zich geen zonden meer waren bewust?
2alioquin cessassent offerri: ideo quod nullam haberent ultra conscientiam peccati, cultores semel mundati:
3Maar nu wordt integendeel ieder jaar de gedachte aan zonde opnieuw daardoor opgewekt.
3sed in ipsis commemoratio peccatorum per singulos annos fit.
4Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.
4Impossibile enim est sanguine taurorum et hircorum auferri peccata.
5Daarom zegt Hij bij zijn Intreden in de wereld: Offers noch gaven hebt Gij gewild, Maar een Lichaam hebt Gij Mij bereid.
5Ideo ingrediens mundum dicit: Hostiam et oblationem noluisti: corpus autem aptasti mihi:
6Brand- en zoenoffers behaagden U niet,
6holocautomata pro peccato non tibi placuerunt.
7Toen zeide Ik: Zie Ik kom! In de boekrol staat van Mij geschreven, Uw wil te volbrengen, o God!
7Tunc dixi: Ecce venio: in capite libri scriptum est de me: Ut faciam, Deus, voluntatem tuam.
8Daar Hij nu eerst heeft gezegd: “Offers en gaven, brand- en zoenoffers hebt Gij niet gewild, behaagden U niet,” ofschoon ze volgens de Wet worden geofferd;
8Superius dicens: Quia hostias, et oblationes, et holocautomata pro peccato noluisti, nec placita sunt tibi, quæ secundum legem offeruntur,
9en Hij vervolgens sprak: “Zie Ik kom, om uw wil te volbrengen;” zó heeft Hij het eerste afgeschaft, om het tweede in te stellen.
9tunc dixi: Ecce venio, ut faciam, Deus, voluntatem tuam: aufert primum, ut sequens statuat.
10Uit kracht van die wil zijn wij ééns en voor al geheiligd door het Offer van het Lichaam van Jesus Christus.
10In qua voluntate sanctificati sumus per oblationem corporis Jesu Christi semel.
11En terwijl iedere priester, dag in dag uit, dienst staat te verrichten en meermalen dezelfde offers opdraagt, welke toch nimmer de zonde kunnen wegnemen,
11Et omnis quidem sacerdos præsto est quotidie ministrans, et easdem sæpe offerens hostias, quæ numquam possunt auferre peccata:
12heeft Hij daarentegen, ééns en voor al, één enkel Offer gebracht voor de zonden, “en is Hij gezeten aan Gods rechterhand,”
12hic autem unam pro peccatis offerens hostiam, in sempiternum sedet in dextera Dei,
13in afwachting “tot zijn vijanden neergelegd zijn als voetbank voor zijn voeten.”
13de cetero exspectans donec ponantur inimici ejus scabellum pedum ejus.
14Immers door één enkel Offer heeft Hij de geheiligden, ééns en voor al, tot volmaaktheid gebracht. Dit getuigt ons ook de heilige Geest.
14Una enim oblatione, consummavit in sempiternum sanctificatos.
15Want nadat Hij gesproken heeft:
15Contestatur autem nos et Spiritus Sanctus. Postquam enim dixit:
16“Dit is het Verbond, dat Ik sluit Met hen na deze dagen,” Spreekt de Heer: Mijn wetten zal Ik prenten in hun harten, Ik zal ze schrijven in hun verstand;
16Hoc autem testamentum, quod testabor ad illos post dies illos, dicit Dominus, dando leges meas in cordibus eorum, et in mentibus eorum superscribam eas:
17En hun zonden en ongerechtigheden Zal Ik niet langer gedenken.
17et peccatorum, et iniquitatum eorum jam non recordabor amplius.
18Welnu, waar deze vergeven zijn, daar is geen offer voor de zonde meer nodig.
18Ubi autem horum remissio: jam non est oblatio pro peccato.
19Welnu dan broeders, daar we de vaste zekerheid hebben, dat door het Bloed van Jesus de weg tot het Heiligdom ons open staat,
19Habentes itaque, fratres, fiduciam in introitu sanctorum in sanguine Christi,
20—een nieuwe en levende weg, die Hij ons heeft gebaand door het Voorhangsel heen, namelijk dat van zijn Vlees,
20quam initiavit nobis viam novam, et viventem per velamen, id est, carnem suam,
21daar we eveneens “een Hogepriester over Gods Huis” hebben:
21et sacerdotem magnum super domum Dei:
22zo laat ons toetreden met een oprecht hart en in volle geloofsovertuiging; onze harten door besprenkeling gezuiverd van een slecht geweten, ons lichaam door rein water gewassen.
22accedamus cum vero corde in plenitudine fidei, aspersi corda a conscientia mala, et abluti corpus aqua munda,
23Laat ons onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis der hoop; want Hij die de belofte deed, is getrouw.
23teneamus spei nostræ confessionem indeclinabilem (fidelis enim est qui repromisit),
24Laat ons elkander gadeslaan, om ons tot liefde te prikkelen en goede werken;
24et consideremus invicem in provocationem caritatis, et bonorum operum:
25verwaarloost het gemeenschapsleven niet, zoals sommigen plegen te doen; maar vermaant elkander, te meer, daar gij de Dag ziet naderen.
25non deserentes collectionem nostram, sicut consuetudinis est quibusdam, sed consolantes, et tanto magis quanto videritis appropinquantem diem.
26Want wanneer we, na de kennis der waarheid te hebben ontvangen, wetens en willens zondigen, dan is er geen offer voor de zonden meer in uitzicht,
26Voluntarie enim peccantibus nobis post acceptam notitiam veritatis, jam non relinquitur pro peccatis hostia,
27maar slechts een vreselijke verwachting van oordeel en vuurgloed, die de weerspannigen zal verslinden.
27terribilis autem quædam exspectatio judicii, et ignis æmulatio, quæ consumptura est adversarios.
28Verwerpt iemand de Wet van Moses, zonder genade “sterft hij op het woord van twee of drie getuigen;”
28Irritam quis faciens legem Moysi, sine ulla miseratione duobus vel tribus testibus moritur:
29hoeveel zwaarder straf, dunkt u, zal hij dan verdienen, die den Zoon van God met voeten treedt, het Bloed van het Verbond veracht, waardoor hij geheiligd is, en den Geest der genade durft honen?
29quanto magis putatis deteriora mereri supplicia qui Filium Dei conculcaverit, et sanguinem testamenti pollutum duxerit, in quo sanctificatus est, et spiritui gratiæ contumeliam fecerit?
30We weten toch, dat Hij gezegd heeft: “Aan Mij is de wraak; Ik zal vergelden;” en eveneens: “de Heer zal zijn volk oordelen.”
30Scimus enim qui dixit: Mihi vindicta, et ego retribuam. Et iterum: Quia judicabit Dominus populum suum.
31Vreselijk is het, te vallen in de handen van den levenden God.
31Horrendum est incidere in manus Dei viventis.
32Denkt eens terug aan de dagen, toen gij het licht hebt ontvangen, en daardoor zulk een smartelijke strijd hebt doorstaan:
32Rememoramini autem pristinos dies, in quibus illuminati, magnum certamen sustinuistis passionum:
33nu eens zelf een toonbeeld van smaad en druk, dan weer één met hen, wie het zó verging.
33et in altero quidem opprobriis et tribulationibus spectaculum facti: in altero autem socii taliter conversantium effecti.
34Inderdaad, toen hebt gij mee geleden met hen, die gevangen waren, en de roof uwer goederen met blijdschap verdragen, in de overtuiging, dat gij betere en blijvende goederen bezit.
34Nam et vinctis compassi estis, et rapinam bonorum vestrorum cum gaudio suscepistis, cognoscentes vos habere meliorem et manentem substantiam.
35Werpt dus uw vast vertrouwen niet weg, dat een grote beloning in zich sluit.
35Nolite itaque amittere confidentiam vestram, quæ magnam habet remunerationem.
36Volharding toch is noodzakelijk voor u, om de wil van God te volbrengen en te verkrijgen wat beloofd is.
36Patientia enim vobis necessaria est: ut voluntatem Dei facientes, reportetis promissionem.
37Want nog een kleine, kleine tijd: Hij die komt, zal komen, En Hij zal niet toeven.
37Adhuc enim modicum aliquantulum, qui venturus est, veniet, et non tardabit.
38Mijn rechtvaardige zal leven door geloof; Maar zo hij terugdeinst, Heeft mijn ziel geen behagen in hem.
38Justus autem meus ex fide vivit: quod si subtraxerit se, non placebit animæ meæ.
39Welnu, wij zijn geen mensen van terugdeinzen ten verderve, maar van geloven tot behoud onzer ziel.
39Nos autem non sumus subtractionis filii in perditionem, sed fidei in acquisitionem animæ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.