Hebreeen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Deze Melkisedek immers was koning van Salem en priester van den allerhoogsten God; hij ging Abraham tegemoet, toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en hij zegende hem;
1Hic enim Melchisedech, rex Salem, sacerdos Dei summi, qui obviavit Abrahæ regresso a cæde regum, et benedixit ei:
2en Abraham gaf hem de tiende van alles. Welnu, vooreerst betekent zijn naam: Koning der Gerechtigheid; vervolgens was hij koning van Salem, en dit betekent: Koning van de Vrede;
2cui et decimas omnium divisit Abraham: primum quidem qui interpretatur rex justitiæ: deinde autem et rex Salem, quod est, rex pacis,
3ook was hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtslijst, zonder begin van dagen en einde van leven; en zó is hij den Zoon van God volkomen gelijk geworden, blijft hij priester voor eeuwig.
3sine patre, sine matre, sine genealogia, neque initium dierum, neque finem vitæ habens, assimilatus autem Filio Dei, manet sacerdos in perpetuum.
4Overweegt nu eens, hoe groot hij is, dat zelfs Abraham, de aartsvader, hem tiende gaf uit het beste van de buit.
4Intuemini autem quantus sit hic, cui et decimas dedit de præcipuis Abraham patriarcha.
5Zeker, ook de zonen van Levi, die het priesterschap ontvingen, kregen volgens de Wet bevel, om tiende te heffen van het volk, dat is van hun broeders, ofschoon ook zij uit Abrahams lende waren voortgesproten.
5Et quidem de filiis Levi sacerdotium accipientes, mandatum habent decimas sumere a populo secundum legem, id est, a fratribus suis: quamquam et ipsi exierint de lumbis Abrahæ.
6Maar ofschoon Melkisedek niet tot hun geslacht behoorde, heeft hij toch tiende van Abraham ontvangen, en hem gezegend, die de belofte bezat.
6Cujus autem generatio non annumeratur in eis, decimas sumpsit ab Abraham, et hunc, qui habebat repromissiones, benedixit.
7Welnu, het lijdt geen tegenspraak, dat het mindere wordt gezegend door het meerdere;
7Sine ulla autem contradictione, quod minus est, a meliore benedicitur.
8en in het éne geval waren het sterflijke mensen, die tiende ontvingen, in het andere geval een, van wien getuigd wordt, dat hij leeft.
8Et hic quidem, decimas morientes homines accipiunt: ibi autem contestatur, quia vivit.
9Bovendien heeft Levi, die zelf tiende hief, als ‘t ware in Abraham tiende betaald;
9Et (ut ita dictum sit) per Abraham, et Levi, qui decimas accepit, decimatus est:
10want hij was nog in de lende van zijn vader, toen Melkisedek dien tegemoet ging.
10adhuc enim in lumbis patris erat, quando obviavit ei Melchisedech.
11Zo dus de volmaaktheid bereikt was door het levietische priesterschap—want daarop berustte de wetgeving voor het volk waarom zou het dan nog nodig geweest zijn, dat er een andere Priester werd aangesteld “naar de Orde van Melkisedek,” en dat Hij niet naar de orde van Aäron werd genoemd?
11Si ergo consummatio per sacerdotium Leviticum erat (populus enim sub ipso legem accepit) quid adhuc necessarium fuit secundum ordinem Melchisedech, alium surgere sacerdotem, et non secundum ordinem Aaron dici?
12Met de verandering toch van het priesterschap verandert ook noodzakelijk de wet.
12Translato enim sacerdotio, necesse est ut et legis translatio fiat.
13Welnu, Hij op wien dit alles slaat, behoorde tot een andere stam, waaruit niemand zich aan het altaar heeft gewijd;
13In quo enim hæc dicuntur, de alia tribu est, de qua nullus altari præsto fuit.
14want het is bekend, dat onze Heer uit Juda gesproten is; en met betrekking tot deze stam heeft Moses niets van priesters gesproken.
14Manifestum est enim quod ex Juda ortus sit Dominus noster: in qua tribu nihil de sacerdotibus Moyses locutus est.
15En dit is nog veel duidelijker, nu als evenbeeld van Melkisedek een ander Priester is aangesteld,
15Et amplius adhuc manifestum est: si secundum similitudinem Melchisedech exsurgat alius sacerdos,
16één, die het niet geworden is volgens de wet ener vleselijke instelling, maar uit kracht van een onvergankelijk leven;
16qui non secundum legem mandati carnalis factus est, sed secundum virtutem vitæ insolubilis.
17want er is betuigd: “Gij zijt Priester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek.”
17Contestatur enim: Quoniam tu es sacerdos in æternum, secundum ordinem Melchisedech.
18En zó werd de vroegere instelling opgeheven om haar zwakte en nutteloosheid,
18Reprobatio quidem fit præcedentis mandati, propter infirmitatem ejus, et inutilitatem:
19want de Wet heeft niets tot volmaking gebracht, —en werd ze vervangen door een betere hoop, waardoor wij naderen tot God.
19nihil enim ad perfectum adduxit lex: introductio vero melioris spei, per quam proximamus ad Deum.
20Bovendien is dit ook niet zonder eed geschied. Want de anderen zijn priesters geworden zonder eed,
20Et quantum est non sine jurejurando (alii quidem sine jurejurando sacerdotes facti sunt,
21maar Hij werd het door een eed van Hem, die tot Hem sprak: “De Heer heeft gezworen, En het zal Hem nimmer berouwen: Gij zijt Priester voor eeuwig!”
21hic autem cum jurejurando per eum, qui dixit ad illum: Juravit Dominus, et non pœnitebit eum: tu es sacerdos in æternum):
22En ook in zover is Jesus de borg geworden van een veel beter Verbond.
22in tantum melioris testamenti sponsor factus est Jesus.
23Daarenboven, die anderen zijn priesters geworden in grote getale, omdat ze door hun dood verhinderd werden aan te blijven.
23Et alii quidem plures facti sunt sacerdotes, idcirco quod morte prohiberentur permanere:
24Maar Hij bezit een onvervreemdbaar Priesterschap, omdat Hij blijft voor eeuwig.
24hic autem eo quod maneat in æternum, sempiternum habet sacerdotium.
25Daarom kan Hij ook ten allen tijde hen redden, die tot God komen door zijn bemiddeling, daar Hij altijd leeft, om hun Middelaar te zijn.
25Unde et salvare in perpetuum potest accedentes per semetipsum ad Deum: semper vivens ad interpellandum pro nobis.
26Ons voegt ook een Hogepriester, die heilig is, onschuldig, onbezoedeld, verwijderd van de zondaars en verheven boven de hemelen;
26Talis enim decebat ut nobis esset pontifex, sanctus, innocens, impollutus, segregatus a peccatoribus, et excelsior cælis factus:
27Eén, die niet zoals de hogepriesters dagelijks nodig heeft, eerst voor eigen zonden te offeren, daarna voor die van het volk; want dit laatste heeft Hij eens en voor al gedaan door het Offer van Zichzelf.
27qui non habet necessitatem quotidie, quemadmodum sacerdotes, prius pro suis delictis hostias offerre, deinde pro populi: hoc enim fecit semel, seipsum offerendo.
28De Wet toch stelt tot hogepriesters mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed-uitspraak, die na de Wet is gekomen, den Zoon, die volmaakt is voor eeuwig.
28Lex enim homines constituit sacerdotes infirmitatem habentes: sermo autem jurisjurandi, qui post legem est, Filium in æternum perfectum.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.