Hebreeen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Deze Melkisedek immers was koning van Salem en priester van den allerhoogsten God; hij ging Abraham tegemoet, toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en hij zegende hem;
1This Melchizedek was king of Salem and priest of God Most High. He met Abraham returning from the slaughter of the kings and blessed him,
2en Abraham gaf hem de tiende van alles. Welnu, vooreerst betekent zijn naam: Koning der Gerechtigheid; vervolgens was hij koning van Salem, en dit betekent: Koning van de Vrede;
2and Abraham apportioned to him a tenth of everything. First, his name means “king of righteousness.” Then also, “king of Salem” means “king of peace.”
3ook was hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtslijst, zonder begin van dagen en einde van leven; en zó is hij den Zoon van God volkomen gelijk geworden, blijft hij priester voor eeuwig.
3Without father or mother or genealogy, without beginning of days or end of life, like the Son of God, he remains a priest for all time.
4Overweegt nu eens, hoe groot hij is, dat zelfs Abraham, de aartsvader, hem tiende gaf uit het beste van de buit.
4Consider how great Melchizedek was: Even the patriarch Abraham gave him a tenth of the plunder.
5Zeker, ook de zonen van Levi, die het priesterschap ontvingen, kregen volgens de Wet bevel, om tiende te heffen van het volk, dat is van hun broeders, ofschoon ook zij uit Abrahams lende waren voortgesproten.
5Now the law commands the sons of Levi who become priests to collect a tenth from the people—that is, from their brothers—though they too are descended from Abraham.
6Maar ofschoon Melkisedek niet tot hun geslacht behoorde, heeft hij toch tiende van Abraham ontvangen, en hem gezegend, die de belofte bezat.
6But Melchizedek, who did not trace his descent from Levi, collected a tenth from Abraham and blessed him who had the promises.
7Welnu, het lijdt geen tegenspraak, dat het mindere wordt gezegend door het meerdere;
7And indisputably, the lesser is blessed by the greater.
8en in het éne geval waren het sterflijke mensen, die tiende ontvingen, in het andere geval een, van wien getuigd wordt, dat hij leeft.
8In the case of the Levites, mortal men collect the tenth; but in the case of Melchizedek, it is affirmed that he lives on.
9Bovendien heeft Levi, die zelf tiende hief, als ‘t ware in Abraham tiende betaald;
9And so to speak, Levi, who collects the tenth, paid the tenth through Abraham.
10want hij was nog in de lende van zijn vader, toen Melkisedek dien tegemoet ging.
10For when Melchizedek met Abraham, Levi was still in the loin of his ancestor.
11Zo dus de volmaaktheid bereikt was door het levietische priesterschap—want daarop berustte de wetgeving voor het volk waarom zou het dan nog nodig geweest zijn, dat er een andere Priester werd aangesteld “naar de Orde van Melkisedek,” en dat Hij niet naar de orde van Aäron werd genoemd?
11Now if perfection could have been attained through the Levitical priesthood (for on this basis the people received the law), why was there still need for another priest to appear—one in the order of Melchizedek and not in the order of Aaron?
12Met de verandering toch van het priesterschap verandert ook noodzakelijk de wet.
12For when the priesthood is changed, the law must be changed as well.
13Welnu, Hij op wien dit alles slaat, behoorde tot een andere stam, waaruit niemand zich aan het altaar heeft gewijd;
13He of whom these things are said belonged to a different tribe, from which no one has ever served at the altar.
14want het is bekend, dat onze Heer uit Juda gesproten is; en met betrekking tot deze stam heeft Moses niets van priesters gesproken.
14For it is clear that our Lord descended from Judah, a tribe as to which Moses said nothing about priests.
15En dit is nog veel duidelijker, nu als evenbeeld van Melkisedek een ander Priester is aangesteld,
15And this point is even more clear if another priest like Melchizedek appears,
16één, die het niet geworden is volgens de wet ener vleselijke instelling, maar uit kracht van een onvergankelijk leven;
16one who has become a priest not by a law of succession, but by the power of an indestructible life.
17want er is betuigd: “Gij zijt Priester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek.”
17For it is testified: “You are a priest forever in the order of Melchizedek.”
18En zó werd de vroegere instelling opgeheven om haar zwakte en nutteloosheid,
18So the former commandment is set aside because it was weak and useless
19want de Wet heeft niets tot volmaking gebracht, —en werd ze vervangen door een betere hoop, waardoor wij naderen tot God.
19(for the law made nothing perfect), and a better hope is introduced, by which we draw near to God.
20Bovendien is dit ook niet zonder eed geschied. Want de anderen zijn priesters geworden zonder eed,
20And none of this happened without an oath. For others became priests without an oath,
21maar Hij werd het door een eed van Hem, die tot Hem sprak: “De Heer heeft gezworen, En het zal Hem nimmer berouwen: Gij zijt Priester voor eeuwig!”
21but Jesus became a priest with an oath by the One who said to Him: “The Lord has sworn and will not change His mind: ‘You are a priest forever.’”
22En ook in zover is Jesus de borg geworden van een veel beter Verbond.
22Because of this oath, Jesus has become the guarantee of a better covenant.
23Daarenboven, die anderen zijn priesters geworden in grote getale, omdat ze door hun dood verhinderd werden aan te blijven.
23Now there have been many other priests, since death prevented them from continuing in office.
24Maar Hij bezit een onvervreemdbaar Priesterschap, omdat Hij blijft voor eeuwig.
24But because Jesus lives forever, He has a permanent priesthood.
25Daarom kan Hij ook ten allen tijde hen redden, die tot God komen door zijn bemiddeling, daar Hij altijd leeft, om hun Middelaar te zijn.
25Therefore He is able to save completely those who draw near to God through Him, since He always lives to intercede for them.
26Ons voegt ook een Hogepriester, die heilig is, onschuldig, onbezoedeld, verwijderd van de zondaars en verheven boven de hemelen;
26Such a high priest truly befits us—One who is holy, innocent, undefiled, set apart from sinners, and exalted above the heavens.
27Eén, die niet zoals de hogepriesters dagelijks nodig heeft, eerst voor eigen zonden te offeren, daarna voor die van het volk; want dit laatste heeft Hij eens en voor al gedaan door het Offer van Zichzelf.
27Unlike the other high priests, He does not need to offer daily sacrifices, first for His own sins and then for the sins of the people; He sacrificed for sin once for all when He offered up Himself.
28De Wet toch stelt tot hogepriesters mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed-uitspraak, die na de Wet is gekomen, den Zoon, die volmaakt is voor eeuwig.
28For the law appoints as high priests men who are weak; but the oath, which came after the law, appointed the Son, who has been made perfect forever.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.