시편
Chapter 50
Korean Bible, 1910 (한국어 …
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1(아삽의 시) 전능하신 자 하나님 여호와께서 말씀하사 해 돋는데서부터 지는 데까지 세상을 부르셨도다
1Een psalm van Asaf. De God der goden, Jahweh, spreekt en roept tot de aarde Van de opgang tot de ondergang der zon!
2온전히 아름다운 시온에서 하나님이 빛을 발하셨도다
2Van Sion, de kroon der schoonheid, straalt God zijn heerlijkheid uit:
3우리 하나님이 임하사 잠잠치 아니하시니 그앞에는 불이 삼키고 그 사방에는 광풍이 불리로다
3Hij komt, onze God, en zwijgt niet meer! Verterend vuur gaat voor Hem uit, De stormwind woedt om Hem heen!
4하나님이 그 백성을 판단하시려고 윗 하늘과 아래 땅에 반포하여
4Hij nodigt de hemelen uit, daarboven, En de aarde, om zijn volk te richten:
5이르시되 나의 성도를 너의 앞에 모으라 곧 제사로 나와 언약한 자니라 하시도다
5“Brengt Mij mijn getrouwen bijeen, Die door offers het Verbond met Mij sloten!”
6하늘이 그 공의를 선포하리니 하나님 그는 심판장이심이로다 (셀라)
6En de hemelen verkondigen zijn gerechtigheid; Want God begint het gericht.
7내 백성아, 들을지어다 ! 내가 말하리라 이스라엘아, 내가 네게 증거하리라 나는 하나님 곧 네 하나님이로다
7Hoor, mijn volk, en laat Mij spreken; Het u betuigen, Israël: Ik Jahweh, uw God:
8내가 너의 제물을 인하여는 너를 책망치 아니하리니 네 번제가 항상 내 앞에 있음이로다
8Niet om uw offers spreek Ik u vrij, Of om uw brandoffers, Mij zonder ophouden gebracht.
9내가 네 집에서 수소나 네 우리에서 수염소를 취치 아니하리니
9Neen, Ik heb den stier uit uw stallen niet nodig, En geen bokken uit uw kooien.
10이는 삼림의 짐승들과 천산의 생축이 다 내 것이며
10Want Mij behoren alle dieren in het woud, Het vee en het wild op de bergen;
11산의 새들도 나의 아는 것이며 들의 짐승도 내 것임이로다
11Ik ken alle vogels in de lucht, Van Mij is wat zich beweegt op het veld.
12내가 가령 주려도 네게 이르지 않을 것은 세계와 거기 충만한 것이 내 것임이로다
12Had Ik honger, Ik behoefde het ú niet te zeggen, Want Mij behoort de aarde met wat ze bevat.
13내가 수소의 고기를 먹으며 염소의 피를 마시겠느냐 ?
13Of zou Ik soms stierenvlees eten, En bokkenbloed drinken?
14감사로 하나님께 제사를 드리며 지극히 높으신 자에게 네 서원을 갚으며
14Neen, breng als uw offer een loflied aan God, Onderhoud uw geloften, den Allerhoogste gebracht,
15환난 날에 나를 부르라 ! 내가 너를 건지리니 네가 나를 영화롭게 하리로다
15En roep Mij aan in tijden van nood: Dan zal Ik u redden, en gij zult Mij eren.
16악인에게는 하나님이 이르시되 네가 어찌 내 율례를 전하며 내 언약을 네 입에 두느냐
16Hoe waagt gij het, over mijn geboden te spreken, En uw mond vol te hebben van mijn Verbond,
17네가 교훈을 미워하고 내 말을 네 뒤로 던지며
17Terwijl gij toch de tucht veracht, En mijn woord in de wind slaat?
18도적을 본즉 연합하고 간음하는 자와 동류가 되며
18Ziet gij een dief, gij loopt terstond met hem mee, En met echtbrekers gaat gij vriendschappelijk om.
19네 입을 악에게 주고 네 혀로 궤사를 지으며
19Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog;
20앉아서 네 형제를 공박하며 네 어미의 아들을 비방하는도다
20Gij spreekt schande over uw broeder, En werpt smaad op den zoon van uw moeder.
21네가 이 일을 행하여도 내가 잠잠하였더니 네가 나를 너와 같은 줄로 생각하였도다 그러나 내가 너를 책망하여 네 죄를 네 목전에 차례로 베풀리라 하시는도다
21Dit hebt gij gedaan; en omdat Ik bleef zwijgen, Dacht gij nog: Ik ben niet beter dan gij. Daarom waarschuw Ik u, En breng het u onder het oog.
22하나님을 잊어버린 너희여 이제 이를 생각하라 그렇지 않으면 내가 너희를 찢으리니 건질 자 없으리라
22Godvergetenen, neemt het ter harte; Anders verscheur Ik u, en er is niemand, die u zal redden!
23감사로 제사를 드리는 자가 나를 영화롭게 하나니 그 행위를 옳게 하는 자에게 내가 하나님의 구원을 보이리라
23Wie een loflied offert, eert Mij waarachtig, En wie deugdzaam leeft, hem toon Ik Gods heil!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.