エゼキエル書
Chapter 44
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

エゼキエル書 44

Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1それから彼は私を、東を向く聖所の外門へ戻した。その門は閉じられていた。
1Toen bracht hij mij weer naar de buitenste oosterpoort voor het heiligdom. Die was gesloten.
2主は私に言われた。「この門は閉じたままにしておかなければならない。開いてはならず、だれもそこから入ってはならない。イスラエルの神、主がそこから入られたからである。それゆえ、門は閉じておかなければならない。
2En Jahweh verklaarde mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden, en niemand mag er binnen gaan; want Jahweh, de God van Israël, is er door gekomen; dus moet hij gesloten blijven.
3君主だけは、君主としてそこに座り、主の前でパンを食べることができる。彼は門の前廊を通って入り、同じ道を通って出なければならない。」
3Alleen de vorst mag er plaats nemen, om voor Jahweh ‘s aanschijn brood te eten. Langs de poorthal moet hij binnenkomen, en langs dezelfde weg terugkeren.
4それから彼は北の門を通って、私を宮の前へ連れて行った。私が見ると、見よ、主の栄光が主の宮に満ちていた。そこで私はひれ伏した。
4Vervolgens bracht hij mij naar de noorderpoort tegenover de tempel. Ik keek toe, en zag, hoe Jahweh’s heerlijkheid het huis van Jahweh vervulde; en ik viel plat ter aarde.
5主は私に言われた。「人の子よ、主の宮のすべての定めとすべての律法について、わたしがあなたに告げるすべてのことを心に留め、目で見、耳で聞け。宮の入口と聖所のすべての出口をよく心に留めよ。
5En Jahweh sprak tot mij: Mensenkind, let aandachtig op; kijk goed uit uw ogen en scherp uw oren op alles wat Ik u ga zeggen over alle voorschriften van Jahweh’s huis en over al zijn regels. Let goed op, wie er in de tempel komt door alle uitgangen van het heiligdom.
6反逆する者たち、イスラエルの家に言え。『主なる神はこう言われる。「イスラエルの家よ、あなたがたのすべての忌むべき行いは、もう十分だ。
6En zeg tot het onhandelbaar volk, tot Israëls huis: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Laat het nu uit zijn, huis van Israël, met al uw gruwelen;
7あなたがたは、心にも肉体にも割礼を受けていない異国人をわたしの聖所に入れ、わたしの家を汚した。あなたがたがわたしのパン、脂肪と血をささげたとき、彼らはわたしの聖所の中にいた。そのうえ彼らはわたしの契約を破り、あなたがたの忌むべき行いをさらに重ねた。
7want ge hebt vreemdelingen, onbesneden van hart en lichaam, in mijn heiligdom toegelaten, om mijn huis te ontwijden, terwijl gij mijn spijs, vet, brood en bloed opdroegt. Ge hebt met al uw gruwelen mijn verbond verbroken;
8あなたがたは、わたしの聖なるものに関する務めを守らず、自分たちのために、わたしの聖所で務めを守る者たちを置いた。」
8en in plaats van zelf mijn heilige dienst te verrichten, hebt ge hen aangesteld, om in uw plaats de dienst in mijn heiligdom waar te nemen.
9主なる神はこう言われる。「イスラエルの子らの中にいるどの異国人も、心にも肉体にも割礼を受けていない者は、わたしの聖所に入ってはならない。
9Dit zegt Jahweh, de Heer: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en lichaam, mag in mijn heiligdom komen. Dit geldt voor alle vreemdelingen, die onder de Israëlieten wonen.
10しかし、イスラエルが迷い出たときにわたしから遠く離れ、偶像を追ってわたしから迷い出たレビ人たちは、自分たちの不義を負う。
10Waarachtig, de levieten, die zich van Mij verwijderd hebben, toen Israël van Mij afdwaalde en zijn gruwelen achterna liep, zij zullen hun schuld dragen,
11それでも彼らは、わたしの聖所で仕える者となり、宮の門を監督し、宮で務めを行う。彼らは民のために焼き尽くすささげ物といけにえを屠り、民の前に立って仕える。
11en in mijn heiligdom slechts dienst mogen doen als bewakers van de tempelpoorten en als tempeldienaars. Zij moeten voor het volk de brandoffers en slachtoffers slachten, en te zijner beschikking staan, om het te dienen.
12彼らは民の偶像の前で仕え、イスラエルの家を不義につまずかせるものとなった。それゆえ、わたしは彼らに向かって手を上げて誓った」と主なる神は言われる。「彼らは自分たちの不義を負う。
12Omdat ze hen voor hun gruwelbeelden hebben gediend, en voor het huis van Israël een aanleiding tot zonde geweest zijn, daarom heb Ik mijn hand opgestoken, zegt Jahweh, de Heer,
13彼らはわたしに近づいて祭司の務めを行うことも、わたしの聖なるもの、最も聖なるもののどれにも近づくこともできない。彼らは自分たちの恥と、自ら行った忌むべきことの責めを負わなければならない。
13dat zij hun schuld zullen dragen, en niet als mijn priesters tot Mij mogen naderen, of aan mijn heilige voorwerpen mogen raken, die hoogheilig zijn. Zo zullen ze hun schande ondervinden om de gruwelen, die zij bedreven.
14それでも、わたしは彼らに宮の務めを守らせ、宮のすべての奉仕と、その中で行われるすべてのことを担当させる。
14Daarom heb Ik hen belast met de dienst van de tempel, met alle werkzaamheden en met alles wat er te doen valt.
15しかし、イスラエルの子らがわたしから迷い出たときにも、わたしの聖所の務めを守ったレビ人の祭司、ツァドクの子らは、わたしに近づいて仕える。彼らはわたしの前に立ち、脂肪と血をわたしにささげる」と主なる神は言われる。
15Maar de levietische priesters, de afstammelingen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom hebben waargenomen, toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, zij mogen tot Mij naderen, om Mij te dienen: zij mogen voor mijn aanschijn treden, om Mij vet en bloed te offeren, zegt Jahweh, de Heer.
16「彼らはわたしの聖所に入り、わたしの食卓に近づいて仕え、わたしの指示を守る。
16Zij mogen in mijn heiligdom komen, zij mogen naderen tot mijn tafel, om Mij te dienen; zij mogen mijn dienst waarnemen.
17彼らが内庭の門に入るときには、亜麻布の衣服を着なければならない。内庭の門や、その内側で仕えるとき、羊毛の衣服を身に着けてはならない。
17Maar betreden zij de poorten van de binnen-voorhof, dan moeten ze linnen gewaden aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als ze in de poorten van de binnen-voorhof en in de tempel dienst doen.
18頭には亜麻布のターバンを巻き、腰には亜麻布の下着を着けなければならない。汗をかくようなものを身に着けてはならない。
18Een linnen wrong moeten ze om hun hoofd dragen en linnen lendenkleren om hun middel. Ze mogen geen broeiende kleding dragen.
19民のいる外庭へ出るときには、務めを行うために着た衣服を脱ぎ、聖なる部屋に置かなければならない。それから別の衣服を着なければならない。その衣服によって民を聖別することがないようにするためである。
19Gaan ze naar de buiten-voorhof, naar het volk, dan moeten ze hun dienstkleding uittrekken, in de zalen van het heiligdom neerleggen, en andere gewaden aandoen; anders heiligen ze het volk met hun gewaden.
20彼らは頭を剃ってはならず、髪を長く伸ばしてもならない。髪をきちんと切りそろえなければならない。
20Hun hoofd mogen ze niet kaal scheren, maar ook mogen ze hun haar niet lang laten groeien; ze moeten hun hoofdhaar behoorlijk knippen.
21祭司はだれも、内庭に入るときにぶどう酒を飲んではならない。
21Wijn mag een priester niet drinken, als hij de binnen-voorhof betreedt.
22彼らは、やもめや離縁された女を妻としてはならない。イスラエルの家の子孫である処女、または祭司のやもめだけを妻としなければならない。
22Een weduwe of gescheiden vrouw mogen ze niet huwen, maar enkel meisjes van Israëlietische afkomst of de weduwe van een priester.
23彼らは、聖なるものと俗なるものとの違いをわたしの民に教え、汚れたものと清いものとを見分けさせなければならない。
23Ze moeten mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en profaan, en hen verschil leren maken tussen rein en onrein.
24争いが起こったとき、彼らは立って裁き、わたしの定めに従って判決を下さなければならない。彼らは、すべての定められた祭りにおいて、わたしの律法と掟を守り、わたしの安息日を聖なるものとしなければならない。
24Bij geschillen moeten zij als rechter optreden, en die naar mijn wetten beslechten. Op al mijn feesten moeten ze mijn bepalingen en voorschriften in acht nemen, en mijn sabbatten moeten ze heilig houden.
25彼らは死者に近づいて自分を汚してはならない。ただし、父、母、息子、娘、兄弟、または夫のいない姉妹のためには、自分を汚してもよい。
25Ze mogen niet bij een mensenlijk komen, anders verontreinigen zij zich; enkel aan het lijk van vader of moeder, zoon of dochter, broeder of ongehuwde zuster mogen ze zich verontreinigen.
26祭司が清められた後、さらに七日を数えなければならない。
26Is hij dan onrein geworden, dan moet hij zeven dagen laten verlopen;
27聖所で務めを行うために聖所の内庭へ入る日、彼は自分の罪のきよめのささげ物をささげなければならない」と主なる神は言われる。
27en als hij weer het heiligdom en de binnen-voorhof betreedt, om in het heiligdom dienst te doen, moet hij zijn zonde-offer brengen, zegt Jahweh, de Heer.
28「彼らには相続地がある。わたしが彼らの相続地である。あなたがたはイスラエルの中で、彼らに所有地を与えてはならない。わたしが彼らの所有である。
28Ze mogen geen erfdeel aanvaarden: Ik ben hun erfdeel. Er mag hun geen bezit in Israël worden geschonken: Ik ben hun bezit.
29彼らは穀物のささげ物、罪のきよめのささげ物、罪過のささげ物を食べる。イスラエルのうちで聖絶されたものはすべて、彼らのものとなる。
29Van het spijsoffer, het zonde-offer en het schuldoffer moeten ze leven; voor hen is ook alles, wat in Israël met de ban wordt getroffen.
30あらゆるものの初物のうち最上のものと、あなたがたがささげるあらゆる奉納物は、祭司のものとなる。あなたがたは練り粉の初物も祭司に与えなければならない。祝福をあなたの家にとどまらせるためである。
30Van alle eerstelingen, wat het ook is, en van alle offergaven, wat het ook is, van al uw gaven, moet het beste voor de priesters zijn; ook het beste van uw meel moet ge aan de priesters geven, om zegen over uw huis te verkrijgen.
31祭司たちは、鳥であれ動物であれ、自然に死んだものや、引き裂かれたものを食べてはならない。」』」
31Vogels en beesten, die een natuurlijke dood gestorven of verscheurd zijn, mogen de priesters niet eten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.