ΙΕΖΕΚΙΗΛ 44
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἐπέστρεψέ με κατὰ τὴν ὁδὸν τῆς πύλης τῶν ἁγίων τῆς ἐξωτέρας τῆς βλεπούσης κατὰ ἀνατολάς· καὶ αὕτη ἦν κεκλεισμένη.
1Toen bracht hij mij weer naar de buitenste oosterpoort voor het heiligdom. Die was gesloten.
2Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς μὲ, ἡ πύλη αὕτη κεκλεισμένη ἔσται, οὐκ ἀνοιχθήσεται, καὶ οὐδεὶς μὴ διέλθῃ διʼ αὐτῆς· ὅτι Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ εἰσελεύσεται διʼ αὐτῆς, καὶ ἔσται κεκλεισμένη.
2En Jahweh verklaarde mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden, en niemand mag er binnen gaan; want Jahweh, de God van Israël, is er door gekomen; dus moet hij gesloten blijven.
3Διότι ὁ ἡγούμενος οὗτος καθήσεται ἐν αὐτῇ, τοῦ φαγεῖν ἄρτον ἐναντίον Κυρίου· κατὰ τὴν ὁδὸν αἰλὰμ τῆς πύλης εἰσελεύσεται, καὶ κατὰ τὴν ὁδὸν αὐτοῦ ἐξελεύσεται.
3Alleen de vorst mag er plaats nemen, om voor Jahweh ‘s aanschijn brood te eten. Langs de poorthal moet hij binnenkomen, en langs dezelfde weg terugkeren.
4Καὶ εἰσήγαγέ με κατὰ τὴν ὁδὸν τῆς πύλης τῆς πρὸς Βοῤῥᾶν, κατέναντι τοῦ οἴκου· καὶ ἴδον, καὶ ἰδοὺ πλήρης δόξης ὁ οἶκος τοῦ Κυρίου· καὶ πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου.
4Vervolgens bracht hij mij naar de noorderpoort tegenover de tempel. Ik keek toe, en zag, hoe Jahweh’s heerlijkheid het huis van Jahweh vervulde; en ik viel plat ter aarde.
5Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς μὲ, υἱὲ ἀνθρώπου, τάξον εἰς τὴν καρδίαν σου, καὶ ἴδε τοῖς ὀφθαλμοῖς, καὶ τοῖς ὠσί σου ἄκουε πάντα ὅσα ἐγὼ λαλῶ μετὰ σοῦ, κατὰ πάντα τὰ προστάγματα τοῦ οἴκου Κυρίου, καὶ πάντα τὰ νόμιμα αὐτοῦ· καὶ τάξεις τὴν καρδίαν σου εἰς τὴν εἴσοδον τοῦ οἴκου, κατὰ πάσας τὰς ἐξόδους αὐτοῦ, ἐν πᾶσι τοῖς ἁγίοις.
5En Jahweh sprak tot mij: Mensenkind, let aandachtig op; kijk goed uit uw ogen en scherp uw oren op alles wat Ik u ga zeggen over alle voorschriften van Jahweh’s huis en over al zijn regels. Let goed op, wie er in de tempel komt door alle uitgangen van het heiligdom.
6Καὶ ἐρεῖς πρὸς τὸν οἶκον τὸν παραπικραίνοντα, πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ, τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς, ἱκανούσθω ὑμῖν ἀπὸ πασῶν τῶν ἀνομιῶν ὑμῶν, οἶκος Ἰσραὴλ,
6En zeg tot het onhandelbaar volk, tot Israëls huis: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Laat het nu uit zijn, huis van Israël, met al uw gruwelen;
7τοῦ εἰσαγαγεῖν ὑμᾶς υἱοὺς ἀλλογενεῖς, ἀπεριτμήτους καρδίᾳ· καὶ ἀπεριτμήτους σαρκὶ, τοῦ γίνεσθαι ἐν τοῖς ἁγίοις μου, καὶ βεβηλοῦν αὐτὰ, ἐν τῷ προσφέρειν ὑμᾶς ἄρτους, σάρκας, καὶ αἷμα· καὶ παρεβαίνετε τὴν διαθήκην μου ἐν πάσαις ταῖς ἀνομίαις ὑμῶν,
7want ge hebt vreemdelingen, onbesneden van hart en lichaam, in mijn heiligdom toegelaten, om mijn huis te ontwijden, terwijl gij mijn spijs, vet, brood en bloed opdroegt. Ge hebt met al uw gruwelen mijn verbond verbroken;
8καὶ διετάξατε τοῦ φυλάσσειν φυλακὰς ἐν τοῖς ἁγίοις μου.
8en in plaats van zelf mijn heilige dienst te verrichten, hebt ge hen aangesteld, om in uw plaats de dienst in mijn heiligdom waar te nemen.
9Διατοῦτο τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς, πᾶς υἱὸς ἀλλογενὴς ἀπερίτμητος καρδίᾳ, καὶ ἀπερίτμητος σαρκὶ, οὐκ εἰσελεύσεται εἰς τὰ ἅγιά μου ἐν πᾶσιν υἱοῖς ἀλλογενῶν, τῶν ὄντων ἐν μέσῳ οἴκου Ἰσραήλ·
9Dit zegt Jahweh, de Heer: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en lichaam, mag in mijn heiligdom komen. Dit geldt voor alle vreemdelingen, die onder de Israëlieten wonen.
10Ἀλλʼ ἢ οἱ Λευῖται, οἵτινες ἀφήλαντο ἀπʼ ἐμοῦ ἐν τῷ πλανᾶσθαι τὸν Ἰσραὴλ ἀπʼ ἐμοῦ κατόπισθεν τῶν ἐνθυμημάτων αὐτῶν· καὶ λήψονται ἀδικίαν αὐτῶν,
10Waarachtig, de levieten, die zich van Mij verwijderd hebben, toen Israël van Mij afdwaalde en zijn gruwelen achterna liep, zij zullen hun schuld dragen,
11καὶ ἔσονται ἐν τοῖς ἁγίοις μου λειτουργοῦντες, θυρωροὶ ἐπὶ τῶν πυλῶν τοῦ οἴκου, καὶ λειτουργοῦντες τῷ οἴκῳ· οὗτοι σφάξουσι τὰς θυσίας καὶ τὰ ὁλοκαυτώματα τῷ λαῷ, καὶ οὗτοι στήσονται ἐναντίον τοῦ λαοῦ, τοῦ λειτουργεῖν αὐτοῖς.
11en in mijn heiligdom slechts dienst mogen doen als bewakers van de tempelpoorten en als tempeldienaars. Zij moeten voor het volk de brandoffers en slachtoffers slachten, en te zijner beschikking staan, om het te dienen.
12Ἀνθʼ ὧν ἐλειτούργουν αὐτοῖς πρὸ προσώπου τῶν εἰδώλων αὐτῶν· καὶ ἐγένετο τῷ οἴκῳ Ἰσραὴλ εἰς κόλασιν ἀδικίας· ἕνεκα τούτου ᾖρα τὴν χεῖρά μου ἐπʼ αὐτοὺς, λέγει Κύριος ὁ Θεὸς,
12Omdat ze hen voor hun gruwelbeelden hebben gediend, en voor het huis van Israël een aanleiding tot zonde geweest zijn, daarom heb Ik mijn hand opgestoken, zegt Jahweh, de Heer,
13καὶ οὐκ ἐγγιοῦσι πρὸς μὲ τοῦ ἱερατεύειν μοι, οὐδὲ τοῦ προσάγειν πρὸς τὰ ἅγια υἱῶν τοῦ Ἰσραὴλ, οὐδὲ πρὸς τὰ ἅγια τῶν ἁγίων μου· καὶ λήψονται ἀτιμίαν αὐτῶν ἐν τῇ πλανήσει ᾗ ἐπλανήθησαν.
13dat zij hun schuld zullen dragen, en niet als mijn priesters tot Mij mogen naderen, of aan mijn heilige voorwerpen mogen raken, die hoogheilig zijn. Zo zullen ze hun schande ondervinden om de gruwelen, die zij bedreven.
14Κατάξουσιν αὐτοὺς φυλάσσειν φυλακὰς τοῦ οἴκου εἰς πάντα τὰ ἔργα αὐτοῦ, καὶ εἰς πάντα ὅσα ἂν ποιήσωσιν.
14Daarom heb Ik hen belast met de dienst van de tempel, met alle werkzaamheden en met alles wat er te doen valt.
15Οἱ ἱερεῖς οἱ Λευῖται, οἱ υἱοὶ τοῦ Σαδδοὺκ, οἵτινες ἐφυλάξαντο τὰς φυλακὰς τῶν ἁγίων μου, ἐν τῷ πλανᾶσθαι οἶκον Ἰσραὴλ ἀπʼ ἐμοῦ, οὗτοι προσάξουσι πρὸς μὲ, τοῦ λειτουργεῖν μοι, καὶ στήσονται πρὸ προσώπου μου, τοῦ προσφέρειν μοι θυσίαν, στέαρ καὶ αἷμα, λέγει Κύριος ὁ Θεός.
15Maar de levietische priesters, de afstammelingen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom hebben waargenomen, toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, zij mogen tot Mij naderen, om Mij te dienen: zij mogen voor mijn aanschijn treden, om Mij vet en bloed te offeren, zegt Jahweh, de Heer.
16Οὗτοι εἰσελεύσονται εἰς τὰ ἅγιά μου, καὶ οὗτοι προσελεύσονται πρὸς τὴν τράπεζάν μου, τοῦ λειτουργεῖν μοι, καὶ φυλάξουσι τὰς φυλακάς μου.
16Zij mogen in mijn heiligdom komen, zij mogen naderen tot mijn tafel, om Mij te dienen; zij mogen mijn dienst waarnemen.
17Καὶ ἔσται ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι αὐτοὺς τὰς πύλας τῆς αὐλῆς τῆς ἐσωτέρας, στολὰς λινὰς ἐνδύσονται, καὶ οὐκ ἐνδύσονται ἔρια ἐν τῷ λειτουργεῖν αὐτοὺς ἀπὸ τῆς πύλης τῆς ἐσωτέρας αὐλῆς.
17Maar betreden zij de poorten van de binnen-voorhof, dan moeten ze linnen gewaden aantrekken; zij mogen geen wol dragen, als ze in de poorten van de binnen-voorhof en in de tempel dienst doen.
18Καὶ κιδάρεις λινὰς ἕξουσιν ἐπὶ ταῖς κεφαλαῖς αὐτῶν, καὶ περισκελῆ λινὰ ἕξουσιν ἐπὶ τὰς ὀσφύας αὐτῶν, καὶ οὐ περιζώσονται βίᾳ.
18Een linnen wrong moeten ze om hun hoofd dragen en linnen lendenkleren om hun middel. Ze mogen geen broeiende kleding dragen.
19Καὶ ἐν τῷ ἐκπορεύεσθαι αὐτοὺς εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐξωτέραν πρὸς τὸν λαὸν, ἐκδύσονται τὰς στολὰς αὐτῶν, ἐν αἷς αὐτοὶ λειτουργοῦσιν ἐν αὐταῖς· καὶ θήσουσιν αὐτὰς ἐν ταῖς ἐξέδραις τῶν ἁγίων, καὶ ἐνδύσονται στολὰς ἑτέρας, καὶ οὐ μὴ ἁγιάσωσι τὸν λαὸν ἐν ταῖς στολαῖς αὐτῶν.
19Gaan ze naar de buiten-voorhof, naar het volk, dan moeten ze hun dienstkleding uittrekken, in de zalen van het heiligdom neerleggen, en andere gewaden aandoen; anders heiligen ze het volk met hun gewaden.
20Καὶ τὰς κεφαλὰς αὐτῶν οὐ ξυρήσονται, καὶ τὰς κόμας αὐτῶν οὐ ψιλώσουσι, καλύπτοντε καλύψουσιν τὰς κεφαλὰς αὐτῶν.
20Hun hoofd mogen ze niet kaal scheren, maar ook mogen ze hun haar niet lang laten groeien; ze moeten hun hoofdhaar behoorlijk knippen.
21Καὶ οἶνον οὐ μὴ πίωσι πᾶς ἱερεὺς, ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι αὐτοὺς εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν.
21Wijn mag een priester niet drinken, als hij de binnen-voorhof betreedt.
22Καὶ χήραν καὶ ἐκβεβλημένην οὐ λήψονται ἑαυτοῖς εἰς γυναῖκα, ἀλλʼ ἢ παρθένον ἐκ τοῦ σπέρματος Ἰσραήλ· καὶ χήρα ἐὰν γένηται ἐξ ἱερέως, λήψονται.
22Een weduwe of gescheiden vrouw mogen ze niet huwen, maar enkel meisjes van Israëlietische afkomst of de weduwe van een priester.
23Καὶ τὸν λαόν μου διδάξουσιν ἀναμέσον ἁγίου καὶ βεβήλου, καὶ ἀναμέσον ἀκαθάρτου καὶ καθαροῦ γνωριοῦσιν αὐτοῖς.
23Ze moeten mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en profaan, en hen verschil leren maken tussen rein en onrein.
24Καὶ ἐπὶ κρίσιν αἵματος οὗτοι ἐπιστήσονται τοῦ διακρίνειν· τὰ δικαιώματά μου δικαιώσουσι, καὶ τὰ κρίματά μου κρινοῦσι, καὶ τὰ νόμιμά μου καὶ τὰ προστάγματά μου ἐν πάσαις ταῖς ἑορταῖς μου φυλάξονται, καὶ τὰ σάββατά μου ἁγιάσουσι.
24Bij geschillen moeten zij als rechter optreden, en die naar mijn wetten beslechten. Op al mijn feesten moeten ze mijn bepalingen en voorschriften in acht nemen, en mijn sabbatten moeten ze heilig houden.
25Καὶ ἐπὶ ψυχὴν ἀνθρώπου οὐκ εἰσελεύσονται τοῦ μιανθῆναι, ἀλλʼ ἢ ἐπὶ πατρὶ, καὶ ἐπὶ μητρὶ, καὶ ἐπὶ υἱῷ, καὶ ἐπὶ θυγατρὶ, καὶ ἐπὶ ἀδελφῷ, καὶ ἐπὶ ἀδελφῇ αὐτοῦ, ἣ οὐ γέγονεν ἀνδρὶ, μιανθήσεται.
25Ze mogen niet bij een mensenlijk komen, anders verontreinigen zij zich; enkel aan het lijk van vader of moeder, zoon of dochter, broeder of ongehuwde zuster mogen ze zich verontreinigen.
26Καὶ μετὰ τὸ καθαρισθῆναι αὐτὸν, ἑπτὰ ἡμέρας ἐξαριθμήσῃ αὐτῷ.
26Is hij dan onrein geworden, dan moet hij zeven dagen laten verlopen;
27Καὶ ᾗ ἂν ἡμέρᾳ εἰσπορεύωνται εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν τοῦ λειτουργεῖν ἐν τῷ ἁγίῳ, προσοίσουσιν ἱλασμὸν, λέγει Κύριος ὁ Θεός·
27en als hij weer het heiligdom en de binnen-voorhof betreedt, om in het heiligdom dienst te doen, moet hij zijn zonde-offer brengen, zegt Jahweh, de Heer.
28Καὶ ἔσται αὐτοῖς εἰς κληρονομίαν· ἐγὼ κληρονομία αὐτοῖς, καὶ κατάσχεσις αὐτοῖς οὐ δοθήσεται ἐν τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ, ὅτι ἐγὼ κατάσχεσις αὐτῶν.
28Ze mogen geen erfdeel aanvaarden: Ik ben hun erfdeel. Er mag hun geen bezit in Israël worden geschonken: Ik ben hun bezit.
29Καὶ τὰς θυσίας, καὶ τὰ ὑπὲρ ἁμαρτίας, καὶ τὰ ὑπὲρ ἀγνοίας, οὗτοι φάγονται· καὶ πᾶν ἀφόρισμα ἐν τῷ Ἰσραὴλ αὐτοῖς ἔσται,
29Van het spijsoffer, het zonde-offer en het schuldoffer moeten ze leven; voor hen is ook alles, wat in Israël met de ban wordt getroffen.
30ἀπαρχαὶ πάντων, καὶ τὰ πρωτότοκα πάντων, καὶ τὰ ἀφαιρέματα πάντα· ἐκ πάντων τῶν ἀπαρχῶν ὑμῶν, τοῖς ἱερεῦσιν ἔσται· καὶ τὰ πρωτογεννήματα ὑμῶν δώσετε τῷ ἱερεῖ, τοῦ θεῖναι εὐλογίας ὑμῶν ἐπὶ τοὺς οἴκους ὑμῶν.
30Van alle eerstelingen, wat het ook is, en van alle offergaven, wat het ook is, van al uw gaven, moet het beste voor de priesters zijn; ook het beste van uw meel moet ge aan de priesters geven, om zegen over uw huis te verkrijgen.
31Καὶ πᾶν θνησιμαῖον καὶ θηριάλωτον ἐκ τῶν πετεινῶν, καὶ ἐκ τῶν κτηνῶν, οὐ φάγονται οἱ ἱερεῖς.
31Vogels en beesten, die een natuurlijke dood gestorven of verscheurd zijn, mogen de priesters niet eten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.