ΙΕΖΕΚΙΗΛ 36
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ σὺ υἱὲ ἀνθρώπου προφήτευσον ἐπὶ τὰ ὄρη Ἰσραὴλ, καὶ εἰπὸν τοῖς ὄρεσι τοῦ Ἰσραὴλ, ἀκούσατε λόγον Κυρίου.
1Mensenkind, ge moet over de bergen van Israël profeteren en zeggen: Bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh!
2Τάδε λέγει Κύριος Κύριος, ἀνθʼ οὗ εἶπεν ἐφʼ ὑμᾶς ὁ ἐχθρὸς, εὖγε ἔρημα αἰώνια εἰς κατάσχεσιν ἡμῖν ἐγενήθη·
2Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat de vijand over u heeft uitgeroepen: Haha, voorgoed zijn ze verwoest, ze worden ons bezit;
3Διατοῦτο προφήτευσον, καὶ εἰπὸν, τάδε λέγει Κύριος Κύριος, ἀντὶ τοῦ ἀτιμασθῆναι ὑμᾶς, καὶ μισηθῆναι ὑμᾶς ὑπὸ τῶν κύκλῳ ὑμῶν, τοῦ εἶναι ὑμᾶς εἰς κατάσχεσιν τοῖς καταλοίποις ἔθνεσι, καὶ ἀνέβητε λάλημα γλώσσῃ, καὶ εἰς ὀνείδισμα ἔθνεσι,
3daarom moet ge profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Omdat uw buren u van alle kanten opgejaagd en vertrapt hebben, om u tot bezit te maken van de overige volken, en gij over de tong gaat in de praatjes der mensen:
4διατοῦτο ὄρη Ἰσραὴλ ἀκούσατε λόγον Κυρίου· τάδε λέγει Κύριος τοῖς ὄρεσι, καὶ τοῖς βουνοῖς, καὶ τοῖς χειμάῤῥοις, καὶ ταῖς φάραγξι, καὶ τοῖς ἐξηρημωμένοις καὶ ἠφανισμένοις, καὶ ταῖς πόλεσι ταῖς ἐγκαταλελειμμέναις, καὶ ἐγένοντο εἰς προνομὴν, καὶ εἰς καταπάτημα τοῖς καταλειφθεῖσιν ἔθνεσι περικύκλῳ.
4daarom, bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh! Dit zegt Jahweh, de Heer, tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen, de eenzame puinen en verlaten steden, die ten buit en ten spot vielen aan de overige volken om u heen.
5Διατοῦτο τάδε λέγει Κύριος Κύριος, εἰ μὴν ἐν πυρὶ θυμοῦ μου ἐλάλησα ἐπὶ τὰ λοιπὰ ἔθνη, καὶ ἐπὶ τὴν Ἰδουμαίαν πᾶσαν, ὅτι ἔδωκαν τὴν γῆν μου ἑαυτοῖς εἰς κατάσχεσιν μετʼ εὐφροσύνης, ἀτιμάσαντες ψυχὰς, τοῦ ἀφανίσαι ἐν προνομῇ·
5Waarachtig, zegt Jahweh, de Heer: Ik zal ze! In mijn brandende jaloezie spreek Ik tot heel Edom en tot de overige volken, die met een vrolijk hart en bezield van leedvermaak bezit genomen hebben van mijn land, om het als oorlogsbuit te bezitten.
6Διατοῦτο προφήτευσον ἐπὶ τὴν γῆν τοῦ Ἰσραὴλ, καὶ εἰπὸν τοῖς ὄρεσι, καὶ τοῖς βουνοῖς, καὶ ταῖς φάραγξι, καὶ ταῖς νάπαις, τάδε λέγει Κύριος, ἰδοὺ ἐγὼ ἐν τῷ ζήλῳ μου, καὶ ἐν τῷ θυμῷ μου ἐλάλησα, ἀντὶ τοῦ ὀνειδισμοὺς ἐθνῶν ἐνέγκαι ὑμᾶς.
6Profeteer daarom over het land van Israël, en roep tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Daar ben Ik! Ik spreek in mijn jaloezie en mijn toorn! Omdat gij de spot der volken moest verduren,
7Διατοῦτο ἐγὼ ἀρῶ τὴν χεῖρά μου ἐπὶ τὰ ἔθνη τὰ περικύκλῳ ὑμῶν, οὗτοι τὴν ἀτιμίαν αὐτῶν λήψονται.
7daarom zegt Jahweh, de Heer: Nu steek Ik mijn hand op! Waarachtig! de volken, die u omringen, zullen hun schande moeten dragen!
8Ὑμῶν δὲ ὄρη Ἰσραὴλ τὴν σταφυλὴν καὶ τὸν καρπὸν ὑμῶν καταφάγεται ὁ λαός μου, ὅτι ἐλπίζουσι τοῦ ἐλθεῖν·
8Maar gij, bergen van Israël, gij zult wortel schieten en vruchten dragen voor mijn volk Israël; want spoedig zullen zij komen.
9Ὅτι ἰδοὺ ἐγὼ ἐφʼ ὑμᾶς, καὶ ἐπιβλέψω ἐφʼ ὑμᾶς, καὶ κατεργασθήσεσθε, καὶ σπαρήσεσθε,
9Zie, Ik nader tot u, en ga voor u staan: ge zult weer bewerkt worden en vruchtbaar zijn.
10καὶ πληθυνῶ ἐφʼ ὑμᾶς ἀνθρώπους, πᾶν οἶκον Ἰσραὴλ εἰς τέλος, καὶ κατοικηθήσονται αἱ πόλεις, καὶ ἡ ἠρημωμένη οἰκοδομηθήσεται.
10Ik geef u een dichte bevolking: het hele huis van Israël tezamen. Dan zullen de steden bewoond, de ruïnen weer opgebouwd worden.
11Καὶ πληθυνῶ ἐφʼ ὑμᾶς ἀνθρώπους, καὶ κτήνη, καὶ κατοικιῶ ὑμᾶς ὡς τὸ ἐν ἀρχῇ ὑμῶν, καὶ εὖ ποιήσω ὑμᾶς, ὥσπερ τὰ ἔμπροσθεν ὑμῶν, καὶ γνώσεσθε ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος.
11Talrijk maak Ik op u mens en dier: zij zullen zich uitbreiden en zich vermenigvuldigen; uw bevolking maak Ik weer dicht als vroeger, uw vruchtbaarheid rijker dan voorheen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
12Καὶ γεννήσω ἐφʼ ὑμᾶς ἀνθρώπους τὸν λαόν μου Ἰσραὴλ, καὶ κληρονομήσουσιν ὑμᾶς, καὶ ἔσεσθε αὐτοῖς εἰς κατάσχεσιν· καὶ οὐ μὴ προστεθῆτε ἔτι ἀτεκνωθῆναι ἀπʼ αὐτῶν.
12Ik ga weer mensen op u vestigen, Israël mijn volk: die zullen u bezitten en beërven; nooit meer zult gij ze kinderloos maken.
13Τάδε λέγει Κύριος Κύριος, ἀνθʼ ὧν εἶπάν σοι, κατέσθουσα ἀνθρώπους εἶ, καὶ ἠτεκνωμένη ὑπὸ τοῦ ἔθνους σου ἐγένου·
13Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat men u verwijt: Gij hebt mensen verslonden, en uw bevolking kinderloos gemaakt,
14Διατοῦτο ἀνθρώπους οὐκέτι φάγεσαι, καὶ τὸ ἔθνος σου οὐκ ἀτεκνώσεις ἔτι, λέγει Κύριος Κύριος.
14daarom zegt Jahweh, zult ge in het vervolg geen mensen meer verslinden of uw bevolking kinderloos maken.
15Καὶ οὐκ ἀκουσθήσεται οὐκέτι ἐφʼ ὑμᾶς ἀτιμία ἐθνῶν, καὶ ὀνειδισμοὺς λαῶν οὐ μὴ ἀνενέγκητε ἔτι, λέγει Κύριος Κύριος.
15Dan blijft u de spot der volken bespaard, en hoeft ge de smaad der naties niet meer te verduren, daar ge ophoudt uw volk kinderloos te maken, zegt Jahweh, de Heer!
16Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
16Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
17υἱὲ ἀνθρώπου, οἶκος Ἰσραὴλ κατῴκησεν ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν, καὶ ἐμίαναν αὐτὴν ἐν τῇ ὁδῷ αὐτῶν, καὶ ἐν τοῖς εἰδώλοις αὐτῶν, καὶ ἐν ταῖς ἀκαθαρσίαις αὐτῶν, καὶ κατὰ τὴν ἀκαθαρσίαν τῆς ἀποκαθημένης ἐγενήθη ἡ ὁδὸς αὐτῶν πρὸ προσώπου μου.
17Mensenkind, toen het huis van Israël in zijn eigen land woonde, hebben ze door hun handel en wandel het verontreinigd; in mijn ogen was hun gedrag onrein als een maandvloeiing.
18Καὶ ἐξέχεα τὸν θυμόν μου ἐπʼ αὐτοὺς,
18Toen stortte Ik mijn toorn over hen uit, om het bloed dat ze in het land vergoten, en de nietswaardige goden waarmede ze het hebben bezoedeld.
19καὶ διέσπειρα αὐτοὺς εἰς τὰ ἔθνη, καὶ ἐλίκμησα αὐτοὺς εἰς τὰς χώρας, κατὰ τὴν ὁδὸν αὐτῶν, καὶ κατὰ τὴν ἁμαρτίαν αὐτῶν ἔκρινα αὐτούς.
19Daarom heb Ik ze uiteengejaagd onder de volken, heb Ik ze over de landen verspreid, ze naar hun handel en wandel geoordeeld.
20Καὶ εἰσῆλθον εἰς τὰ ἔθνη, οὗ εἰσῆλθον ἐκεῖ, καὶ ἐβεβήλωσαν τὸ ὄνομά μου τὸ ἅγιον ἐν τῷ λέγεσθαι αὐτοὺς, λαὸς Κυρίου οὗτοι, καὶ ἐκ τῆς γῆς αὐτοῦ ἐξεληλύθασι.
20Maar toen ze onder de volken gekomen waren, hebben zij mijn heilige Naam ontwijd; want men zeide van hen: Dat is nu het volk van Jahweh; en tòch moesten ze zijn land verlaten!
21Καὶ ἐπεισάμην αὐτῶν διὰ τὸ ὄνομά μου τὸ ἅγιον, ὃ ἐβεβήλωσαν οἶκος Ἰσραὴλ ἐν τοῖς ἔθνεσιν, οὗ εἰσήλθοσαν ἐκεῖ.
21Dat ging Mij aan het hart, omwille van mijn heilige Naam, die door het huis van Israël ontwijd werd bij de volken, waar ze gekomen waren.
22Διατοῦτο εἰπὸν τῷ οἴκῳ Ἰσραὴλ, τάδε λέγει Κύριος, οὐχ ὑμῖν ἐγὼ ποιῶ οἶκος Ἰσραὴλ, ἀλλʼ ἢ διὰ τὸ ὄνομά μου τὸ ἅγιον, ὃ ἐβεβηλώσατε ἐν τοῖς ἔθνεσιν, οὗ εἰσήλθετε ἐκεῖ.
22Zeg derhalve tot het huis van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik doe het niet om uwentwil, huis van Israël, maar om wille van mijn heilige Naam, die ge ontwijd hebt bij de volken, waar ge gekomen zijt.
23Καὶ ἁγιάσω τὸ ὄνομά μου τὸ μέγα τὸ βεβηλωθὲν ἐν τοῖς ἔθνεσιν, ὃ ἐβεβηλώσατε ἐν μέσῳ αὐτῶν, καὶ γνώσονται τὰ ἔθνη ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος, ἐν τῷ ἁγιασθῆναί με ἐν ὑμῖν κατʼ ὀφθαλμοὺς αὐτῶν.
23Want heiligen zal Ik mijn grote Naam, die nu ontwijd is onder de volken, en die gij onder hen hebt ontwijd. Dan zullen de volken erkennen, dat Ik Jahweh ben, zegt Jahweh de Heer, als Ik in hun bijzijn door u mijn heiligheid bewijs.
24Καὶ λήψομαι ὑμᾶς ἐκ τῶν ἐθνῶν, καὶ ἀθροίσω ὑμᾶς ἐκ πασῶν τῶν γαιῶν, καὶ εἰσάξω ὑμᾶς εἰς τὴν γῆν ὑμῶν,
24Daarom zal Ik u uit de volken weghalen, u uit de landen bijeenroepen, u brengen naar uw eigen land.
25καὶ ῥανῶ ἐφʼ ὑμᾶς καθαρὸν ὕδωρ, καὶ καθαρισθήσεσθε ἀπὸ πασῶν τῶν ἀκαθαρσιῶν ὑμῶν, καὶ ἀπὸ πάντων τῶν εἰδώλων ὑμῶν, καὶ καθαριῶ ὑμᾶς·
25Dan zal Ik u besprenkelen met zuiver water; dan zult ge gereinigd worden van al uw vlekken, en van al uw nietswaardige goden zal Ik u ontdoen.
26Καὶ δώσω ὑμῖν καρδίαν καινὴν, καὶ πνεῦμα καινὸν δώσω ἐν ὑμῖν, καὶ ἀφελῶ τὴν καρδίαν τὴν λιθίνην ἐκ τῆς σαρκὸς ὑμῶν, καὶ δώσω ὑμῖν καρδίαν σαρκίνην·
26Dan geef Ik u een nieuw hart en stort een nieuwe geest in uw binnenste, verwijder het stenen hart uit uw lichaam, en geef u een hart van vlees.
27Καὶ τὸ πνεῦμά μου δώσω ἐν ὑμῖν, καὶ ποιήσω ἵνα ἐν τοῖς δικαιώμασί μου πορεύησθε, καὶ τὰ κρίματά μου φυλάξησθε, καὶ ποιήσητε·
27Mijn geest zal Ik in uw binnenste uitstorten, en maken, dat ge naar mijn wetten leeft, en mijn geboden nauwkeurig onderhoudt.
28Καὶ κατοικήσετε ἐπὶ τῆς γῆς ἧς ἔδωκα τοῖς πατράσιν ὑμῶν, καὶ ἔσεσθέ μοι εἰς λαὸν, καὶ ἐγὼ ἔσομαι ὑμῖν εἰς Θεόν.
28Dan zult ge wonen in het land, dat Ik aan uw vaderen heb gegeven; dan zult ge Mij tot volk, en Ik zal een God voor u zijn.
29Καὶ σώσω ὑμᾶς ἐκ πασῶν τῶν ἀκαθαρσιῶν ὑμῶν, καὶ καλέσω τὸν σῖτον, καὶ πληθυνῶ αὐτὸν, καὶ οὐ δώσω ἐφʼ ὑμᾶς λιμόν.
29Zo zal Ik u bevrijden van al uw smetten. Ik zal het graan te voorschijn roepen en het overvloedig doen groeien, in plaats van u te teisteren met hongersnood.
30Καὶ πληθυνῶ τὸν καρπὸν τοῦ ξύλου, καὶ τὰ γεννήματα τοῦ ἀγροῦ, ὅπως ἂν μὴ λάβητε ὀνειδισμὸν λιμοῦ ἐν τοῖς ἔθνεσι.
30Ook zal Ik de vruchtbaarheid der bomen en de opbrengst van het veld vergroten, opdat ge de schande van honger te lijden niet meer hoeft te verduren onder de volken.
31Καὶ μνησθήσεσθε τὰς ὁδοὺς ὑμῶν τὰς πονηρὰς, καὶ τὰ ἐπιτηδεύματα ὑμῶν τὰ μὴ ἀγαθὰ, καὶ προσοχθιεῖτε κατὰ πρόσωπον αὐτῶν ἐν ταῖς ἀνομίαις ὑμῶν, καὶ ἐπὶ τοῖς βδελύγμασιν αὐτῶν.
31Als ge dan terugziet op uw slecht gedrag en op uw onbehoorlijke daden, dan zal de schaamte op uw gelaat te lezen staan over uw afdwalingen en uw gruwelen.
32Οὐ διʼ ὑμᾶς ἐγὼ ποιῶ, λέγει Κύριος Κύριος, γνωστόν ἐστιν ὑμῖν· αἰσχύνθητε καὶ ἐντράπητε ἐκ τῶν ὁδῶν ὑμῶν οἶκος Ἰσραήλ.
32Weet wèl, dat Ik het niet om uwentwil doe, zegt Jahweh de Heer! Schaam u derhalve, en bloos over uw gedrag, huis van Israël!
33Τάδε λέγει ἀδωναῒ Κύριος, ἐν ἡμέρᾳ ᾗ καθαριῶ ὑμᾶς ἐκ πασῶν ἀνομιῶν ὑμῶν, καὶ κατοικιῶ τὰς πόλεις, καὶ οἰκοδομηθήσονται ἔρημοι,
33Dit zegt Jahweh, de Heer: Als Ik u gezuiverd heb van al uw smetten, en uw steden bevolkt heb; als de ruïnen herbouwd zijn,
34καὶ ἡ γῆ ἠφανισμένη ἐργασθήσεται ἀνθʼ ὧν ὅτι ἠφανισμένη ἐγενήθη κατʼ ὀφθαλμοὺς παντὸς παροδεύοντος.
34en het land weer bewerkt wordt, in plaats dat het woest ligt ten aanschouwen van een ieder, die voorbijgaat;
35Καὶ ἐροῦσιν, ἡ γῆ ἐκείνη ἠφανισμένη ἐγενήθη ὡς κῆπος τρυφῆς, καὶ αἱ πόλεις αἱ ἔρημοι καὶ ἠφανισμέναι καὶ κατεσκαμμέναι ὀχυραὶ ἐκάθισαν.
35dan zal men uitroepen: Dit woeste land is in een tuin van Eden veranderd; en die steden, die verwoest waren en in puin lagen, zijn nu versterkt en bewoond!
36Καὶ γνώσονται τὰ ἔθνη, ὅσα ἂν καταλειφθῶσιν κύκλῳ ὑμῶν, ὅτι ἐγὼ Κύριος ᾠκοδόμησα τὰς καθῃρημένας, καὶ κατεφύτευσα τὰς ἠφανισμένας· ἐγὼ Κύριος ἐλάλησα, καὶ ποιήσω.
36Zo zullen de volken, die in uw omtrek overblijven, erkennen, dat Ik, Jahweh, die puinhopen herbouwd en het woeste land weer beplant heb. Ik, Jahweh, heb het gezegd, en Ik zal het doen!
37Τάδε λέγει ἀδωναῒ Κύριος, ἔτι τοῦτο ζητηθήσομαι τῷ οἴκῳ Ἰσραὴλ τοῦ ποιῆσαι αὐτούς· πληθυνῶ αὐτοὺς ὡς πρόβατα ἀνθρώπους,
37Dit zegt Jahweh, de Heer: Ook tot deze gunst zal Ik Mij door het huis van Israël laten verbidden: Ik zal het zo talrijk maken, dat de mensen op kudden gelijken;
38ὡς πρόβατα ἅγια, ὡς πρόβατα Ἱερουσαλὴμ ἐν ταῖς ἑορταῖς αὐτῆς· οὕτως ἔσονται αἱ πόλεις αἱ ἔρημοι πλήρεις προβάτων ἀνθρώπων· καὶ γνώσονται ὅτι ἐγὼ Κύριος.
38als offerdieren, als schapen op Jerusalems feesten, zó talrijk zullen de ontvolkte steden met kudden van mensen worden bewoond. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.