ΙΕΖΕΚΙΗΛ 28
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
2Καὶ σὺ υἱὲ ἀνθρώπου εἰπὸν τῷ ἄρχοντι Τύρου, τάδε λέλει Κύριος, ἀνθʼ οὗ ὑψώθη σου ἡ καρδία, καὶ εἶπας, Θεός εἰμι ἐγὼ, κατοικίαν Θεοῦ, καὶ ἔδωκας τὴν καρδίαν σου ὡς καρδίαν Θεοῦ.
2Mensenkind, ge moet tot den vorst van Tyrus zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Uw hart was hoogmoedig; Ge hebt gemeend: Ik ben een god! Een godenwoning bezit ik Midden in zee! En hoewel ge maar een mens zijt, geen god, Verbeeldt ge u, god te zijn:
3Μὴ σοφώτερος εἶ σὺ τοῦ Δανιήλ; ἢ σοφοὶ οὐκ ἐπαίδευσάν σε τῇ ἐπιστήμῃ αὐτῶν;
3Wijzer dan Daniël te wezen, Zodat geen geheim u verborgen blijft.
4Μὴ ἐν τῇ ἐπιστήμῃ σου ἢ τῇ φρονήσει σου ἐποίησας σεαυτῷ δύναμιν, καὶ χρυσίον καὶ ἀργύριον ἐν τοῖς θησαυροῖς σου;
4Door uw wijsheid en doorzicht Hebt ge u vermogen verworven, En goud en zilver opgehoopt In uw schatkamers.
5Ἐν τῇ πολλῇ ἐπιστήμῃ σου καὶ ἐμπορίᾳ σου ἐπλήθυνας δύναμίν σου, ὑψώθη ἡ καρδία σου ἐν τῇ δυνάμει σου.
5Omdat ge zoveel verstand hadt van handel, Hebt ge uw vermogen vermeerderd, En zijt ge hoogmoedig geworden Op uw rijkdom.
6Διατοῦτο τάδε λέγει Κύριος, ἐπειδὴ δέδωκας τὴν καρδίαν σου ὡς καρδίαν Θεοῦ,
6Daarom spreekt Jahweh, de Heer: Omdat ge u inbeeldt, Een god te zijn:
7ἀντὶ τούτου ἰδοὺ ἐγὼ ἐπάγω ἐπὶ σὲ ἀλλοτρίους λοιμοὺς ἀπὸ ἐθνῶν, καὶ ἐκκενώσουσι τὰς μαχαίρας αὐτῶν ἐπὶ σὲ, καὶ ἐπὶ τὸ κάλλος τῆς ἐπιστήμης σου, καὶ στρώσουσιν τὸ κάλλος σου εἰς ἀπώλειαν,
7Daarom laat Ik vreemden op u los, De meest-barbaarse volken. Die trekken hun zwaarden tegen uw heerlijke wijsheid, En zullen uw luister besmeuren;
8καὶ καταβιβάσουσί σε, καὶ ἀποθανῇ θανάτῳ τραυματιῶν ἐν καρδίᾳ θαλάσσης.
8In de groeve werpen ze u neer, In volle zee zult ge worden verslagen en sterven. Zult ge dan nog roepen: Ik ben god!
9Μὴ λέγων ἐρεῖς, Θεός εἰμι ἐγὼ, ἐνώπιον τῶν ἀναιρούντων σε; σὺ δὲ εἶ ἄνθρωπος, καὶ οὐ Θεός.
9Wanneer ge voor uw beulen staat; Terwijl ge maar een mens blijkt te zijn, geen god, In de handen van uw moordenaars?
10Ἐν πλήθει ἀπεριτμήτων ἀπολῇ ἐν χερσὶν ἀλλοτρίων, ὅτι ἐγὼ ἐλάλησα, λέγει Κύριος.
10De dood der onbesnedenen zult ge sterven Door de handen van vreemden! Waarachtig, Ik heb het gezegd, Is de godsspraak van Jahweh!
11Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
11Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
12υἱὲ ἀνθρώπου, λάβε θρῆνον ἐπὶ τὸν ἄρχοντα Τύρου, καὶ εἰπὸν αὐτῷ, τάδε λέγει Κύριος Κύριος, σὺ ἀποσφράγισμα ὁμοιώσεως,
12Mensenkind, ge moet over den koning van Tyrus een klaaglied aanheffen, en hem zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Gij waart de keur der schepping, Van wijsheid vervuld, van volmaakte schoonheid.
13καὶ στέφανος κάλλους ἐν τῇ τρυφῇ τοῦ παραδείσου τοῦ Θεοῦ ἐγενήθης· πᾶντα λίθον χρηστὸν ἐνδέδεσαι, σάρδιον καὶ τοπάζιον, καὶ σμάραγδον καὶ ἄνθρακα, καὶ σάπφειρον καὶ ἴασπιν, καὶ ἀργύριον καὶ χρυσίον, καὶ λιγύριον καὶ ἀχάτην, καὶ ἀμέθυστον καὶ χρυσόλιθον, καὶ βηρύλλιον καὶ ὀνύχιον, καὶ χρυσίου ἐνέπλήσας τοὺς θησαυρούς σου καὶ τὰς ἀποθήκας σου ἐν σοί.
13Gij bevondt u in Eden, de godentuin; Uw gewaad was met allerlei kostbare stenen bezet. Robijn, topaas, jaspis, chrysoliet, Onyx, jaspis, saffier, karbonkel, In goud gevat en gekast, Werden u opgezet op de dag uwer schepping.
14Ἀφʼ ἧς ἡμέρας ἐκτίσθης σὺ μετὰ τοῦ χερούβ, ἔθηκά σε ἐν ὄρει ἁγίῳ Θεοῦ, ἐγενήθης ἐν μέσῳ λίθων πυρίνων.
14Een cherub met uitgespreide vleugels Had Ik u tot schutse gegeven; Ge waart op de heilige godenberg, En wandelde tussen vurige stenen.
15Ἐγενήθης σὺ ἄμωμος ἐν ταῖς ἡμέραις σου, ἀφʼ ἧς ἡμέρας σὺ ἐκτίσθης ἕως εὑρέθη τὰ ἀδικήματα ἐν σοί.
15Ge waart onberispelijk sinds de dag uwer schepping, Totdat ge op onrecht werdt betrapt,
16Ἀπὸ πλήθους τῆς ἐμπορίας σου ἔπλησας τὰ ταμεῖά σου ἀνομίας, καὶ ἥμαρτες, καὶ ἐτραυματίσθης ἀπὸ ὄρους τοῦ Θεοῦ· καὶ ἤγαγέ σε τὸ χεροὺβ ἐκ μέσου λίθων πυρίνων.
16En door uw uitgebreide handel U aan onrechtvaardige winst hebt bezondigd. Daarom heb Ik u onteerd, Verdreef Ik u van de heilige godenberg; En heeft de beschermende cherub u verjaagd, Uit het midden der vurige stenen.
17Ὑψώθη ἡ καρδία σου ἐπὶ τῷ κάλλει σου, διεφθάρη ἡ ἐπιστήμη σου μετὰ τοῦ κάλλους σου· διὰ πλῆθος ἁμαρτιῶν σου ἐπὶ τὴν γῆν ἔῤῥιψά σε, ἐναντίον βασιλέων ἔδωκά σε παραδειγματισθῆναι.
17Uw hart ging groot op uw pracht, En uw wijsheid hebt ge vergooid om uw luister; Daarom heb Ik u ter aarde geworpen, U voor het gezicht van koningen te kijk gesteld.
18Διὰ τὸ πλῆθος τῶν ἁμαρτιῶν σου καὶ τῶν ἀδικιῶν τῆς ἐμπορίας σου, ἐβεβήλωσα τὰ ἱερά σου, καὶ ἐξάξω πῦρ ἐκ μέσου σου, τοῦτο καταφάγεταί σε· καὶ δώσω σε σποδὸν ἐπὶ τῆς γῆς σου ἐναντίον πάντων τῶν ὁρώντων σε.
18Door uw grote schuld en slechte praktijken Hebt ge uw heiligdommen ontwijd; Daarom riep Ik een vuur uit u op, dat u verteerde, Legde Ik u in as op de aarde, voor de ogen van al die u zagen.
19Καὶ πάντες οἱ ἐπιστάμενοί σε ἐν τοῖς ἔθνεσι στενάξουσιν ἐπὶ σέ· ἀπώλεια ἐγένου, καὶ οὐχ ὑπάρξεις ἔτι εἰς τὸν αἰῶνα.
19En allen, die u kenden onder de volken, Staan stom van ontzetting om u; Een spookbeeld zijt ge geworden, Verdwenen voor eeuwig!
20Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
20Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
21υἱὲ ἀνθρώπου, στήρισον τὸ πρόσωπόν σου ἐπὶ Σιδῶνα, καὶ προφήτευσον ἐπʼ αὐτὴν,
21Mensenkind, ge moet uw gelaat richten naar Sidon; profeteer tegen haar
22καὶ εἰπὸν, Τάδε λέγει Κύριος, ἰδοὺ ἐγὼ ἐπὶ σέ Σιδὼν, καὶ ἐνδοξασθήσομαι ἐν σοί, καὶ γνώσῃ ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος, ἐν τῷ ποιῆσαί με ἐν σοὶ κρίματα, καὶ ἁγιασθήσομαι ἐν σοί.
22en zeg: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Sidon, Ik kom op u af, en zal Mij in uw midden verheerlijken, opdat men erkenne, dat Ik Jahweh ben, als Ik in haar gerichten voltrek, aan haar mijn heiligheid bewijs.
23Αἷμα καὶ θάνατος ἐν ταῖς πλατείαις σου, καὶ πεσοῦνται τετραυματισμέμοι μαχαίραις ἐν σοὶ περικύκλῳ σου, καὶ γνώσονται διότι ἐγώ εἰμι Κύριος.
23Pest stuur Ik op haar af, en bloed op haar straten. Binnen haar midden zullen verslagenen vallen, als het zwaard aan alle kanten tegen haar woedt. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
24Καὶ οὐκ ἔσονται οὐκέτι ἐν τῷ οἴκῳ τοῦ Ἰσραὴλ σκόλοψ πικρίας καὶ ἄκανθα ὀδύνης ἀπὸ τῶν περικύκλῳ αὐτῶν, τῶν ἀτιμασάντων αὐτοὺς, καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος.
24Dan zal er voor het huis van Israël geen pijnlijke prikkel en geen smartelijke doorn meer zijn van de kant van alle omliggende volken, die het verachten. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
25Τάδε λέγει Κύριος Κύριος, καὶ συνάξω τὸν Ἰσραὴλ ἐκ τῶν ἐθνῶν οὗ διεσκορπίσθησαν ἐκεῖ, καὶ ἁγιασθήσομαι ἐν αὐτοῖς, καὶ ἐνώπιον τῶν λαῶν καὶ τῶν ἐθνῶν·
25Dit zegt Jahweh, de Heer: Als Ik het huis van Israël uit de volken, waaronder ze verstrooid zijn, bijeen heb gebracht, dan zal Ik door hen mijn heiligheid bewijzen ten aanschouwen van de volken, en zullen zij zich vestigen op hun eigen grond, die Ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb.
26Καὶ κατοικήσουσι ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν, ἣν δέδωκα τῷ δούλῳ μου Ἰακὼβ, καὶ κατοικήσουσιν ἐπʼ αὐτῆς ἐν ἐλπίδι, καὶ οἰκοδομήσουσιν οἰκίας, καὶ φυτεύσουσιν ἀμπελῶνας, καὶ κατοικήσουσιν ἐν ἐλπίδι, ὅταν ποιήσω κρίμα ἐν πᾶσι τοῖς ἀτιμάσασιν αὐτοὺς ἐν τοῖς κύκλῳ αὐτῶν· καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ Θεὸς αὐτῶν καὶ ὁ Θεὸς τῶν πατέρων αὐτῶν.
26Daar zullen ze veilig wonen en huizen bouwen, wijngaarden planten en zich veilig voelen, als Ik de strafgerichten heb voltrokken aan al hun buren, die hen veracht hebben. Zo zullen zij erkennen, dat Ik, Jahweh, hun Heer ben!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.