Ézékiel
Chapter 36
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ézékiel 36

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et toi, fils de l’homme, prophétise sur les montagnes d’Israël! Tu diras: Montagnes d’Israël, écoutez la parole de l’Éternel!
1Mensenkind, ge moet over de bergen van Israël profeteren en zeggen: Bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh!
2Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Parce que l’ennemi a dit sur vous: Ah! Ah! Ces hauteurs éternelles sont devenues notre propriété!
2Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat de vijand over u heeft uitgeroepen: Haha, voorgoed zijn ze verwoest, ze worden ons bezit;
3Prophétise et dis: Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Oui, parce qu’on a voulu de toutes parts vous dévaster et vous engloutir, Pour que vous soyez la propriété des autres nations, Parce que vous avez été l’objet des discours et des propos des peuples,
3daarom moet ge profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Omdat uw buren u van alle kanten opgejaagd en vertrapt hebben, om u tot bezit te maken van de overige volken, en gij over de tong gaat in de praatjes der mensen:
4Montagnes d’Israël, écoutez la parole du Seigneur, de l’Éternel! Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel, Aux montagnes et aux collines, Aux ruisseaux et aux vallées, Aux ruines désertes et aux villes abandonnées, Qui ont servi de proie et de risée Aux autres nations d’alentour;
4daarom, bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh! Dit zegt Jahweh, de Heer, tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen, de eenzame puinen en verlaten steden, die ten buit en ten spot vielen aan de overige volken om u heen.
5Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Oui, dans le feu de ma jalousie, Je parle contre les autres nations et contre Édom tout entier, Qui se sont donné mon pays en propriété, Avec toute la joie de leur cœur et le mépris de leur âme, Afin d’en piller les produits.
5Waarachtig, zegt Jahweh, de Heer: Ik zal ze! In mijn brandende jaloezie spreek Ik tot heel Edom en tot de overige volken, die met een vrolijk hart en bezield van leedvermaak bezit genomen hebben van mijn land, om het als oorlogsbuit te bezitten.
6C’est pourquoi prophétise sur le pays d’Israël, Dis aux montagnes et aux collines, Aux ruisseaux et aux vallées: Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Voici, je parle dans ma jalousie et dans ma fureur, Parce que vous portez l’ignominie des nations.
6Profeteer daarom over het land van Israël, en roep tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Daar ben Ik! Ik spreek in mijn jaloezie en mijn toorn! Omdat gij de spot der volken moest verduren,
7C’est pourquoi ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Je lève ma main! Ce sont les nations qui vous entourent Qui porteront elles-mêmes leur ignominie.
7daarom zegt Jahweh, de Heer: Nu steek Ik mijn hand op! Waarachtig! de volken, die u omringen, zullen hun schande moeten dragen!
8Et vous, montagnes d’Israël, vous pousserez vos rameaux, Et vous porterez vos fruits pour mon peuple d’Israël; Car ces choses sont près d’arriver.
8Maar gij, bergen van Israël, gij zult wortel schieten en vruchten dragen voor mijn volk Israël; want spoedig zullen zij komen.
9Voici, je vous serai favorable, Je me tournerai vers vous, Et vous serez cultivées et ensemencées.
9Zie, Ik nader tot u, en ga voor u staan: ge zult weer bewerkt worden en vruchtbaar zijn.
10Je mettrai sur vous des hommes en grand nombre, La maison d’Israël tout entière; Les villes seront habitées, Et l’on rebâtira sur les ruines.
10Ik geef u een dichte bevolking: het hele huis van Israël tezamen. Dan zullen de steden bewoond, de ruïnen weer opgebouwd worden.
11Je multiplierai sur vous les hommes et les animaux; Ils multiplieront et seront féconds; Je veux que vous soyez habitées comme auparavant, Et je vous ferai plus de bien qu’autrefois; Et vous saurez que je suis l’Éternel.
11Talrijk maak Ik op u mens en dier: zij zullen zich uitbreiden en zich vermenigvuldigen; uw bevolking maak Ik weer dicht als vroeger, uw vruchtbaarheid rijker dan voorheen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
12Je ferai marcher sur vous des hommes, mon peuple d’Israël, Et ils te posséderont; Tu seras leur héritage, Et tu ne les détruiras plus.
12Ik ga weer mensen op u vestigen, Israël mijn volk: die zullen u bezitten en beërven; nooit meer zult gij ze kinderloos maken.
13Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Parce qu’on vous dit: Tu as dévoré des hommes, Tu as détruit ta propre nation,
13Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat men u verwijt: Gij hebt mensen verslonden, en uw bevolking kinderloos gemaakt,
14A cause de cela tu ne dévoreras plus d’hommes, Tu ne détruiras plus ta nation, Dit le Seigneur, l’Éternel.
14daarom zegt Jahweh, zult ge in het vervolg geen mensen meer verslinden of uw bevolking kinderloos maken.
15Je ne te ferai plus entendre les outrages des nations, Et tu ne porteras plus l’opprobre des peuples; Tu ne détruiras plus ta nation, Dit le Seigneur, l’Éternel.
15Dan blijft u de spot der volken bespaard, en hoeft ge de smaad der naties niet meer te verduren, daar ge ophoudt uw volk kinderloos te maken, zegt Jahweh, de Heer!
16La parole de l’Éternel me fut adressée, en ces mots:
16Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
17Fils de l’homme, ceux de la maison d’Israël, quand ils habitaient leur pays, l’ont souillé par leur conduite et par leurs œuvres; leur conduite a été devant moi comme la souillure d’une femme pendant son impureté.
17Mensenkind, toen het huis van Israël in zijn eigen land woonde, hebben ze door hun handel en wandel het verontreinigd; in mijn ogen was hun gedrag onrein als een maandvloeiing.
18Alors j’ai répandu ma fureur sur eux, à cause du sang qu’ils avaient versé dans le pays, et des idoles dont ils l’avaient souillé.
18Toen stortte Ik mijn toorn over hen uit, om het bloed dat ze in het land vergoten, en de nietswaardige goden waarmede ze het hebben bezoedeld.
19Je les ai dispersés parmi les nations, et ils ont été répandus en divers pays; je les ai jugés selon leur conduite et selon leurs œuvres.
19Daarom heb Ik ze uiteengejaagd onder de volken, heb Ik ze over de landen verspreid, ze naar hun handel en wandel geoordeeld.
20Ils sont arrivés chez les nations où ils allaient, et ils ont profané mon saint nom, en sorte qu’on disait d’eux: C’est le peuple de l’Éternel, c’est de son pays qu’ils sont sortis.
20Maar toen ze onder de volken gekomen waren, hebben zij mijn heilige Naam ontwijd; want men zeide van hen: Dat is nu het volk van Jahweh; en tòch moesten ze zijn land verlaten!
21Et j’ai voulu sauver l’honneur de mon saint nom, que profanait la maison d’Israël parmi les nations où elle est allée.
21Dat ging Mij aan het hart, omwille van mijn heilige Naam, die door het huis van Israël ontwijd werd bij de volken, waar ze gekomen waren.
22C’est pourquoi dis à la maison d’Israël: Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Ce n’est pas à cause de vous que j’agis de la sorte, maison d’Israël; c’est à cause de mon saint nom, que vous avez profané parmi les nations où vous êtes allés.
22Zeg derhalve tot het huis van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik doe het niet om uwentwil, huis van Israël, maar om wille van mijn heilige Naam, die ge ontwijd hebt bij de volken, waar ge gekomen zijt.
23Je sanctifierai mon grand nom, qui a été profané parmi les nations, que vous avez profané au milieu d’elles. Et les nations sauront que je suis l’Éternel, dit le Seigneur, l’Éternel, quand je serai sanctifié par vous sous leurs yeux.
23Want heiligen zal Ik mijn grote Naam, die nu ontwijd is onder de volken, en die gij onder hen hebt ontwijd. Dan zullen de volken erkennen, dat Ik Jahweh ben, zegt Jahweh de Heer, als Ik in hun bijzijn door u mijn heiligheid bewijs.
24Je vous retirerai d’entre les nations, je vous rassemblerai de tous les pays, et je vous ramènerai dans votre pays.
24Daarom zal Ik u uit de volken weghalen, u uit de landen bijeenroepen, u brengen naar uw eigen land.
25Je répandrai sur vous une eau pure, et vous serez purifiés; je vous purifierai de toutes vos souillures et de toutes vos idoles.
25Dan zal Ik u besprenkelen met zuiver water; dan zult ge gereinigd worden van al uw vlekken, en van al uw nietswaardige goden zal Ik u ontdoen.
26Je vous donnerai un cœur nouveau, et je mettrai en vous un esprit nouveau; j’ôterai de votre corps le cœur de pierre, et je vous donnerai un cœur de chair.
26Dan geef Ik u een nieuw hart en stort een nieuwe geest in uw binnenste, verwijder het stenen hart uit uw lichaam, en geef u een hart van vlees.
27Je mettrai mon esprit en vous, et je ferai en sorte que vous suiviez mes ordonnances, et que vous observiez et pratiquiez mes lois.
27Mijn geest zal Ik in uw binnenste uitstorten, en maken, dat ge naar mijn wetten leeft, en mijn geboden nauwkeurig onderhoudt.
28Vous habiterez le pays que j’ai donné à vos pères; vous serez mon peuple, et je serai votre Dieu.
28Dan zult ge wonen in het land, dat Ik aan uw vaderen heb gegeven; dan zult ge Mij tot volk, en Ik zal een God voor u zijn.
29Je vous délivrerai de toutes vos souillures. J’appellerai le blé, et je le multiplierai; je ne vous enverrai plus la famine.
29Zo zal Ik u bevrijden van al uw smetten. Ik zal het graan te voorschijn roepen en het overvloedig doen groeien, in plaats van u te teisteren met hongersnood.
30Je multiplierai le fruit des arbres et le produit des champs, afin que vous n’ayez plus l’opprobre de la famine parmi les nations.
30Ook zal Ik de vruchtbaarheid der bomen en de opbrengst van het veld vergroten, opdat ge de schande van honger te lijden niet meer hoeft te verduren onder de volken.
31Alors vous vous souviendrez de votre conduite qui était mauvaise, et de vos actions qui n’étaient pas bonnes; vous vous prendrez vous-mêmes en dégoût, à cause de vos iniquités et de vos abominations.
31Als ge dan terugziet op uw slecht gedrag en op uw onbehoorlijke daden, dan zal de schaamte op uw gelaat te lezen staan over uw afdwalingen en uw gruwelen.
32Ce n’est pas à cause de vous que j’agis de la sorte, dit le Seigneur, l’Éternel, sachez-le! Ayez honte et rougissez de votre conduite, maison d’Israël!
32Weet wèl, dat Ik het niet om uwentwil doe, zegt Jahweh de Heer! Schaam u derhalve, en bloos over uw gedrag, huis van Israël!
33Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Le jour où je vous purifierai de toutes vos iniquités, je peuplerai les villes, et les ruines seront relevées;
33Dit zegt Jahweh, de Heer: Als Ik u gezuiverd heb van al uw smetten, en uw steden bevolkt heb; als de ruïnen herbouwd zijn,
34la terre dévastée sera cultivée, tandis qu’elle était déserte aux yeux de tous les passants;
34en het land weer bewerkt wordt, in plaats dat het woest ligt ten aanschouwen van een ieder, die voorbijgaat;
35et l’on dira: Cette terre dévastée est devenue comme un jardin d’Éden; et ces villes ruinées, désertes et abattues, sont fortifiées et habitées.
35dan zal men uitroepen: Dit woeste land is in een tuin van Eden veranderd; en die steden, die verwoest waren en in puin lagen, zijn nu versterkt en bewoond!
36Et les nations qui resteront autour de vous sauront que moi, l’Éternel, j’ai rebâti ce qui était abattu, et planté ce qui était dévasté. Moi, l’Éternel, j’ai parlé, et j’agirai.
36Zo zullen de volken, die in uw omtrek overblijven, erkennen, dat Ik, Jahweh, die puinhopen herbouwd en het woeste land weer beplant heb. Ik, Jahweh, heb het gezegd, en Ik zal het doen!
37Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Voici encore sur quoi je me laisserai fléchir par la maison d’Israël, voici ce que je ferai pour eux; je multiplierai les hommes comme un troupeau.
37Dit zegt Jahweh, de Heer: Ook tot deze gunst zal Ik Mij door het huis van Israël laten verbidden: Ik zal het zo talrijk maken, dat de mensen op kudden gelijken;
38Les villes en ruines seront remplies de troupeaux d’hommes, pareils aux troupeaux consacrés, aux troupeaux qu’on amène à Jérusalem pendant ses fêtes solennelles. Et ils sauront que je suis l’Éternel.
38als offerdieren, als schapen op Jerusalems feesten, zó talrijk zullen de ontvolkte steden met kudden van mensen worden bewoond. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.