Ézékiel
Chapter 7
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ézékiel 7

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1La parole de l’Éternel me fut adressée, en ces mots:
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
2Et toi, fils de l’homme, ainsi parle le Seigneur, l’Éternel, Sur le pays d’Israël: Voici la fin! La fin vient sur les quatre extrémités du pays!
2Mensenkind, ge moet zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer, tot Israëls grond! Het einde komt, nabij is het einde voor de vier hoeken van het land.
3Maintenant la fin vient sur toi; J’enverrai ma colère contre toi, Je te jugerai selon tes voies, Je te chargerai de toutes tes abominations.
3Nu is voor u het einde nabij; want Ik ga mijn woede op u koelen; u vonnissen naar uw gedrag, al uw gruwelen u vergelden.
4Mon œil sera pour toi sans pitié, Et je n’aurai point de miséricorde; Mais je te chargerai de tes voies, Et tes abominations seront au milieu de toi; Et vous saurez que je suis l’Éternel.
4Zonder mededogen of erbarming zal Ik uw gedrag vergelden, en uw gruwelen zullen op u drukken; zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
5Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Un malheur, un malheur unique! Voici, il vient!
5Zo spreekt Jahweh, de Heer: Voorwaar, de éne ramp komt na de andere!
6La fin vient, la fin vient, elle se réveille contre toi! Voici, elle vient!
6Het einde komt, het einde is nabij; waarachtig, het einde komt over u!
7Ton tour arrive, habitant du pays! Le temps vient, le jour approche, jour de trouble, Et plus de cris de joie dans les montagnes!
7Het noodlot komt over u, die in het land woont; de tijd is gekomen, de dag is nabij: de dag van krijgsrumoer en niet van vreugderoep op de bergen.
8Maintenant je vais bientôt répandre ma fureur sur toi, Assouvir sur toi ma colère; Je te jugerai selon tes voies, Je te chargerai de toutes tes abominations.
8Nu zal het niet lang meer duren, of Ik ga mijn woede op u koelen, mijn toorn aan u stillen; want naar uw gedrag zal Ik u vonnissen, en al uw gruwelen u vergelden.
9Mon œil sera sans pitié, Et je n’aurai point de miséricorde; Je te chargerai de tes voies, Et tes abominations seront au milieu de toi. Et vous saurez que je suis l’Éternel, celui qui frappe.
9Zonder mededogen of erbarming zal Ik uw gedrag vergelden en uw gruwelen zullen op u drukken; zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
10Voici le jour! Voici, il vient! Le tour arrive! La verge fleurit! L’orgueil s’épanouit!
10Daar komt de dag, daar nadert hij; het noodlot is nabij! De schepter heeft bloesem geschoten, de hoogmoed draagt vrucht,
11La violence s’élève, pour servir de verge à la méchanceté: Plus rien d’eux, de leur foule bruyante, de leur multitude! On ne se lamente pas sur eux!
11de tyrannie is gegroeid tot een stam van bederf; maar het is uit met hen, gedaan met hun drukte, gedaan met hun rijkdom, gedaan met hun roem!
12Le temps vient, le jour approche! Que l’acheteur ne se réjouisse pas, Que le vendeur ne s’afflige pas! Car la colère éclate contre toute leur multitude.
12De tijd is daar, nabij is de dag! Laat de koper niet juichen, de verkoper niet treuren; want mijn toorn ontbrandt over al hun drukte.
13Non, le vendeur ne recouvrera pas ce qu’il a vendu, Fût-il encore parmi les vivants; Car la prophétie contre toute leur multitude ne sera pas révoquée, Et à cause de son iniquité nul ne conservera sa vie.
13De verkoper krijgt toch zijn waren niet terug, al leeft hij nog zo lang; want mijn toorn ontbrandt over al hun drukte. En ook de koper zal zijn bezit niet behouden: iedereen zal om zijn schuld verkwijnen en de moed verliezen.
14On sonne de la trompette, tout est prêt, Mais personne ne marche au combat; Car ma fureur éclate contre toute leur multitude.
14Blaast maar op de trompet, en maakt alles gereed! Er is toch immers niemand, die ten strijde trekt; want mijn toorn ontbrandt over al hun drukte.
15L’épée au dehors, la peste et la famine au-dedans! Celui qui est aux champs mourra par l’épée, Celui qui est dans la ville sera dévoré par la famine et par la peste.
15Het zwaard woedt buiten de stad, de pest en honger daarbinnen; wie op het veld is, wordt neergesabeld, en wie zich in de stad bevindt, komt om van honger en pest.
16Leurs fuyards s’échappent, Ils sont sur les montagnes, comme les colombes des vallées, Tous gémissant, Chacun sur son iniquité.
16En als er van hen ontsnappen en naar de bergen vluchten als kirrende duiven, dan zal de dood hen allen om hun schuld achterhalen.
17Toutes les mains sont affaiblies, Tous les genoux se fondent en eau.
17Alle handen worden verlamd, slap staan alle knieën.
18Ils se ceignent de sacs, Et la terreur les enveloppe; Tous les visages sont confus, Toutes les têtes sont rasées.
18Ze slaan het treurgewaad om, en de angst bedekt ze; de schaamte staat op hun gelaat te lezen, alle hoofden zijn kaal.
19Ils jetteront leur argent dans les rues, Et leur or sera pour eux un objet d’horreur; Leur argent et leur or ne pourront les sauver, Au jour de la fureur de l’Éternel; Ils ne pourront ni rassasier leur âme, Ni remplir leurs entrailles; Car c’est ce qui les a fait tomber dans leur iniquité.
19Hun zilver smijten ze weg op straat, hun goud geldt voor drek, want hun zilver en goud kunnen hen toch niet redden op de dag van Jahweh’s toorn; hun honger kunnen ze er niet mee stillen, hun buik er niet mee vullen; het was de oorzaak van hun zonde!
20Ils étaient fiers de leur magnifique parure, Et ils en ont fabriqué les images de leurs abominations, de leurs idoles. C’est pourquoi je la rendrai pour eux un objet d’horreur;
20Hun sieraden hebben ze in een opperwezen veranderd, en er hun gruwelijke beelden, hun schandgoden uit vervaardigd; daarom maak Ik ze drek voor hen,
21Je la donnerai en pillage aux mains des étrangers, Et comme butin aux impies de la terre, Afin qu’ils la profanent.
21geef Ik ze aan de vijanden prijs, laat Ik ze als buit voor de goddelozen der aarde.
22Je détournerai d’eux ma face, Et l’on souillera mon sanctuaire; Des furieux y pénétreront, et le profaneront.
22En als Ik mijn gelaat van hen afwend, zal men mijn heerlijkheid ontwijden: rovers zullen er heiligschennend binnendringen,
23Prépare les chaînes! Car le pays est rempli de meurtres, La ville est pleine de violence.
23en de afsluiting stuk slaan; want het land is vol van bloedschuld, de stad loopt over van geweld!
24Je ferai venir les plus méchants des peuples, Pour qu’ils s’emparent de leurs maisons; Je mettrai fin à l’orgueil des puissants, Et leurs sanctuaires seront profanés.
24Daarom ga Ik de ruwste volken ontbieden, om hun huizen te bezetten, maak Ik een einde aan hun trotse pracht, en worden hun heiligdommen ontwijd.
25La ruine vient! Ils cherchent le salut, et point de salut!
25Het onheil komt: ze hunkeren naar redding, maar tevergeefs!
26Il arrive malheur sur malheur, Un bruit succède à un bruit; Ils demandent des visions aux prophètes; Les sacrificateurs ne connaissent plus la loi, Les anciens n’ont plus de conseils.
26De ene ramp komt na de andere, de ene mare haalt de vorige in! Ze vragen den profeet vergeefs om een godsspraak, den priester om bescheid, den oudsten om raad.
27Le roi se désole, le prince s’épouvante, Les mains du peuple du pays sont tremblantes. Je les traiterai selon leurs voies, Je les jugerai comme ils le méritent, Et ils sauront que je suis l’Éternel.
27De koning treurt, de vorst is bevangen van schrik, de handen van het volk zijn verlamd. Naar hun gedrag zal Ik hen behandelen en naar hun daden hen vonnissen; zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.