エゼキエル書 11
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1さらに、霊は私を持ち上げ、東向きの主の宮の東門へ連れて行った。見よ、門の入口に二十五人の男がいた。その中に、アズルの子ヤアザヌヤとベナヤの子ペラテヤがいるのを見た。彼らは民の首長たちであった。
1Daarna nam een geest mij op, om me te brengen naar de oostelijke poort van Jahweh’s huis, die op het oosten ligt; en toen ik aan de ingang van de poort vijf en twintig mannen zag staan, waaronder zich de volksleiders Jaäzanja, de zoon van Azzoer, en Pelatjáhoe de zoon van Benajáhoe bevonden, sprak Hij tot mij:
2その方は私に言われた。「人の子よ、この者たちは、この町で不義を企み、邪悪な助言を与えている者たちである。
2Mensenkind, dat zijn nu de mannen, die in deze stad kwaad beramen en slechte raad geven,
3彼らは言っている。『家を建てる時はまだ近くない。この町は大釜で、われわれはその肉だ。』
3omdat ze denken: “Zijn de huizen niet pas herbouwd? Zij is de pot, en wij zijn het vlees!”
4それゆえ、彼らに向かって預言せよ。人の子よ、預言せよ。」
4Daarom moet ge tegen hen profeteren. Profeteer, mensenkind!
5そのとき、主の霊が私の上に降り、私に言った。「語れ。『主はこう言われる。「イスラエルの家よ、あなたがたはそのように言った。わたしはあなたがたの心に浮かぶことを知っている。
5Toen viel op mij de geest van Jahweh, en Hij beval mij: Spreek! Dit zegt Jahweh: Zeker, zo denkt ge, huis van Israël; want Ik weet heel goed, wat in uw hoofden omgaat.
6あなたがたはこの町で殺された者を増やし、その通りを死体で満たした。」
6Maar omdat ge in deze stad talrijke slachtoffers gemaakt hebt, en haar straten met lijken hebt bedekt,
7それゆえ、主なる神はこう言われる。「あなたがたが町の中に横たえた死者こそ肉であり、この町は大釜である。しかし、あなたがたはその中から連れ出される。
7daarom zegt Jahweh, de Heer: De slachtoffers, die ge binnen haar muren gemaakt hebt, die zijn het vlees en zij is de pot, maar ú haal Ik eruit.
8あなたがたは剣を恐れた。わたしはあなたがたの上に剣をもたらす」と主なる神は言われる。
8Gij vreest het zwaard? Daarom zal Ik met een zwaard op u afkomen, spreekt Jahweh, de Heer.
9「わたしはあなたがたを町の中から連れ出し、異国人の手に渡し、あなたがたの間で裁きを執行する。
9Ik haal u uit de stad vandaan, lever u over aan de vreemden, en voltrek aan u het strafgericht;
10あなたがたは剣に倒れる。わたしはイスラエルの国境であなたがたを裁く。そのとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。
10door het zwaard zult ge vallen, en op de grond van Israël zal Ik u vonnissen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben.
11この町はあなたがたの大釜とはならず、あなたがたもその中の肉とはならない。わたしはイスラエルの国境であなたがたを裁く。
11Neen, voor u is zij geen pot, gij zijt niet het vlees daarin; want op de grond van Israël zal Ik u vonnissen.
12そのとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。あなたがたはわたしの掟に従って歩まず、わたしの定めを行わず、周囲の諸国の定めに従って行ったからである。」』」
12Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben, wiens wetten ge niet opgevolgd en wiens geboden ge niet onderhouden hebt, om naar de zeden van de volken om u heen te leven!
13私が預言していると、ベナヤの子ペラテヤが死んだ。そこで私はひれ伏し、大声で叫んだ。「ああ、主なる神よ。イスラエルの残りの者を完全に滅ぼされるのですか。」
13Terwijl ik zo profeteerde, stortte Pelatjáhoe, de zoon van Benaja, dood neer; waarop ik plat ter aarde viel, het luid uitsnikte en riep: Ach Jahweh, mijn Heer, gaat Gij dan de rest van Israël vernielen?
14主の言葉が私に臨んだ。
14Maar het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
15「人の子よ、あなたの兄弟たち、まさにあなたの親族である兄弟たちと、イスラエルの全家は、エルサレムの住民から、『主から遠く離れていろ。この地はわれわれの所有として与えられた』と言われた者たちである。
15Mensenkind, uw broeders, uw ware broeders, zijn uw medeballingen; zij vormen heel het huis van Israël, van wie de inwoners van Jerusalem denken: Ze zijn ver van Jahweh; òns is het land in bezit gegeven!
16それゆえ、こう言え。『主なる神はこう言われる。「わたしは彼らを諸国の間に遠く移し、国々の中に散らしたが、彼らが移された国々で、しばらくの間、彼らの聖所となる。」』
16Daarom moet ge zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Juist omdat Ik ze verwijderd heb onder de volken, en ze verstrooid heb over de landen, zodat Ik maar een nietig heiligdom voor hen beteken in de landen waar ze kwamen,
17それゆえ、こう言え。『主なる神はこう言われる。「わたしはあなたがたを諸民族の中から集め、散らされた国々から呼び集め、イスラエルの地をあなたがたに与える。」
17daarom moet ge zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik zal u verzamelen uit de volken, u samenbrengen uit de landen waar gij verstrooid zijt, en zal u het land Israël geven.
18「彼らはそこへ行き、その地からすべての忌まわしいものと、すべての忌むべきものを取り除く。
18Ze zullen daar terugkeren, en al zijn gruwelen en zijn schandgoden daaruit verwijderen.
19わたしは彼らに一つの心を与え、彼らのうちに新しい霊を置く。彼らの肉体から石の心を取り除き、肉の心を与える。
19Dan zal Ik hun een nieuw hart schenken, een nieuwe geest in hun binnenste leggen, het stenen hart uit hun lichaam nemen en hun een hart van vlees geven,
20こうして彼らはわたしの掟に従って歩み、わたしの定めを守り、それを行う。彼らはわたしの民となり、わたしは彼らの神となる。
20opdat zij mijn wetten mogen opvolgen en mijn geboden nauwkeurig onderhouden. Zo zullen zij mijn volk, en zal Ik hun God zijn.
21しかし、忌まわしいものと忌むべきものを心から慕って歩む者たちには、その行いを彼ら自身の頭に報いる」と主なる神は言われる。』」
21Maar zij daar, wier hart aan hun gruwelen en hun schandgoden gehecht is: hun gedrag zal Ik op hun eigen hoofd doen komen, zegt Jahweh, de Heer.
22そのとき、ケルビムは翼を上げ、輪もそのそばにあった。イスラエルの神の栄光は、彼らの上にあった。
22Toen sloegen de cherubs hun vleugelen uit, en stegen van de grond omhoog gelijktijdig met de wielen, terwijl de heerlijkheid van Israëls God boven op hen stond.
23主の栄光は町の中から上って行き、町の東側にある山の上に立った。
23Zo trok de heerlijkheid van Jahweh weg uit de stad, en ging op de berg staan, die oostelijk van de stad is gelegen.
24霊は私を持ち上げ、神の霊による幻のうちに、カルデアへ、捕囚の民のもとへ連れて行った。 こうして、私が見た幻は私から上って行った。
24Mij echter hief een geest omhoog, en bracht mij in goddelijke visioenen naar de bannelingen in Chaldea, waar het visioen, dat ik aanschouwd had, verdween.
25そこで私は、主が私に示されたすべてのことを捕囚の民に語った。
25Daar verkondigde ik aan de ballingen alles wat Jahweh mij had laten zien.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.