出エジプト記 16
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1彼らはエリムを旅立った。イスラエルの子らの全会衆は、エジプトの地を出て第二の月の十五日に、エリムとシナイの間にあるシンの荒野へ来た。
1Nadat heel de gemeenschap van Israël van Elim was opgebroken, trokken zij naar de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt; het was op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit Egypte.
2イスラエルの子らの全会衆は、荒野でモーセとアロンにつぶやいた。
2Weer begon heel de gemeente van Israël in de woestijn tegen Moses en Aäron te morren,
3イスラエルの子らは二人に言った。「エジプトの地で肉の鍋の傍らに座り、パンを腹いっぱい食べていた時、主の手にかかって死んでいた方がよかった。あなたがたは、この全会衆を飢え死にさせるため、私たちを荒野へ連れ出した。」
3en de kinderen Israëls zeiden tot hen: Waren we maar in Egypte door de hand van Jahweh gestorven, toen we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten; waarachtig, ge hebt ons naar deze woestijn gebracht, om heel deze menigte van honger te doen sterven.
4主はモーセに言われた。「見よ、わたしはあなたがたのために天からパンを降らせる。民は出て行き、一日分を毎日集める。こうして、彼らがわたしの教えに従って歩むかどうかを試す。
4Toen sprak Jahweh tot Moses: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel doen regenen; en het volk zal iedere dag zijn dagelijks deel kunnen rapen. Maar Ik stel het tegelijk op de proef of het mijn Wet wil beleven of niet:
5六日目には、彼らが持ち帰ったものを用意すると、それは毎日集める分の二倍となる。」
5Op de zesde dag moeten ze het dubbele meebrengen en toebereiden, van wat zij iedere dag rapen.
6モーセとアロンはイスラエルのすべての子らに言った。「夕方になると、あなたがたはエジプトの地からあなたがたを導き出されたのが主であることを知る。
6Nu spraken Moses en Aäron tot al de Israëlieten: Hedenavond zult ge weten, dat Jahweh u uit Egypte heeft geleid,
7朝には主の栄光を見る。主は、あなたがたが主に向かってつぶやくのを聞かれた。私たちは何者なのか。あなたがたは私たちに向かってつぶやいているのではない。」
7en morgen zult ge de glorie van Jahweh aanschouwen, ofschoon Jahweh het gemor tegen Hem heeft gehoord. Want wat betekenen wij, dat gij zoudt morren tegen ons.
8モーセは言った。「主は夕方には肉を、朝には満ち足りるほどのパンを与えられる。主は、あなたがたが主に向かってつぶやくのを聞かれた。私たちは何者なのか。あなたがたのつぶやきは、私たちではなく主に向けられている。」
8En Moses vervolgde: Als Jahweh u vanavond vlees te eten geeft, en morgenvroeg volop brood, dan is het ondanks uw gemor tegen Jahweh, dat Hij heeft gehoord! Want wat betekenen wij? Niet tegen ons is uw morren maar tegen Jahweh.
9モーセはアロンに言った。「イスラエルの子らの全会衆に告げなさい。『主の前に近づきなさい。主はあなたがたのつぶやきを聞かれた。』」
9En Moses zeide tot Aäron: Beveel heel de gemeenschap van Israël: Treedt voor het aanschijn van Jahweh; want Hij heeft uw morren gehoord.
10アロンがイスラエルの子らの全会衆に語っていると、彼らは荒野の方を見た。すると、主の栄光が雲の中に現れた。
10Toen Aäron dit bevel had overgebracht, keerde heel de gemeenschap van Israël zich in de richting van de woestijn; en zie, daar verscheen in de wolk de glorie van Jahweh!
11主はモーセに言われた。
11En Jahweh sprak tot Moses:
12「わたしはイスラエルの子らのつぶやきを聞いた。彼らに告げなさい。『夕方には肉を食べ、朝にはパンで満ち足りる。こうして、わたしがあなたがたの神、主であることを知る。』」
12Ik heb het morren van Israëls kinderen gehoord. Zeg hun nu: Bij het vallen van de avond zult ge vlees kunnen eten, en morgenvroeg volop brood; dan zult ge weten, dat Ik, Jahweh, uw God ben!
13夕方になると、うずらが飛んで来て陣営を覆った。朝になると、陣営の周囲に露が降りていた。
13En tegen de avond kwamen er kwartels aangevlogen, die de legerplaats bedekten. Des morgens viel er dauw rondom de legerplaats;
14降りていた露が上がると、見よ、荒野の面に、地の上の霜のような、小さく丸いものがあった。
14toen de dauw, die gevallen was, optrok, lag daar over de bodem van de woestijn een dunne korrelige laag, fijn als rijp.
15イスラエルの子らはそれを見て、互いに「これは何だ」と言った。何であるか分からなかったのである。モーセは言った。「これは主が食物として与えられたパンである。
15Toen de Israëlieten het zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is dat? Want ze wisten niet, wat het was. Maar Moses sprak: Dit is het brood, dat Jahweh u te eten geeft.
16主が命じられたことはこうである。『各人は食べる分だけ、一人につき一オメルずつ、自分の天幕にいる人数に応じて集めなさい。』」
16En nu beveelt Jahweh: Laat iedereen ervan rapen, wat hij nodig heeft; een ómer per hoofd moet ge halen, naar het aantal personen, dat in uw tent woont.
17イスラエルの子らはそのようにした。ある者は多く、ある者は少なく集めた。
17De Israëlieten deden dat. De een raapte meer, de ander minder.
18彼らがオメルで量ると、多く集めた者も余らず、少なく集めた者も不足しなかった。各人は食べる分だけ集めた。
18Maar toen ze het met de ómer maten, had hij, die meer had geraapt, niet te veel, en hij, die minder had geraapt, niet te weinig: iedereen had geraapt, wat hij nodig had.
19モーセは彼らに言った。「だれも朝までそれを残してはならない。」
19En Moses beval hun: Niemand mag er iets van tot morgen bewaren.
20しかし彼らはモーセに聞き従わなかった。ある者たちが朝までそれを残しておくと、虫がわき、臭くなった。モーセは彼らに怒った。
20Maar toen sommigen niet naar Moses luisterden, en er van tot de volgende morgen bewaarden, was het bedorven; er zaten wormen in, en het stonk. Daarom werd Moses vertoornd op hen.
21彼らは毎朝、各人が食べる分だけを集めた。日が熱くなると、それは溶けた。
21Zo raapten zij iedere morgen bijeen, wat iedereen nodig had; want als de zon warm werd, smolt het weg.
22六日目になると、彼らは二倍のパン、すなわち一人につき二オメルずつ集めた。会衆の長は皆来て、モーセに告げた。
22Maar op de zesde dag raapten zij een dubbele hoeveelheid bijeen, twee ómer per man. En toen alle leiders der gemeenschap het aan Moses kwamen vertellen,
23モーセは言った。「主が語られたのはこうである。『明日は完全な休み、主への聖なる安息日である。焼くものは焼き、煮るものは煮なさい。残ったものはすべて朝まで取っておく。』」
23gaf deze ten antwoord: Dit is het juist, wat Jahweh gezegd heeft: Morgen is het een rustdag, een heilige sabbat voor Jahweh! Ge moogt nu bakken zoveel ge wilt, en koken zoveel ge wilt: en wat er overschiet, bewaart dat tot morgen.
24彼らはモーセが命じた通り、朝までそれを取っておいたが、臭くもならず、虫もわかなかった。
24Zij bewaarden het dus tot de volgende dag, zoals Moses hun had bevolen; maar nu stonk het niet en was het niet bedorven.
25モーセは言った。「今日はそれを食べなさい。今日は主への安息である。今日、野でそれを見つけることはないであろう。
25En Moses sprak: Hier moet ge heden van eten; want vandaag is het sabbat ter ere van Jahweh; vandaag zult ge dus buiten niets vinden.
26六日間は集める。しかし七日目は安息日なので、その日には何もない。」
26Zes dagen kunt ge inzameling houden, maar op de zevende dag is het sabbat, dan is er niets.
27七日目になると、民のうちのある者たちが集めに出て行ったが、何も見つからなかった。
27Toen dan ook op de zevende dag sommigen van het volk toch naar buiten gingen, om het te rapen, vonden zij niets.
28主はモーセに言われた。「あなたがたはいつまで、わたしの戒めとわたしの律法を守ることを拒むのか。
28En Jahweh sprak tot Moses: Hoelang weigert ge nog mijn geboden en mijn wetten te onderhouden?
29主が安息日を与えられたので、六日目には二日分のパンを与えられる。七日目はそれぞれ自分の場所にとどまり、そこから出てはならない。」
29Ziet, omdat Jahweh voor u de sabbat heeft vastgesteld, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Op de zevende dag blijve dus iedereen thuis, en mag niemand zijn woonplaats verlaten.
30こうして民は七日目に休んだ。
30Zo hield het volk op de zevende dag sabbat.
31イスラエルの家はそれをマナと名づけた。それは白いコリアンダーの種のようで、味は蜂蜜を入れた薄焼き菓子のようであった。
31En de kinderen Israëls noemden het manna; het was wit als korianderzaad en het smaakte als honingkoek.
32モーセは言った。「主が命じられたのはこうである。『一オメル分を代々にわたって保存しなさい。後の世代が、わたしがあなたがたをエジプトから導き出した時、荒野で食べさせたパンを見るためである。』」
32En Moses sprak: Zo heeft Jahweh bevolen! Vult één ómer daarmee, om het voor uw nageslacht te bewaren, opdat zij het brood mogen zien. dat Ik u in de woestijn tot spijs heb gegeven, toen Ik u uit het land van Egypte had geleid.
33モーセはアロンに言った。「壺を取り、その中に一オメル分のマナを入れ、それを主の前に置いて、あなたがたの代々にわたり保管しなさい。」
33Daarom sprak Moses tot Aäron: Neem een kruik, doe daar een volle ómer manna in, en zet die voor het aanschijn van Jahweh, om het voor uw nageslacht te bewaren.
34主がモーセに命じられた通り、アロンはそれを保管のためにあかしの前に置いた。
34Aäron vulde dus een kruik met een volle ómer manna, zoals Jahweh Moses bevolen had, en zette die ter bewaring voor de ark des Verbonds neer.
35イスラエルの子らは、人が住む地に着くまで、四十年間マナを食べた。彼らはカナンの地の境に着くまでマナを食べた。
35Veertig jaren lang bleven de kinderen Israëls het manna eten, tot zij in bewoonde streken kwamen; zij aten het manna tot ze de grenzen van het land Kanaän hadden bereikt.
36オメルはエファの十分の一である。
36De ómer is het tiende van een efa.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.