出エジプト記 12
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主はエジプトの地でモーセとアロンに言われた。
1Toen sprak Jahweh tot Moses en Aäron in Egypte:
2「この月を、あなたがたの月々の始まりとしなさい。あなたがたにとって一年の第一の月とする。
2Deze maand zal voor u de beginmaand zijn, de eerste der maanden van het jaar.
3イスラエルの全会衆に告げなさい。『この月の十日に、各人は父祖の家ごとに一匹の小羊を取り、一家族に一匹とする。
3Beveelt heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende van deze maand moet ieder voor zijn familie een lam nemen, één voor elk gezin.
4一家族が一匹を食べきれないほど少人数なら、隣家と人数に応じて分けなさい。小羊は、それぞれが食べる量を考えて割り当てる。
4Indien het gezin voor een lam niet talrijk genoeg is, moet hij er zijn naasten buurman bij uitnodigen; ge moet betreffende het lam het aantal personen berekenen naar wat ieder gewoon is te eten.
5小羊は傷のない一歳の雄とし、羊か山羊の群れから取る。
5Het lam moet zonder gebrek zijn, een mannelijk dier en één jaar oud; ge moogt het uit de schapen of geiten kiezen.
6この月の十四日まで取っておき、イスラエルの全会衆が夕暮れにそれを屠る。
6Gij moet het bewaren tot de veertiende dag van deze maand, waarop heel de gemeenschap van Israël het in de avondschemering moet slachten.
7その血を取り、それを食べる家の二本の門柱と鴨居に塗る。
7Vervolgens moeten zij het bloed ervan nemen, en er de beide deurposten en de bovendorpel mee bestrijken van de huizen, waar zij het zullen eten.
8その夜、肉を火で焼き、種なしパンと苦菜を添えて食べる。
8In diezelfde nacht moeten zij het vlees eten, dat in het vuur gebraden moet zijn, met ongedesemde broden en bittere kruiden er bij.
9生のまま、または水で煮て食べてはならない。頭も足も内臓も一緒に、火で焼く。
9Niets ervan moogt ge rauw eten of in water gekookt, maar het moet in het vuur zijn gebraden, kop, poten en romp aan één stuk.
10朝まで少しも残してはならない。朝まで残ったものは火で焼き尽くす。
10Ook moogt ge niets tot de morgen bewaren, maar wat er van over is, moet ge tegen de morgen verbranden.
11腰に帯を締め、足に履き物を履き、手に杖を持ち、急いで食べなさい。これは主の過越である。
11Zó moet ge het eten: uw lenden omgord, schoenen aan de voeten, uw stok in de hand; en gij moet het eten met grote haast, want het is het Pascha van Jahweh.
12その夜、わたしはエジプトの地を巡り、人から家畜に至るまで、すべての長子を打つ。エジプトのすべての神々に裁きを下す。わたしは主である。
12Want in deze nacht zal Ik door Egypte trekken, in Egypte alle eerstgeborenen slaan van mensen en dieren, en aan alle goden van Egypte mijn straffen voltrekken: Ik Jahweh!
13その血は、あなたがたがいる家々において、あなたがたのためのしるしとなる。わたしがその血を見る時、わたしはあなたがたを過ぎ越す。わたしがエジプトの地を打つ時、あなたがたを滅ぼす災いはあなたがたの上に臨まない。
13Maar het bloed aan de huizen zal het teken zijn, dat gij daar woont; en wanneer Ik dat bloed zal zien, zal Ik genadig aan u voorbijgaan, zodat u geen dodelijke slag zal treffen, als Ik Egypte teister.
14この日をあなたがたの記念の日とし、主への祭りとして祝いなさい。代々にわたり、永遠の掟として祝う。
14Deze dag moet voor u een gedenkdag zijn, die ge als een feest ter ere van Jahweh moet vieren. Gij zult hem vieren van geslacht tot geslacht: een eeuwige wet.
15七日間、種なしパンを食べなさい。初日には家からパン種を取り除く。初日から七日目までの間に種入りパンを食べる者は、イスラエルから断たれる。
15Dan moet ge zeven dagen lang ongedesemde broden eten. Reeds op de eerste dag moet ge het zuurdesem uit uw huizen verwijderen; en iedereen die van de eerste tot de zevende dag gedesemd brood durft eten, zal van Israël worden afgesneden.
16初日と七日目には聖なる集会を開く。これらの日には、各人が食べる物を用意するほか、どんな仕事もしてはならない。
16Op de eerste dag zult ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en evenzo op de zevende dag; op die dagen mag geen enkele arbeid worden verricht; ge moogt alleen bereiden, wat iedereen voor zijn voedsel nodig heeft.
17種なしパンの祭りを守りなさい。まさにこの日に、わたしはあなたがたの軍団をエジプトの地から導き出した。代々にわたり、永遠の掟としてこの日を守る。
17Onderhoudt dit gebod; want op deze dag heb Ik uw legerscharen uit Egypte geleid. Ge moet deze dag houden van geslacht tot geslacht als een eeuwige wet.
18第一の月の十四日の夕暮れから、二十一日の夕暮れまで、種なしパンを食べる。
18In de eerste maand, van de avond van de veertiende dag af, zult ge dus ongedesemd brood eten tot aan de avond van de een en twintigste van de maand.
19七日間、家にパン種が見つかってはならない。種の入ったものを食べる者は、寄留者であれ、その地で生まれた者であれ、イスラエルの会衆から断たれる。
19Zeven dagen lang mag in uw huizen geen zuurdesem worden gevonden; en iedereen, vreemde zowel als landgenoot, die gedesemd brood durft eten, zal van de gemeenschap van Israël worden afgesneden.
20種の入ったものは一切食べてはならない。どこに住んでいても、種なしパンを食べなさい。』」
20Geen gedesemd brood moogt ge eten, waar ge ook woont, maar enkel ongedesemd brood.
21そこでモーセはイスラエルのすべての長老たちを呼び寄せて、彼らに言った。「あなたがたの家族のために小羊を選び取って、過越のいけにえを屠りなさい。
21Nu ontbood Moses al de oudsten van Israël, en sprak tot hen: Gaat heen, haalt de schapen voor uw gezinnen en slacht het paasoffer.
22ヒソプの束を取り、それを鉢の中の血に浸し、鉢の中の血を鴨居と二つの門柱に付けなさい。あなたがたは誰一人、朝まで自分の家の戸口から出てはならない。
22Dan moet ge een bosje hysop nemen, dit in het bloed dopen, dat in een schaal is opgevangen, en wat bloed uit de schaal aan de bovendorpel en de beide zijposten strijken; daarna mag niemand van u tot de morgen buiten de deur van zijn huis komen.
23主はエジプト人を打つために通り過ぎられる。鴨居と二本の門柱にある血をご覧になると、その戸口を過ぎ越し、滅ぼす者が家に入ってあなたがたを打つことを許されない。
23Want Jahweh zal rondgaan, om Egypte te slaan; maar als Hij het bloed op de bovendorpel en op de beide zijposten ziet, zal Hij die deur genadig voorbijgaan en den verderver beletten, uw huizen binnen te gaan, om u te treffen.
24このことを、あなたとあなたの子らのための掟として永遠に守りなさい。
24Gij moet dit onderhouden als een eeuwige wet voor u en uw kinderen.
25主が約束された地へ導き入れられた時にも、この儀式を守りなさい。
25Wanneer gij dus in het land zijt gekomen, dat Jahweh u zal geven, zoals Hij beloofd heeft, onderhoudt dan dit voorschrift.
26そして、あなたがたの子どもたちがあなたがたに『この儀式にはどのような意味があるのですか』と尋ねる時、
26En wanneer uw kinderen u vragen, wat dat betekent,
27『これは主への過越のいけにえである。主はエジプト人を打たれた時、エジプトにいたイスラエルの子らの家を過ぎ越し、私たちの家を守られた』と答えなさい。」 民は頭を下げて礼拝した。
27moet ge hun zeggen: Dit is het paasoffer van Jahweh, die de huizen van Israëls kinderen in Egypte genadig voorbijging en onze gezinnen heeft gespaard, toen Hij de Egyptenaren trof. Toen wierp het volk zich op de knieën en boog zich ter aarde.
28イスラエルの子らは行って、そのようにした。主がモーセとアロンに命じられた通りに、彼らは行った。
28Daarna gingen de kinderen Israëls heen, en volbrachtten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Aäron bevolen had.
29真夜中に、主はエジプトの地のすべての長子を打たれた。それは王座に座るファラオの長子から、地下牢にいる捕虜の長子に至るまで、また家畜のすべての初子に及んだ。
29In het holst van de nacht sloeg Jahweh al de eerstgeborenen in het land van Egypte, van den eerstgeborene van Farao af, die op de troon was gezeten, tot den eerstgeborene van wie in de gevangenis zat; en eveneens al het eerstgeborene van het vee.
30ファラオは夜中に起き上がった。彼も家臣たちも、すべてのエジプト人も起きた。エジプトには大きな叫びが起こった。死人のいない家は一つもなかった。
30En Farao met heel zijn hof en heel Egypte vlogen die nacht overeind, en er weerklonk een vreselijk geschrei in Egypte; want er was geen huis, waar geen dode was.
31彼は夜のうちにモーセとアロンを呼び寄せて言った。「起き上がり、私の民の中から出て行け。おまえたちもイスラエルの子らもだ。行って、おまえたちが言ったように主に仕えよ。
31Nog in de nacht ontbood hij Moses en Aäron en sprak: Maakt u gereed, trekt weg van mijn volk; gaat heen met de zonen Israëls, om Jahweh te vereren, zoals gij gezegd hebt.
32おまえたちが言ったように、羊の群れも牛の群れも連れて去れ。そして私のことも祝福してくれ。」
32Neemt ook uw schapen en runderen mee, zoals ge gevraagd hebt, als ge maar heen gaat; en bidt ook voor mij om genade.
33エジプト人は民を急き立て、急いでその地から送り出そうとした。「さもなければ、私たちはみな死んでしまう」と言ったのである。
33Ook de Egyptenaren drongen aan, dat het volk toch zo vlug mogelijk uit het land zou vertrekken; want ze zeiden: Anders zullen we allen sterven!
34民はパン種が入る前のパン生地を取り、こね鉢を衣服に包んで肩に担いだ。
34En voordat het deeg gedesemd was, moest het volk het meenemen: hun baktroggen droegen zij in hun mantels gewikkeld op hun schouders.
35イスラエルの子らはモーセの言葉通りに行い、エジプト人から銀の飾り、金の飾り、衣服を求めた。
35Maar de Israëlieten deden, wat Moses bevolen had, en eisten van de Egyptenaren zilveren en gouden sieraden en kleren.
36主が、民がエジプト人の目に好意を得るようにされたので、彼らは民の求めるものを与えた。こうして彼らはエジプト人から奪い取った。
36En daar Jahweh de Egyptenaren murw had gemaakt, gaven zij het volk, al wat het maar eiste. Zo schudden zij de Egyptenaren uit.
37イスラエルの子らはラメセスからスコテへと旅立った。子どもたちを除いて、徒歩の男たちは約六十万人であった。
37Nu braken de Israëlieten van Raämses op, in de richting van Soekkot; ongeveer zeshonderd duizend man te voet, de kinderen niet meegerekend;
38多くの入り混じった群衆も彼らと共に上り、羊の群れ、牛の群れ、さらに非常に多くの家畜も共に行った。
38maar ook een menigte vreemden trok met hen mee, behalve nog de talloze kudden schapen en runderen.
39彼らはエジプトから持ち出した生地で、種なしのパン菓子を焼いた。追い出されて待つことができず、自分たちの食料を準備する暇もなかったので、生地にはパン種が入っていなかった。
39Van het deeg, dat zij uit Egypte hadden meegenomen, moesten zij ongedesemde broden bakken; want ze hadden geen gedesemd deeg, daar de Egyptenaren hen hadden verjaagd, zonder hun de tijd te laten, om voedsel voor de reis te bereiden.
40イスラエルの子らがエジプトに住んでいた期間は四百三十年であった。
40Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vier honderd dertig jaren geduurd.
41四百三十年が終わったまさにその日に、主のすべての軍団はエジプトの地から出て行った。
41Er waren op de dag af vierhonderd dertig jaren verlopen, toen al de legerscharen van Jahweh uit het land van Egypte trokken.
42その夜は、主が彼らをエジプトの地から導き出されたことを覚えて守る夜であった。これはイスラエルの子らが代々にわたり守る、主の夜である。
42Het was een nacht van waken voor Jahweh, toen Hij hen uit Egypte deed trekken; dit is de nacht van Jahweh, de nacht van waken voor alle kinderen Israëls van geslacht tot geslacht.
43主はモーセとアロンに言われた。「過越についての掟は次の通りである。外国人は誰もこれを食べてはならない。
43Jahweh sprak tot Moses en Aäron: Dit is het voorschrift voor het Pascha. Geen buitenlander mag er van eten.
44金で買った奴隷は、割礼を施した後で食べることができる。
44Iedere slaaf, die ge voor geld hebt gekocht, en te voren besneden hebt, mag ervan eten;
45滞在している外国人や雇い人は、これを食べてはならない。
45maar een inboorling en dagloner mogen er niet van eten.
46一つの家の中で食べなさい。肉を家の外へ持ち出してはならない。骨を一本も折ってはならない。
46In een en hetzelfde huis moet het worden opgegeten, en van het vlees moogt ge niets buitenshuis brengen; ook moogt ge de beenderen niet breken.
47イスラエルの全会衆がこれを守る。
47Heel de gemeenschap van Israël moet het toebereiden.
48寄留者があなたと共に住み、主への過越を守りたいと願うなら、その家の男子はみな割礼を受けなければならない。その後で近づいて守ることができ、その地で生まれた者と同じになる。割礼を受けていない者は誰も食べてはならない。
48En wanneer een vreemdeling bij u woont en hij wil ter ere van Jahweh het Pascha vieren, dan moeten eerst al de mannelijke leden van zijn gezin worden besneden, voor hij mag aanzitten, om het te vieren; hij staat dan gelijk met een ingezetene. Geen onbesnedene mag ervan eten;
49その地で生まれた者にも、あなたがたの間に寄留する者にも、同じ一つの律法がある。」
49dit geldt zowel voor den ingezetene, als voor den vreemdeling, die in uw midden woont.
50イスラエルの子らは皆、そのようにした。主がモーセとアロンに命じられた通りに彼らは行った。
50Alle Israëlieten volbrachten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Aäron bevolen had.
51まさにその日、主はイスラエルの子らをその軍団ごとにエジプトの地から導き出された。
51Nog op diezelfde dag, dat Jahweh de Israëlieten met hun legerscharen uit het land van Egypte leidde,
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.