2 Mojžíšova
Chapter 12
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Mojžíšova 12

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mluvil pak Hospodin k Mojžíšovi a k Aronovi v zemi Egyptské, řka:
1Toen sprak Jahweh tot Moses en Aäron in Egypte:
2Tento měsíc počátek měsíců vám bude; první vám bude mezi měsíci ročními.
2Deze maand zal voor u de beginmaand zijn, de eerste der maanden van het jaar.
3Mluvte ke všemu shromáždění Izraelskému, řkouce: Desátého dne měsíce tohoto vezmete sobě jeden každý beránka po čeledech, beránka na každý dům.
3Beveelt heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende van deze maand moet ieder voor zijn familie een lam nemen, één voor elk gezin.
4Byl-li by pak dům tak malý, že by s beránka býti nemohl, přivezme souseda svého, kterýž jest blízký domu jeho, podlé počtu duší; jeden každý počte tolik osob, kolikž by jich snísti mohlo beránka.
4Indien het gezin voor een lam niet talrijk genoeg is, moet hij er zijn naasten buurman bij uitnodigen; ge moet betreffende het lam het aantal personen berekenen naar wat ieder gewoon is te eten.
5Beránka bez vady, samce ročního míti budete, kteréhož z ovcí aneb z koz vezmete.
5Het lam moet zonder gebrek zijn, een mannelijk dier en één jaar oud; ge moogt het uit de schapen of geiten kiezen.
6A chovati ho budete až do čtrnáctého dne měsíce tohoto; a zabije ho všecko množství shromáždění Izraelského k večerou.
6Gij moet het bewaren tot de veertiende dag van deze maand, waarop heel de gemeenschap van Israël het in de avondschemering moet slachten.
7A vezmouce krve, pomaží obou veřejí a nade dveřmi u domů, v nichž jej jísti budou.
7Vervolgens moeten zij het bloed ervan nemen, en er de beide deurposten en de bovendorpel mee bestrijken van de huizen, waar zij het zullen eten.
8I budou jísti noci té maso pečené ohněm, s chleby přesnými; s bylinami hořkými jísti jej budou.
8In diezelfde nacht moeten zij het vlees eten, dat in het vuur gebraden moet zijn, met ongedesemde broden en bittere kruiden er bij.
9Nebudete jísti z něho nic surového ani v vodě vařeného, ale pečené ohněm, s hlavou jeho i s nohami a droby.
9Niets ervan moogt ge rauw eten of in water gekookt, maar het moet in het vuur zijn gebraden, kop, poten en romp aan één stuk.
10Nezanecháte z něho ničehož do jitra; pakli by co pozůstalo z něho až do jitra, ohněm spálíte.
10Ook moogt ge niets tot de morgen bewaren, maar wat er van over is, moet ge tegen de morgen verbranden.
11Takto jej pak jísti budete: Bedra svá přepásaná míti budete, obuv svou na nohách svých a hůl svou v ruce své, a jísti budete s chvátáním; nebo Jití jest Hospodinovo.
11Zó moet ge het eten: uw lenden omgord, schoenen aan de voeten, uw stok in de hand; en gij moet het eten met grote haast, want het is het Pascha van Jahweh.
12V tu noc zajisté půjdu po zemi Egyptské, a budu bíti všecko prvorozené v zemi Egyptské, od člověka až do hovada, a nade všemi bohy Egyptskými učiním soud: Já Hospodin.
12Want in deze nacht zal Ik door Egypte trekken, in Egypte alle eerstgeborenen slaan van mensen en dieren, en aan alle goden van Egypte mijn straffen voltrekken: Ik Jahweh!
13Krev pak ta na domích, v nichž budete, budeť vám na znamení; a když uzřím krev, pominu vás, a nebude mezi vámi rána zahubující, když bíti budu prvorozené v zemi Egyptské.
13Maar het bloed aan de huizen zal het teken zijn, dat gij daar woont; en wanneer Ik dat bloed zal zien, zal Ik genadig aan u voorbijgaan, zodat u geen dodelijke slag zal treffen, als Ik Egypte teister.
14A budeť vám den ten na památku, a slaviti jej budete slavný Hospodinu po rodech svých; právem věčným slaviti jej budete.
14Deze dag moet voor u een gedenkdag zijn, die ge als een feest ter ere van Jahweh moet vieren. Gij zult hem vieren van geslacht tot geslacht: een eeuwige wet.
15Za sedm dní přesné chleby jísti budete, a hned prvního dne vyprázdníte kvas z domů vašich; nebo kdožkoli jedl by co kvašeného od prvního až do sedmého dne, vyhlazena bude duše ta z Izraele.
15Dan moet ge zeven dagen lang ongedesemde broden eten. Reeds op de eerste dag moet ge het zuurdesem uit uw huizen verwijderen; en iedereen die van de eerste tot de zevende dag gedesemd brood durft eten, zal van Israël worden afgesneden.
16A v den první budeť shromáždění svaté; dne také sedmého shromáždění svaté míti budete. Žádného díla nebude děláno v nich; toliko čehož se užívá k jídlu od každého, to samo připraveno bude od vás.
16Op de eerste dag zult ge een godsdienstige bijeenkomst houden, en evenzo op de zevende dag; op die dagen mag geen enkele arbeid worden verricht; ge moogt alleen bereiden, wat iedereen voor zijn voedsel nodig heeft.
17A ostříhati budete přesnic, nebo v ten den vyvedl jsem vojska vaše z země Egyptské; protož zachovávati budete den ten po rodech svých právem věčným.
17Onderhoudt dit gebod; want op deze dag heb Ik uw legerscharen uit Egypte geleid. Ge moet deze dag houden van geslacht tot geslacht als een eeuwige wet.
18Prvního měsíce, čtrnáctého dne téhož měsíce, u večer jísti budete chleby přesné, až do dne jedenmecítmého téhož měsíce k večerou.
18In de eerste maand, van de avond van de veertiende dag af, zult ge dus ongedesemd brood eten tot aan de avond van de een en twintigste van de maand.
19Za sedm dní nebude nalezeno kvasu v domích vašich; nebo kdo by koli jedl něco kvašeného, vyhlazena bude duše ta z shromáždění Izraelského, tak příchozí jako zrozený v zemi.
19Zeven dagen lang mag in uw huizen geen zuurdesem worden gevonden; en iedereen, vreemde zowel als landgenoot, die gedesemd brood durft eten, zal van de gemeenschap van Israël worden afgesneden.
20Nic kvašeného jísti nebudete, ale ve všech příbytcích vašich jísti budete chleby přesné.
20Geen gedesemd brood moogt ge eten, waar ge ook woont, maar enkel ongedesemd brood.
21Tedy svolal Mojžíš všecky starší Izraelské, a řekl jim: Vybeřte a vezměte sobě beránka po čeledech svých, a zabíte Fáze.
21Nu ontbood Moses al de oudsten van Israël, en sprak tot hen: Gaat heen, haalt de schapen voor uw gezinnen en slacht het paasoffer.
22Vezmete také svazček yzopu, a omočíte v krvi, kteráž bude v medenici, a pomažete nade dveřmi a na obou veřejích tou krví, kteráž bude v nádobě; z vás pak žádný nevycházej ze dveří domu svého až do jitra.
22Dan moet ge een bosje hysop nemen, dit in het bloed dopen, dat in een schaal is opgevangen, en wat bloed uit de schaal aan de bovendorpel en de beide zijposten strijken; daarna mag niemand van u tot de morgen buiten de deur van zijn huis komen.
23Neboť půjde Hospodin, aby bil Egypt, a kde uzří krev nade dveřmi a na obou veřejích, přeskočí Hospodin ty dvéře, aniž dopustí zhoubci vjíti do domů vašich k hubení.
23Want Jahweh zal rondgaan, om Egypte te slaan; maar als Hij het bloed op de bovendorpel en op de beide zijposten ziet, zal Hij die deur genadig voorbijgaan en den verderver beletten, uw huizen binnen te gaan, om u te treffen.
24Protož ostříhati budete věci této za ustanovení tobě i synům tvým až na věky.
24Gij moet dit onderhouden als een eeuwige wet voor u en uw kinderen.
25A když vejdete do země, kterouž dá Hospodin vám, jakž zaslíbil, zachovávati budete službu tuto.
25Wanneer gij dus in het land zijt gekomen, dat Jahweh u zal geven, zoals Hij beloofd heeft, onderhoudt dan dit voorschrift.
26Když by pak řekli vám synové vaši: Jaká jest to služba vaše?
26En wanneer uw kinderen u vragen, wat dat betekent,
27Tedy díte: Obět Fáze toto jest Hospodinu, kterýž pominul domů synů Izraelských v Egyptě, když bil Egypt, domy pak naše vysvobodil. A lid sklonivše hlavy, poklonu učinili.
27moet ge hun zeggen: Dit is het paasoffer van Jahweh, die de huizen van Israëls kinderen in Egypte genadig voorbijging en onze gezinnen heeft gespaard, toen Hij de Egyptenaren trof. Toen wierp het volk zich op de knieën en boog zich ter aarde.
28A rozšedše se synové Izraelští, učinili, jakž byl Hospodin přikázal Mojžíšovi a Aronovi; tak a nejinak učinili.
28Daarna gingen de kinderen Israëls heen, en volbrachtten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Aäron bevolen had.
29Stalo se pak o půlnoci, pobil Hospodin všecko prvorozené v zemi Egyptské, od prvorozeného Faraonova, kterýž seděti měl na stolici jeho, až do prvorozeného vězně, kterýž byl v žaláři, i všecko prvorozené hovad.
29In het holst van de nacht sloeg Jahweh al de eerstgeborenen in het land van Egypte, van den eerstgeborene van Farao af, die op de troon was gezeten, tot den eerstgeborene van wie in de gevangenis zat; en eveneens al het eerstgeborene van het vee.
30Tedy vstal Farao noci té, a všickni služebníci jeho i všickni Egyptští, a vzešel křik veliký v Egyptě; nebo žádného nebylo domu, v němž by nebylo něčeho mrtvého.
30En Farao met heel zijn hof en heel Egypte vlogen die nacht overeind, en er weerklonk een vreselijk geschrei in Egypte; want er was geen huis, waar geen dode was.
31A povolav Mojžíše a Arona v noci, řekl: Vstaňte, vyjděte z prostředku lidu mého, i vy i synové Izraelští, a odejdouce, služte Hospodinu, jakž jste mluvili.
31Nog in de nacht ontbood hij Moses en Aäron en sprak: Maakt u gereed, trekt weg van mijn volk; gaat heen met de zonen Israëls, om Jahweh te vereren, zoals gij gezegd hebt.
32Ovce také vaše i voly vaše vezměte, jakž jste žádali, a jděte; a dejte mi také požehnání.
32Neemt ook uw schapen en runderen mee, zoals ge gevraagd hebt, als ge maar heen gaat; en bidt ook voor mij om genade.
33I nutkali Egyptští lid, aby co nejrychleji vyšli z země; nebo pravili: Všickni již teď zemřeme.
33Ook de Egyptenaren drongen aan, dat het volk toch zo vlug mogelijk uit het land zou vertrekken; want ze zeiden: Anders zullen we allen sterven!
34Protož vzal lid těsto své, prvé než zkysalo, obaliv je v šaty své, na ramena svá.
34En voordat het deeg gedesemd was, moest het volk het meenemen: hun baktroggen droegen zij in hun mantels gewikkeld op hun schouders.
35Učinili pak synové Izraelští podlé rozkazu Mojžíšova; nebo vyžádali byli od Egyptských klínotů stříbrných a zlatých, i šatů.
35Maar de Israëlieten deden, wat Moses bevolen had, en eisten van de Egyptenaren zilveren en gouden sieraden en kleren.
36A Hospodin dal milost lidu před očima Egyptských, tak že půjčovali jim. I obloupili Egyptské.
36En daar Jahweh de Egyptenaren murw had gemaakt, gaven zij het volk, al wat het maar eiste. Zo schudden zij de Egyptenaren uit.
37Tedy táhli synové Izraelští z Ramesses k Sochot, okolo šestkrát sto tisíc pěších, mužů toliko kromě dětí.
37Nu braken de Israëlieten van Raämses op, in de richting van Soekkot; ongeveer zeshonderd duizend man te voet, de kinderen niet meegerekend;
38Ano také jiného lidu mnoho vyšlo s nimi, ovec také a volů, dobytka velmi mnoho.
38maar ook een menigte vreemden trok met hen mee, behalve nog de talloze kudden schapen en runderen.
39I napekli z těsta, kteréž vynesli z Egypta, koláčů nekvašených; nebo ještě bylo nezkynulo, proto že vypuzeni byli z Egypta, a nemohli prodlévati, a ani pokrmů na cestu nepřipravili sobě.
39Van het deeg, dat zij uit Egypte hadden meegenomen, moesten zij ongedesemde broden bakken; want ze hadden geen gedesemd deeg, daar de Egyptenaren hen hadden verjaagd, zonder hun de tijd te laten, om voedsel voor de reis te bereiden.
40Èas pak bydlení synů Izraelských, kteříž byli v Egyptě, byl čtyři sta a třidceti let.
40Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vier honderd dertig jaren geduurd.
41A když se vyplnilo čtyři sta a třidceti let, právě toho dne vyšla všecka vojska Hospodinova z země Egyptské.
41Er waren op de dag af vierhonderd dertig jaren verlopen, toen al de legerscharen van Jahweh uit het land van Egypte trokken.
42Noc tato pilně ostříhána býti má Hospodinu, v níž vyvedl je z země Egyptské; tať tedy noc Hospodinova ostříhána bude ode všech synů Izraelských po národech jejich.
42Het was een nacht van waken voor Jahweh, toen Hij hen uit Egypte deed trekken; dit is de nacht van Jahweh, de nacht van waken voor alle kinderen Israëls van geslacht tot geslacht.
43I řekl Hospodin Mojžíšovi a Aronovi: Tentoť bude řád při slavnosti Fáze: Žádný cizozemec nebude jísti z něho.
43Jahweh sprak tot Moses en Aäron: Dit is het voorschrift voor het Pascha. Geen buitenlander mag er van eten.
44Každý pak služebník váš za stříbro koupený, když by obřezán byl, teprv jísti bude z něho.
44Iedere slaaf, die ge voor geld hebt gekocht, en te voren besneden hebt, mag ervan eten;
45Příchozí a nájemník nebude jísti z něho.
45maar een inboorling en dagloner mogen er niet van eten.
46V témž domě jísti jej budeš, nevyneseš z domu ven masa jeho; a kostí v něm nezlámete.
46In een en hetzelfde huis moet het worden opgegeten, en van het vlees moogt ge niets buitenshuis brengen; ook moogt ge de beenderen niet breken.
47Všecko shromáždění Izraelské tak s ním učiní.
47Heel de gemeenschap van Israël moet het toebereiden.
48Jestliže by pak cizozemec bydlil s tebou pohostinu, a slaviti by chtěl Fáze Hospodinu, prvé obřezán bude každý pohlaví mužského; a tehdy přistoupí k slavení jeho, a bude jako tu v zemi zrozený; žádný pak neobřezaný nebude jísti z něho.
48En wanneer een vreemdeling bij u woont en hij wil ter ere van Jahweh het Pascha vieren, dan moeten eerst al de mannelijke leden van zijn gezin worden besneden, voor hij mag aanzitten, om het te vieren; hij staat dan gelijk met een ingezetene. Geen onbesnedene mag ervan eten;
49Jednostejné právo bude tu zrodilému a příchozímu, kterýž jest pohostinu u prostřed vás.
49dit geldt zowel voor den ingezetene, als voor den vreemdeling, die in uw midden woont.
50Tedy učinili všickni synové Izraelští, jakž přikázal Hospodin Mojžíšovi a Aronovi; tak učinili.
50Alle Israëlieten volbrachten nauwkeurig, wat Jahweh aan Moses en Aäron bevolen had.
51A tak stalo se právě toho dne, že vyvedl Hospodin syny Izraelské z země Egyptské s vojsky jejich.
51Nog op diezelfde dag, dat Jahweh de Israëlieten met hun legerscharen uit het land van Egypte leidde,

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.