2 Mojžíšova
Chapter 34
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Mojžíšova 34

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I řekl Hospodin k Mojžíšovi: Vyteš sobě dvě dsky kamenné podobné prvním, a napíši na dskách těch slova, kteráž byla na dskách prvních, kteréž jsi rozrazil.
1Daarna sprak Jahweh tot Moses: Houw u twee stenen tafelen, zoals de vorige; dan zal Ik er de woorden opschrijven, die op de vorige tafelen stonden, welke gij hebt verbrijzeld.
2Budiž tedy hotov ráno, a vstoupíš v jitře na horu Sinai, a staneš přede mnou na vrchu hory té.
2Zorg, dat gij tegen de morgen gereed zijt; bestijg dan de berg Sinaï, en blijf daar op de top van de berg op Mij wachten.
3Žádný ať nevstupuje s tebou, aniž také kdo vidín bude na vší hoře; ani ovce neb volové pásti se budou naproti hoře této.
3Maar niemand mag met u mee, niemand mag op heel de berg worden gezien; zelfs mogen er geen schapen en runderen weiden in de nabijheid van de berg.
4Tedy Mojžíš vytesal dvě dsky kamenné podobné prvním, a vstav ráno, vstoupil na horu Sinai, jakž mu přikázal Hospodin, a vzal v ruku svou dvě dsky kamenné.
4Moses hakte dus twee stenen tafelen, gelijk aan de eerste, besteeg vroeg in de morgen de berg Sinaï, zoals Jahweh het hem had bevolen, en nam de twee stenen tafelen met zich mee.
5I sstoupil Hospodin v oblaku, a stál s ním tam, a zavolal ze jména: HOSPODIN.
5Toen daalde Jahweh neer in de wolk, terwijl Moses daar op Hem wachtte en Jahweh aanriep bij zijn Naam.
6Nebo pomíjeje Hospodin tvář jeho, volal: Hospodin, Hospodin, Bůh silný, lítostivý a milostivý, dlouhočekající a hojný v milosrdenství a pravdě,
6Nu ging Jahweh hem voorbij, en Jahweh riep: Jahweh is een barmhartige en ontfermende God, lankmoedig, vol van liefde en trouw,
7Milosrdenství čině tisícům, odpouštěje nepravost a přestoupení i hřích, a kterýž nikoli neospravedlňuje vinného, navštěvuje nepravost otců na synech, a na synech synů do třetího i čtvrtého pokolení.
7die duizenden genade bewijst, die misdaden, fouten en zonden vergeeft, zonder ze ongestraft te laten, maar de zonden der vaderen op de zonen en kleinzonen wreekt tot in het derde en vierde geslacht.
8Mojžíš pak rychle sklonil hlavu k zemi, a poklonu učinil.
8Haastig wierp Moses zich op zijn knieën, boog zich ter aarde,
9A řekl: Prosím, našel-li jsem milost v očích tvých, Pane, nechť jde, prosím, Pán u prostřed nás, nebo lid jest tvrdé šíje, a milostiv buď nepravosti naší a hříchu našemu, a měj nás za dědictví.
9en sprak: Heer, zo ik genade gevonden heb ik uw ogen, Heer, trek dan mee op, te midden van ons. Zeker het is een weerbarstig volk; maar vergeef ons onze zonde en schuld, en neem ons als uw erfdeel aan.
10Kterýžto řekl: Aj, já učiním smlouvu přede vším lidem tvým. Učiním divné věci, kteréž nejsou učiněny na vší zemi a ve všech národech, a viděti bude všecken lid, (mezi nimiž jsi,) skutky Hospodinovy; nebo hrozné bude to, což já učiním s tebou.
10Hij sprak: Zie, Ik sluit een Verbond met u. Ten aanschouwen van heel uw volk zal Ik wonderdaden verrichten, zoals er nog nooit op de ganse aarde en onder enig volk zijn gewrocht; en heel het volk, waaronder gij leeft, zal het werk van Jahweh zien. Ja, ontzaglijk zal het zijn, wat Ik voor u ga verrichten!
11Zachovej to, což já dnes tobě přikazuji. Aj, já vyženu před tváří tvou Amorea a Kananea, Hetea a Ferezea, Hevea a Jebuzea.
11Onderhoud slechts, wat Ik u heden gebied; dan drijf Ik de Amorieten, Kanaänieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten voor u uit.
12Varuj se pak, abys nečinil smlouvy s obyvateli země té, do kteréž vejdeš, ať by nebyli osídlem u prostřed tebe.
12Wacht u ervoor, een verbond te sluiten met de bewoners van het land, waar gij heen trekt, opdat zij onder u geen valstrik worden.
13Ale zboříte oltáře jejich, a modly jejich polámete, a jejich háje posekáte.
13Neen, gij moet hun altaren verwoesten, hun wijstenen omverwerpen en hun heilige bomen omhakken.
14Nebo nebudeš se klaněti Bohu jinému, proto že Hospodin jest, jméno má horlivý, Bůh silný, horlivý jest.
14Gij zult geen vreemden god aanbidden; want Jahweh wordt ijverzuchtig genoemd, en Hij is een naijverige God.
15Nevcházej v smlouvu s obyvateli země té, aby když by smilnili, jdouce po bozích svých, a obětovali bohům svým, nepovolali tě, a jedl bys z oběti jejich.
15Sluit geen verbond met de inwoners van het land, die ontuchtig hun goden achterna lopen, en aan hun goden offers brengen. Want anders nodigen zij u daarbij uit, en zoudt gij van hun altaren eten;
16A abys nebral ze dcer jeho synům svým, i smilnily by dcery jejich, jdouce po bozích svých, a naučily by smilniti syny tvé, jdouce po bozích svých.
16gij zoudt hun dochters als vrouwen voor uw zonen nemen, en hun dochters, die ontuchtig haar goden achterna lopen, zouden ook uw zonen daartoe verleiden.
17Bohů slitých neuděláš sobě.
17Gij moogt u geen gegoten godenbeeld maken.
18Slavnost přesnic zachovávati budeš. Za sedm dní jísti budeš chleby nekvašené, jakž jsem přikázal tobě, v čas vyměřený měsíce Abib; nebo měsíce toho vyšel jsi z Egypta.
18Gij moet het feest der ongedesemde broden vieren. Op de vastgestelde tijd van de maand Abib zult ge zeven dagen lang ongedesemd brood eten, zoals Ik u bevolen heb; want in de maand Abib zijt ge uit Egypte getrokken.
19Všecko což otvírá život, mé jest, i všeliký samec v dobytku tvém, prvorozený z volů a ovcí.
19Al wat de moederschoot opent, behoort aan Mij: ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, zowel van runderen als van schapen;
20Ale prvorozené osle vyplatíš dobytčetem; pakli bys nevyplatil, šíji zlomíš jemu. Každého prvorozeného z synů svých vyplatíš, aniž ukáží se přede mnou prázdní.
20alleen het eerstgeboren ezelsjong zult ge loskopen met een lam, of het anders de nek breken. Maar al de eerstgeborenen van uw zonen moet ge loskopen, en zij zullen niet met lege handen voor Mij verschijnen.
21Šest dní pracovati budeš, dne pak sedmého přestaneš; v čas orání i žně přestaneš.
21Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult gij rusten; zelfs in de ploeg(-) en oogsttijd zult ge dan rusten.
22A učiníš sobě slavnost téhodnů, svátek prvotin žně pšeničné a slavnost klizení po vyjití každého roku.
22Bij de eerstelingen van de tarweoogst zult ge het feest der weken vieren: en het plukfeest bij de wisseling van het jaar.
23Třikrát v roce ukáže se každý z vás pohlaví mužského před oblíčejem Panovníka Hospodina, Boha Izraelského.
23Drie maal per jaar moeten alle mannen onder u voor den Heer Jahweh, den God van Israël, verschijnen.
24Nebo vyvrhu národy od tváři tvé a rozšířím meze tvé, aniž kdo sáhne na zemi tvou, když vstoupíš, abys se ukázal před Hospodinem Bohem svým třikrát v roce.
24En wanneer Ik de heidenen voor u heb verdreven en u een uitgestrekt grondgebied heb geschonken, zal niemand uw land zelfs begeren, terwijl gij driemaal per jaar optrekt, om voor Jahweh, uw God, te verschijnen.
25Nebudeš obětovati krve oběti mé, dokavadž u tebe kvas jest, aniž zůstane do jitra obět slavnosti Fáze.
25Gij zult het bloed van wat Mij is geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood ten offer brengen. Van het paasoffer mag niets tot de volgende morgen worden bewaard.
26Prvotiny prvních úrod země své přinášeti budeš do domu Hospodina Boha svého. Nebudeš vařiti kozelce v mléce matky jeho.
26De eerste vruchten van uw akkers moet ge naar het huis van Jahweh, uw God, brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
27I řekl Hospodin Mojžíšovi: Napiš sobě slova tato; nebo podlé slov těch učinil jsem smlouvu s tebou a s Izraelem.
27Nu sprak Jahweh tot Moses: Schrijf deze geboden op; want op grond van deze geboden, sluit Ik met u en Israël een Verbond.
28Byl pak tam s Hospodinem čtyřidceti dní a čtyřidceti nocí, chleba nejedl a vody nepil; a napsal na dskách slova té smlouvy, totiž deset slov.
28En Moses bleef daar met Jahweh veertig dagen en veertig nachten, zonder te eten of te drinken, en Hij schreef op de tafelen de bepalingen van het Verbond: de tien geboden.
29I stalo se, když sstupoval Mojžíš s hory Sinai, (a měl dvě dsky svědectví v rukou svých, když sstupoval s hory), nevěděl, že by se stkvěla kůže tváři jeho, když mluvil s ním.
29Daarna daalde Moses van de berg Sinaï af, met de tafelen van het Verbond in zijn hand. Terwijl Moses van de berg afdaalde, wist hij niet, dat de huid van zijn aangezicht straalde, omdat hij met Jahweh gesproken had.
30A viděl Aron i všickni synové Izraelští Mojžíše, a aj, stkvěla se kůže tváři jeho, a nesměli přistoupiti k němu.
30Toen Aäron en al de Israëlieten zagen, dat de huid van Moses’ aangezicht straalde, durfden zij hem niet naderen.
31Ale Mojžíš zavolal jich, a navrátili se k němu Aron i všecka knížata shromáždění toho, a mluvil Mojžíš s nimi.
31Eerst toen Moses hen riep, kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap bij hem, en sprak Moses hun toe.
32Potom přišli také k němu všickni synové Izraelští, jimžto přikázal všecko, což s ním mluvil Hospodin na hoře Sinai.
32Nu durfden ook de andere Israëlieten naderen, en deelde Moses hun alles mee, wat Jahweh hem op de berg Sinaï bevolen had.
33Dokudž pak mluvil Mojžíš s nimi, měl zástěru na tváři své.
33Toen Moses zijn toespraak beëindigd had, legde hij een sluier over zijn gelaat.
34Ale když vcházel Mojžíš před tvář Hospodina, aby mluvil s ním, odjímal zástěru, dokudž nevyšel. Vyšed pak, mluvil synům Izraelským, což mu bylo rozkázáno.
34En telkens wanneer Moses voor Jahweh verscheen om met Hem te spreken, verwijderde hij de sluier, tot hij weer heenging. Maar als hij dan naar buiten trad, om de Israëlieten alle bevelen mede te delen,
35Tedy viděli synové Izraelští tvář Mojžíšovu, že se stkvěla kůže tváři jeho. A kladl zase Mojžíš zástěru na tvář svou, dokudž nevcházel, aby mluvil s ním.
35en dezen zagen hoe de huid van Moses’ aangezicht straalde, legde Moses de sluier over zijn gelaat, totdat hij weer naar binnen ging, om met God te spreken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.