ΕΞΟΔΟΣ
Chapter 16
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΕΞΟΔΟΣ 16

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἀπῄραν δὲ ἐξ Αἰλεὶμ, καὶ ἤλθοσαν πᾶσα συναγωγὴ υἱῶν Ἰσραὴλ εἰς τὴν ἔρημον Σὶν, ὅ ἐστιν ἀνὰ μέσον Αἰλεὶμ, καὶ ἀνὰ μέσον Σινά. τῇ δὲ πεντεκαιδεκάτῃ ἡμέρᾳ, τῷ μηνὶ τῷ δευτέρῳ ἐξεληλυθότων αὐτῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου,
1Nadat heel de gemeenschap van Israël van Elim was opgebroken, trokken zij naar de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt; het was op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit Egypte.
2διεγόγγυζε πᾶσα συναγωγὴ υἱῶν Ἰσραὴλ ἐπὶ Μωυσὴν καὶ Ἀαρών.
2Weer begon heel de gemeente van Israël in de woestijn tegen Moses en Aäron te morren,
3Καὶ εἶπεν πρὸς αὐτοὺς οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, ὄφελον ἀπεθάνομεν πληγέντες ὑπὸ Κυρίου ἐν γῇ Αἰγύπτῳ, ὅταν ἐκαθίσαμεν ἐπὶ τῶν λεβήτων τῶν κρεῶν, καὶ ἠσθίομεν ἄρτους εἰς πλησμονήν· ὅτι ἐξηγάγετε ἡμᾶς εἰς τὴν ἔρημον ταύτην, ἀποκτεῖναι πᾶσαν τὴν συναγωγὴν ταύτην ἐν λιμῷ.
3en de kinderen Israëls zeiden tot hen: Waren we maar in Egypte door de hand van Jahweh gestorven, toen we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten; waarachtig, ge hebt ons naar deze woestijn gebracht, om heel deze menigte van honger te doen sterven.
4Εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν, ἰδοὺ ἐγὼ ὕω ὑμῖν ἄρτους ἐκ τοῦ οὐρανοῦ· καὶ ἐξελεύσεται ὁ λαὸς, καὶ συλλέξουσι τὸ τῆς ἡμέρας εἰς ἡμέραν, ὅπως πειράσω αὐτοὺς εἰ πορεύσονται τῷ νόμῳ μου, ἢ οὔ·
4Toen sprak Jahweh tot Moses: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel doen regenen; en het volk zal iedere dag zijn dagelijks deel kunnen rapen. Maar Ik stel het tegelijk op de proef of het mijn Wet wil beleven of niet:
5Καὶ ἔσται ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἕκτῃ, καὶ ἑτοιμάσουσιν ὃ ἐὰν εἰσενέγκωσι· καὶ ἔσται διπλοῦν ὃ ἐὰν συναγάγωσι τὸ καθʼ ἡμέραν εἰς ἡμέραν.
5Op de zesde dag moeten ze het dubbele meebrengen en toebereiden, van wat zij iedere dag rapen.
6Καὶ εἶπε Μωυσῆς καὶ Ἀαρὼν πρὸς πάσαν συναγωγὴν υἱῶν Ἰσραὴλ, ἑσπέρας γνώσεσθε, ὅτι Κύριος ἐξήγαγεν ὑμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου,
6Nu spraken Moses en Aäron tot al de Israëlieten: Hedenavond zult ge weten, dat Jahweh u uit Egypte heeft geleid,
7καὶ πρωῒ ὄψεσθε τὴν δόξαν Κυρίου ἐν τῷ εἰσακοῦσαι τὸν γογγυσμὸν ὑμῶν ἐπὶ τῷ Θεῷ· ἡμεῖς δὲ τί ἐσμεν, ὅτι διαγογγύζετε καθʼ ἡμῶν;
7en morgen zult ge de glorie van Jahweh aanschouwen, ofschoon Jahweh het gemor tegen Hem heeft gehoord. Want wat betekenen wij, dat gij zoudt morren tegen ons.
8Καὶ εἶπε Μωυσῆς, ἐν τῷ διδόναι Κύριον ὑμῖν ἑσπέρας κρέα φαγεῖν, καὶ ἄρτους τὸ πρωῒ εἰς πλησμονὴν, διὰ τὸ εἰσακοῦσαι Κύριον τὸν γογγυσμὸν ὑμῶν, ὃν ὑμεῖς διαγογγύζετε καθʼ ἡμῶν· ἡμεῖς δὲ τί ἐσμεν; οὐ γὰρ καθʼ ἡμῶν ἐστιν ὁ γογγυσμὸς ὑμῶν, ἀλλʼ ἢ κατὰ τοῦ Θεοῦ.
8En Moses vervolgde: Als Jahweh u vanavond vlees te eten geeft, en morgenvroeg volop brood, dan is het ondanks uw gemor tegen Jahweh, dat Hij heeft gehoord! Want wat betekenen wij? Niet tegen ons is uw morren maar tegen Jahweh.
9Εἶπε δὲ Μωυσῆς πρὸς Ἀαρὼν, εἶπον πάσῃ συναγωγῇ υἱῶν Ἰσραὴλ, προσέλθετε ἐναντίον τοῦ Θεοῦ· εἰσακήκοε γὰρ τὸν γογγυσμὸν ὑμῶν.
9En Moses zeide tot Aäron: Beveel heel de gemeenschap van Israël: Treedt voor het aanschijn van Jahweh; want Hij heeft uw morren gehoord.
10Ἡνίκα δὲ ἐλάλει Ἀαρὼν πάσῃ συναγωγῇ υἱῶν Ἰσραὴλ, καὶ ἐπεστράφησαν εἰς τὴν ἔρημον, καὶ ἡ δόξα Κυρίου ὤφθη ἐν νεφέλῃ.
10Toen Aäron dit bevel had overgebracht, keerde heel de gemeenschap van Israël zich in de richting van de woestijn; en zie, daar verscheen in de wolk de glorie van Jahweh!
11καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν, λέγων,
11En Jahweh sprak tot Moses:
12εἰσακήκοα τὸν γογγυσμὸν τῶν υἱῶν Ἰσραήλ· λάλησον πρὸς αὐτοὺς, λέγων, τὸ πρὸς ἑσπέραν ἔδεσθε κρέα, καὶ τὸ πρωῒ πλησθήσεσθε ἄρτων· καὶ γνώσεσθε, ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
12Ik heb het morren van Israëls kinderen gehoord. Zeg hun nu: Bij het vallen van de avond zult ge vlees kunnen eten, en morgenvroeg volop brood; dan zult ge weten, dat Ik, Jahweh, uw God ben!
13Ἐγένετο δὲ ἑσπέρα· καὶ ἀνέβη ὀρτυγομήτρα, καὶ ἐκάλυψε τὴν παρεμβολήν· τὸ πρωῒ ἐγένετο καταπαυομένης τῆς δρόσου κύκλῳ τῆς παρεμβολῆς.
13En tegen de avond kwamen er kwartels aangevlogen, die de legerplaats bedekten. Des morgens viel er dauw rondom de legerplaats;
14Καὶ ἰδοὺ ἐπὶ πρόσωπον τῆς ἐρήμου λεπτὸν ὡσεὶ κόριον λευκὸν, ὡσεὶ πάγος ἐπὶ τῆς γῆς.
14toen de dauw, die gevallen was, optrok, lag daar over de bodem van de woestijn een dunne korrelige laag, fijn als rijp.
15Ἰδόντες δὲ αὐτὸ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ, εἶπαν ἕτερος τῷ ἑτέρῳ, τί ἐστι τοῦτο; οὐ γὰρ ᾔδεισαν τί ἦν· εἶπε δὲ Μωυσῆς αὐτοῖς, οὗτος ὁ ἄρτος, ὃν ἔδωκε Κύριος ὑμῖν φαγεῖν.
15Toen de Israëlieten het zagen, zeiden zij tot elkander: Wat is dat? Want ze wisten niet, wat het was. Maar Moses sprak: Dit is het brood, dat Jahweh u te eten geeft.
16Τοῦτο τὸ ῥῆμα ὃ συνέταξε Κύριος· συναγάγετε ἀπʼ αὐτοῦ ἕκαστος εἰς τοὺς καθήκοντας γομὸρ, κατὰ κεφαλὴν κατὰ ἀριθμὸν ψυχῶν ὑμῶν, ἕκαστος σὺν τοῖς συσκηνίοις ὑμῶν συλλέξατε.
16En nu beveelt Jahweh: Laat iedereen ervan rapen, wat hij nodig heeft; een ómer per hoofd moet ge halen, naar het aantal personen, dat in uw tent woont.
17Ἐποίησαν δὲ οὕτως οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· καὶ συνέλεξαν ὁ τὸ πολὺ καὶ ὁ τὸ ἔλαττον.
17De Israëlieten deden dat. De een raapte meer, de ander minder.
18Καὶ μετρήσαντες γομὸρ, οὐκ ἐπλεόνασεν ὁ τὸ πόλυ, καὶ ὁ τὸ ἔλαττον οὐκ ἠλαττόνησεν· ἕκαστος εἰς τοὺς καθήκοντας παρʼ ἑαυτῷ συνέλεξαν.
18Maar toen ze het met de ómer maten, had hij, die meer had geraapt, niet te veel, en hij, die minder had geraapt, niet te weinig: iedereen had geraapt, wat hij nodig had.
19Εἶπε δὲ Μωυσῆς πρὸς αὐτοὺς, μηδεὶς καταλειπέτω ἀπʼ αὐτοῦ εἰς τὸ πρωΐ.
19En Moses beval hun: Niemand mag er iets van tot morgen bewaren.
20Καὶ οὐκ εἰσήκουσαν Μωυσῆ, ἀλλὰ κατέλιπόν τινες ἀπʼ αὐτοῦ εἰς τὸ πρωΐ· καὶ ἐξέζεσε σκώληκας, καὶ ἐπώζεσε· καὶ ἐπικράνθη ἐπʼ αὐτοῖς Μωυσῆς.
20Maar toen sommigen niet naar Moses luisterden, en er van tot de volgende morgen bewaarden, was het bedorven; er zaten wormen in, en het stonk. Daarom werd Moses vertoornd op hen.
21Καὶ συνέλεξαν αὐτὸ πρωῒ πρωῒ, ἕκαστος τὸ καθῆκον αὐτῷ· ἡνίκα δὲ διεθέρμαινεν ὁ ἥλιος, ἐτήκετο.
21Zo raapten zij iedere morgen bijeen, wat iedereen nodig had; want als de zon warm werd, smolt het weg.
22Ἐγένετο δὲ τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἕκτῃ, συνέλεξαν τὰ δέοντα διπλᾶ, δύο γομὸρ τῷ ἑνί· εἰσήλθοσαν δὲ πάντες οἱ ἄρχοντες τῆς συναγωγῆς, καὶ ἀνήγγειλαν Μωυσῇ.
22Maar op de zesde dag raapten zij een dubbele hoeveelheid bijeen, twee ómer per man. En toen alle leiders der gemeenschap het aan Moses kwamen vertellen,
23Εἶπε δὲ Μωυσῆς πρὸς αὐτούς, οὐ τοῦτο τὸ ῥῆμά ἐστιν ὃ ἐλάλησε Κύριος; σάββατα ἀνάπαυσις ἁγία τῷ Κυρίῳ αὔριον· ὅσα ἐὰν πέσσητε, πέσσετε· καὶ ὅσα ἐὰν ἕψητε, ἕψετε· καὶ πᾶν τὸ πλεονάζον καταλείπετε αὐτὸ εἰς ἀποθήκην εἰς τὸ πρωΐ.
23gaf deze ten antwoord: Dit is het juist, wat Jahweh gezegd heeft: Morgen is het een rustdag, een heilige sabbat voor Jahweh! Ge moogt nu bakken zoveel ge wilt, en koken zoveel ge wilt: en wat er overschiet, bewaart dat tot morgen.
24Καὶ κατελίποσαν ἀπʼ αὐτοῦ εἰς ἕως πρωῒ, καθὼς συνέταξεν αὐτοῖς Μωυσῆς· καὶ οὐκ ἐπώζεσεν, οὐδὲ σκώληξ ἐγένετο ἐν αὐτῷ.
24Zij bewaarden het dus tot de volgende dag, zoals Moses hun had bevolen; maar nu stonk het niet en was het niet bedorven.
25Εἶπε δὲ Μωυσῆς, φάγετε σήμερον· ἔστι γὰρ σάββατα αήμερον τῷ Κυρίῳ· οὐχ εὑρεθήσεται ἐν τῷ πεδίῳ.
25En Moses sprak: Hier moet ge heden van eten; want vandaag is het sabbat ter ere van Jahweh; vandaag zult ge dus buiten niets vinden.
26Ἓξ ἡμέρας συλλέξετε· τῇ δὲ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ σάββατα, ὅτι οὐκ ἔσται ἐν αὐτῇ.
26Zes dagen kunt ge inzameling houden, maar op de zevende dag is het sabbat, dan is er niets.
27Ἐγένετο δὲ ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ ἐξήθλοσάν τινες ἐκ τοῦ λαοῦ συλλέξαι, καὶ οὐχ εὗρον.
27Toen dan ook op de zevende dag sommigen van het volk toch naar buiten gingen, om het te rapen, vonden zij niets.
28Εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν, ἕως τίνος οὐ βούλεσθε εἰσακούειν τὰς ἐντολάς μου, καὶ τὸν νόμον μου;
28En Jahweh sprak tot Moses: Hoelang weigert ge nog mijn geboden en mijn wetten te onderhouden?
29Ἴδετε, ὁ γὰρ Κύριος ἔδωκεν ὑμῖν σάββατα τὴν ἡμέραν ταύτην· διὰ τοῦτο αὐτὸς ἔδωκεν ὑμῖν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἕκτῃ ἄρτους δύο ἡμερῶν· καθίσεσθε ἕκαστος εἰς τοὺς οἴκους ὑμῶν· μηδεὶς ἐκπορευέσθω ἐκ τοῦ τόπου αὐτοῦ τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ.
29Ziet, omdat Jahweh voor u de sabbat heeft vastgesteld, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Op de zevende dag blijve dus iedereen thuis, en mag niemand zijn woonplaats verlaten.
30Καὶ ἐσαββάτισεν ὁ λαὸς τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ.
30Zo hield het volk op de zevende dag sabbat.
31Καὶ ἐπωνόμασαν αὐτὸ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τὸ ὄνομα αὐτοῦ, Μάν· ἦν δὲ ὡσεὶ σπέρμα κορίου λευκόν· τὸ δὲ γεῦμα αὐτοῦ ὡς ἐγκρὶς ἐν μέλιτι.
31En de kinderen Israëls noemden het manna; het was wit als korianderzaad en het smaakte als honingkoek.
32Εἶπε δὲ Μωυσῆς, τοῦτο τὸ ῥῆμα, ὃ συνέταξε Κύριος, πλήσατε τὸ γομὸρ τοῦ μὰν, εἰς ἀποθήκην εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν· ἵνα ἴδωσι τὸν ἄρτον, ὃν ἐφάγετε ὑμεῖς ἐν τῇ ἐρήμῳ, ὡς ἐξήγαγεν ὑμᾶς Κύριος ἐκ γῆς Αἰγύπτου.
32En Moses sprak: Zo heeft Jahweh bevolen! Vult één ómer daarmee, om het voor uw nageslacht te bewaren, opdat zij het brood mogen zien. dat Ik u in de woestijn tot spijs heb gegeven, toen Ik u uit het land van Egypte had geleid.
33Καὶ εἶπε Μωυσῆς πρὸς Ἀαρὼν, λάβε στάμνον χρυσοῦν ἕνα, καὶ ἔμβαλε εἰς αὐτὸν πλῆρες τὸ γομὸρ τοῦ μὰν, καὶ ἀποθήσεις αὐτὸ ἐναντίον τοῦ Θεοῦ, εἰς διατήρησιν εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν,
33Daarom sprak Moses tot Aäron: Neem een kruik, doe daar een volle ómer manna in, en zet die voor het aanschijn van Jahweh, om het voor uw nageslacht te bewaren.
34ὃν τρόπον συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ· καὶ ἀπέθηκεν Ἀαρὼν ἐναντίον τοῦ μαρτυρίου εἰς διατήρησιν.
34Aäron vulde dus een kruik met een volle ómer manna, zoals Jahweh Moses bevolen had, en zette die ter bewaring voor de ark des Verbonds neer.
35Οἱ δὲ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἔφαγον τὸ μὰν ἔτη τεσσαράκοντα, ἕως ἦλθον εἰς τὴν οἰκουμένην ἐφάγοσαν τὸ μὰν, ἕως παρεγένοντο εἰς μέρος τῆς Φοινίκης.
35Veertig jaren lang bleven de kinderen Israëls het manna eten, tot zij in bewoonde streken kwamen; zij aten het manna tot ze de grenzen van het land Kanaän hadden bereikt.
36Τὸ δὲ γομὸρ τὸ δέκατον τῶν τριῶν μέτρων ἦν.
36De ómer is het tiende van een efa.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.