Марка
Chapter 12
Kulish and Puluj Bible (…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionVietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Марка 12

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І почав їм приповістями промовляти: Виноградник насадив чоловік, і обгородив тином, і викопав винотоку, й збудував башту, й передав його виноградарям, тай відїхав.
1Toen begon Hij tot hen in parabels te spreken: Een man plantte een wijngaard, omringde hem met een muur, groef er een wijnpers in, en bouwde er een toren op. Daarna verpachtte hij hem aan landbouwers, en vertrok naar het buitenland.
2І післав до виноградарів у пору слугу, щоб у виноградарів узяв овощу винограднього.
2Op de vastgestelde tijd zond hij een knecht naar de landbouwers, om van de landbouwers zijn deel der vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen.
3Вони ж, ухопивши його, били, та й відослали впорожнї.
3Maar ze grepen en sloegen hem, en zonden hem met lege handen heen.
4І знов післав до них иншого слугу, та й на того кидаючи каміннєм, пробили йому голову, й відослали зневаженого.
4Weer stuurde hij hun een anderen knecht; dien sloegen ze op het hoofd, en beledigden hem.
5І знов иншого післав, та й того вбили, й багато инших, одних побили, а других повбивали.
5Nog eens stuurde hij een andere; en hem doodden ze. Zo nog verschillende anderen; den een sloegen ze, den ander doodden ze.
6Ще ж одного сина мавши, любого свого, післав і його до них на останок, говорячи: Що посоромляться сина мого.
6Nu had hij enkel nog zijn geliefden zoon. Ten laatste zond hij ook dezen tot hen, en sprak: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.
7Виноградарі ж тиї казали між собою: Що се наслїдник; ходїмо вбємо його, то й наше буде наслїдство.
7Maar die landbouwers zeiden tot elkander: Dat is de erfgenaam; komt, laten we hem doden, dan zullen wij de erfenis krijgen.
8І, взявши його, вбили, та й викинули геть із виноградника.
8Ze grepen hem vast, doodden hem, en wierpen hem buiten de wijngaard.
9Що ж зробить пан виноградника? Прийде та й вигубить виноградарів, і дасть виноградник иншим.
9Wat zal nu de heer van de wijngaard doen? Hij zal de landbouwers gaan verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven.
10Чи й писання сього не читали: Камінь, що відкинули будівничі, сей став ся головою угла?
10Hebt gij dit Schriftwoord niet gelezen: De steen, die de bouwlieden hebben verworpen, Is de hoeksteen geworden;
11Від Господа стало ся се, й дивне в очах наших.
11De Heer heeft het gedaan: Een wonder is het in onze ogen.
12І шукали Його взяти, та лякались народу; зрозуміли бо, що до них приповість сказав; і зоставивши Його, пійшли.
12Toen zochten ze zich van Hem meester te maken; maar ze vreesden het volk. Want ze begrepen, dat Hij met de parabel hen had bedoeld. Ze lieten Hem met rust, en gingen heen.
13І посилають до Него деяких Фарисеїв та Іродиян, щоб Його піймати словом.
13Daarop zonden ze enige farizeën en herodianen op Hem af, om Hem in zijn eigen woorden te verstrikken.
14Вони ж, прийшовши, кажуть Йому: Учителю, знаємо, що праведний єси, й не дбаєш нї про кого, бо не дивиш ся на лице людей, а на путь Божий правдою наставляєш. Годить ся данину кесареві давати, чи нї? Давати нам, чи не давати?
14Ze kwamen, en zeiden tot Hem: Meester, we weten, dat Gij oprecht zijt, en niemand naar de ogen ziet; want Gij kent geen aanzien des persoons, maar leert naar waarheid de weg van God. Is het geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet; moeten we betalen, of niet?
15Він же, знаючи їх лицемірство, рече їм: Що мене спокушуєте? Принесїть менї денария, щоб я бачив.
15Maar Hij doorzag hun list, en sprak tot hen: Wat stelt gij Mij op de proef? Laat Mij eens een tienling zien.
16Вони ж принесли. І рече їм: Чиє обличчє се й надпис? Вони ж сказали Йому: Кесареве.
16Ze brachten er een. Hij zei hun: Wiens beeld en randschrift is dit? Ze zeiden Hem: Van den keizer.
17І озвавшись Ісус, рече їм: Оддайте кесареве кесареві, а Боже Богові. І дивувались Йому.
17Jesus sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt; en geeft aan God, wat God toekomt. En ze stonden verbaasd over Hem.
18І приходять Садукеї до Него, що кажуть: нема воскресення, та й питали Його, говорячи:
18Ook de sadduceën, die de verrijzenis loochenen, kwamen op Hem af. Ze ondervroegen Hem:
19Учителю, Мойсей написав нам, що, як у кого брат умре та зоставить жінку, а дїтей не зоставить, дак щоб узяв брат його жінку його, й воскресив насїннє братові своєму.
19Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, wanneer iemands broer komt te sterven en een vrouw zonder kinderen achterlaat, zijn broer dan de vrouw moet nemen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.
20Сїм оце братів було; й перший узяв жінку, і вмираючи, не зоставив насїння;
20Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw, en stierf zonder kinderen na te laten.
21і другий узяв її, та й він не зоставив насїння; і третїй також так.
21De tweede nam haar, en stierf; en ook deze liet geen kinderen na. Zo ook de derde,
22І брали її семеро, та й не зоставили насїння; остання з усїх умерла й жінка.
22en alle zeven, zonder kinderen na te laten. Het laatst van allen stierf de vrouw.
23Оце ж у воскресенню, як воскреснуть, которого з них буде жінка? семеро бо мали її за жінку.
23Wien van hen zal zij nu bij de verrijzenis, wanneer ze zullen opstaan, als vrouw toebehoren? Alle zeven hebben haar immers tot vrouw gehad.
24І озвавшись Ісус, рече їм: Чи не того ви помиляєтесь, що не знаєте писання, нї сили Божої?
24Jesus sprak tot hen: Zoudt gij niet in dwaling zijn, omdat gij de Schriften niet kent, en evenmin de kracht van God?
25Коли бо з мертвих устануть, то нї женять ся, нї віддають ся, а будуть як ангели на небесах.
25Want wanneer men opstaat van de doden, dan huwt men niet, noch wordt men gehuwd, maar dan zal men zijn als engelen in de hemel.
26Про мертвих же, що встають, хиба не читали в книзї Мойсейовій, як коло купини промовив до него Бог, глаголючи: Я Бог Авраамів, і Бог Ісааків, і Бог Яковів?
26En wat nu de verrijzenis der doden betreft, hebt gij in het boek van Moses bij het braambosverhaal niet gelezen, hoe God tot hem sprak: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob”?
27Не єсть Бог мертвих, а Бог живих. Ви оце вельми помиляєтесь.
27Hij is toch geen God van doden, maar van levenden. Gij verkeert in grote dwaling.
28І пруступивши один з письменників, почувши їх перепитуваннє, і вбачаючи, що добре їм відповів, спитав Його: Котора перша з усїх заповідь?
28Een der schriftgeleerden hoorde hun woordenwisseling, en kwam naderbij. Daar hij inzag, dat Hij hun goed had geantwoord, vroeg hij Hem: Wat is het allereerste gebod?
29Ісус же відказав йому: Що перша з усїх заповідей: Слухай, Ізраїлю: Господь Бог ваш, Господь один єсть;
29Jesus antwoordde hem: Het eerste is: Hoor Israël; de Heer, onze God, is de énige Heer;
30і: Люби Господа Бога твого всїм серцем твоїм, і всією душею твоєю, і всією думкою твоєю, і всією силою твоєю. Оце перша заповідь.
30gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht.
31А друга подібна, така: Люби ближнього твого як себе самого. Більшої від сих иншої заповіди нема.
31Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Groter dan deze geboden is er geen.
32І каже Йому письменник: Добре, учителю; правду промовив єси, що один єсть Бог, і нема иншого, тільки Він;
32De schriftgeleerde zeide Hem: Juist, Meester, Gij hebt naar waarheid gezegd, dat Hij één is, en dat er geen andere bestaat buiten Hem;
33і що любити Його всїм серцем, і всією думкою, і всією душею, і всією силою, і любити ближнього, як себе самого, се більше нїж усї огняні жертви й посьвяти.
33en dat Hem te beminnen met heel het hart en heel het verstand en met heel de kracht, en den naaste te beminnen als zichzelf, veel beter is dan alle brand- en slachtoffers.
34І вбачаючи Ісус, що він розумно відказав, рече йому: Не далеко єси від царства Божого. І нїхто нїколи не важив ся Його питати.
34Daar Jesus zag, dat hij verstandig geantwoord had, sprak Hij tot hem: Ge zijt niet ver van het koninkrijk Gods. Toen durfde niemand Hem meer ondervragen.
35І озвавшись Ісус, глаголав, навчаючи в церкві: Як се кажуть письменники, що Христос син Давидів?
35Nu nam Jesus het woord, en sprak bij zijn onderricht in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen, dat de Christus de zoon van David is?
36Сам бо Давид промовив Духом сьвятим: „Рече Господь Господеві моєму: Сиди по правицї в мене, доки положу вороги твої підніжком ніг твоїх.‟
36David zelf heeft in den Heiligen Geest gezegd: “De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.”
37Сам оце ж Давид зве його Господем: звідкіля ж він син його? І багато народу слухало Його любо.
37David zelf noemt Hem dus Heer; hoe is Hij dan zijn zoon? En de grote menigte luisterde graag naar Hem.
38І глаголав їм у науцї своїй: Остерегайтесь письменників, що люблять в шатах ходити, та витання на торгах,
38Nog sprak Hij bij zijn onderricht: Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden, in lange gewaden rond te lopen, en op de markt te worden begroet;
39та перші сїдалища по школах, та перші місця на бенкетах;
39die de eerste zetels begeren in de synagogen, en de eerste plaatsen aan de gastmalen;
40що жеруть доми удовиць, і задля виду довго молять ся. Сї приймуть ще тяжчий осуд.
40die het goed der weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden verrichten. Ze zullen des te strenger worden gevonnist.
41І сївши Ісус навпроти скарбони, дививсь, як народ кидає гроші в скарбону. І многі заможні кидали по багато.
41En daar Hij tegenover de offerkist zat, zag Hij, hoe de menigte geld in de offerkist stortte. Een aantal rijken wierpen er veel in:
42І прийшовши одна вдовиця вбога, вкинула дві лепти, чи то шеляг.
42maar er kwam ook een arme weduwe, die er twee penningen, dat is een vierling, in deed.
43І прикликавши учеників своїх, рече їм: Істино глаголю вам: Що вдовиця ся вбога більш усїх укинула, що кидали в скарбону.
43Hij riep zijn leerlingen, en sprak tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gestort dan alle anderen.
44Усї бо з достатку свого кидали, ся ж з недостатку свого: все, що мала, вкинула, увесь прожиток свій.
44Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven, wat ze bezat, haar hele vermogen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.