ΚΑΤΑ ΜΑΡΚΟΝ 12
SBL Greek New TestamentOriginal language
SBL Greek New Testament
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἤρξατο αὐτοῖς ἐν παραβολαῖς ⸀λαλεῖν· Ἀμπελῶνα ⸂ἄνθρωπος ἐφύτευσεν⸃, καὶ περιέθηκεν φραγμὸν καὶ ὤρυξεν ὑπολήνιον καὶ ᾠκοδόμησεν πύργον, καὶ ἐξέδετο αὐτὸν γεωργοῖς, καὶ ἀπεδήμησεν.
1Toen begon Hij tot hen in parabels te spreken: Een man plantte een wijngaard, omringde hem met een muur, groef er een wijnpers in, en bouwde er een toren op. Daarna verpachtte hij hem aan landbouwers, en vertrok naar het buitenland.
2καὶ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς τῷ καιρῷ δοῦλον, ἵνα παρὰ τῶν γεωργῶν λάβῃ ἀπὸ ⸂τῶν καρπῶν⸃ τοῦ ἀμπελῶνος·
2Op de vastgestelde tijd zond hij een knecht naar de landbouwers, om van de landbouwers zijn deel der vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen.
3⸀καὶ λαβόντες αὐτὸν ἔδειραν καὶ ἀπέστειλαν κενόν.
3Maar ze grepen en sloegen hem, en zonden hem met lege handen heen.
4καὶ πάλιν ἀπέστειλεν πρὸς αὐτοὺς ἄλλον δοῦλον· ⸀κἀκεῖνον ⸀ἐκεφαλίωσαν καὶ ⸀ἠτίμασαν.
4Weer stuurde hij hun een anderen knecht; dien sloegen ze op het hoofd, en beledigden hem.
5⸀καὶ ἄλλον ἀπέστειλεν· κἀκεῖνον ἀπέκτειναν, καὶ πολλοὺς ἄλλους, ⸂οὓς μὲν δέροντες οὓς δὲ ἀποκτέννοντες⸃.
5Nog eens stuurde hij een andere; en hem doodden ze. Zo nog verschillende anderen; den een sloegen ze, den ander doodden ze.
6ἔτι ⸂ἕνα εἶχεν, υἱὸν ἀγαπητόν· ἀπέστειλεν⸃ αὐτὸν ⸂ἔσχατον πρὸς αὐτοὺς⸃ λέγων ὅτι Ἐντραπήσονται τὸν υἱόν μου.
6Nu had hij enkel nog zijn geliefden zoon. Ten laatste zond hij ook dezen tot hen, en sprak: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.
7ἐκεῖνοι δὲ οἱ γεωργοὶ ⸂πρὸς ἑαυτοὺς εἶπαν⸃ ὅτι Οὗτός ἐστιν ὁ κληρονόμος· δεῦτε ἀποκτείνωμεν αὐτόν, καὶ ἡμῶν ἔσται ἡ κληρονομία.
7Maar die landbouwers zeiden tot elkander: Dat is de erfgenaam; komt, laten we hem doden, dan zullen wij de erfenis krijgen.
8καὶ λαβόντες ⸂ἀπέκτειναν αὐτόν, καὶ ἐξέβαλον αὐτὸν⸃ ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος.
8Ze grepen hem vast, doodden hem, en wierpen hem buiten de wijngaard.
9⸀τί ποιήσει ὁ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργούς, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις.
9Wat zal nu de heer van de wijngaard doen? Hij zal de landbouwers gaan verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven.
10οὐδὲ τὴν γραφὴν ταύτην ἀνέγνωτε· Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν οἱ οἰκοδομοῦντες, οὗτος ἐγενήθη εἰς κεφαλὴν γωνίας·
10Hebt gij dit Schriftwoord niet gelezen: De steen, die de bouwlieden hebben verworpen, Is de hoeksteen geworden;
11παρὰ κυρίου ἐγένετο αὕτη, καὶ ἔστιν θαυμαστὴ ἐν ὀφθαλμοῖς ἡμῶν;
11De Heer heeft het gedaan: Een wonder is het in onze ogen.
12Καὶ ἐζήτουν αὐτὸν κρατῆσαι, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν ὄχλον, ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς τὴν παραβολὴν εἶπεν. καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον.
12Toen zochten ze zich van Hem meester te maken; maar ze vreesden het volk. Want ze begrepen, dat Hij met de parabel hen had bedoeld. Ze lieten Hem met rust, en gingen heen.
13Καὶ ἀποστέλλουσιν πρὸς αὐτόν τινας τῶν Φαρισαίων καὶ τῶν Ἡρῳδιανῶν ἵνα αὐτὸν ἀγρεύσωσιν λόγῳ.
13Daarop zonden ze enige farizeën en herodianen op Hem af, om Hem in zijn eigen woorden te verstrikken.
14⸀καὶ ἐλθόντες λέγουσιν αὐτῷ· Διδάσκαλε, οἴδαμεν ὅτι ἀληθὴς εἶ καὶ οὐ μέλει σοι περὶ οὐδενός, οὐ γὰρ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων, ἀλλʼ ἐπʼ ἀληθείας τὴν ὁδὸν τοῦ θεοῦ διδάσκεις· ἔξεστιν ⸂δοῦναι κῆνσον Καίσαρι⸃ ἢ οὔ; δῶμεν ἢ μὴ δῶμεν;
14Ze kwamen, en zeiden tot Hem: Meester, we weten, dat Gij oprecht zijt, en niemand naar de ogen ziet; want Gij kent geen aanzien des persoons, maar leert naar waarheid de weg van God. Is het geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet; moeten we betalen, of niet?
15ὁ δὲ εἰδὼς αὐτῶν τὴν ὑπόκρισιν εἶπεν αὐτοῖς· Τί με πειράζετε; φέρετέ μοι δηνάριον ἵνα ἴδω.
15Maar Hij doorzag hun list, en sprak tot hen: Wat stelt gij Mij op de proef? Laat Mij eens een tienling zien.
16οἱ δὲ ἤνεγκαν. καὶ λέγει αὐτοῖς· Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ ἡ ἐπιγραφή; οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ· Καίσαρος.
16Ze brachten er een. Hij zei hun: Wiens beeld en randschrift is dit? Ze zeiden Hem: Van den keizer.
17⸂ὁ δὲ⸃ Ἰησοῦς εἶπεν ⸀αὐτοῖς· ⸂Τὰ Καίσαρος ἀπόδοτε⸃ Καίσαρι καὶ τὰ τοῦ θεοῦ τῷ θεῷ. καὶ ⸀ἐξεθαύμαζον ἐπʼ αὐτῷ.
17Jesus sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt; en geeft aan God, wat God toekomt. En ze stonden verbaasd over Hem.
18Καὶ ἔρχονται Σαδδουκαῖοι πρὸς αὐτόν, οἵτινες λέγουσιν ἀνάστασιν μὴ εἶναι, καὶ ⸀ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες·
18Ook de sadduceën, die de verrijzenis loochenen, kwamen op Hem af. Ze ondervroegen Hem:
19Διδάσκαλε, Μωϋσῆς ἔγραψεν ἡμῖν ὅτι ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ καὶ καταλίπῃ γυναῖκα καὶ ⸂μὴ ἀφῇ τέκνον⸃, ἵνα λάβῃ ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν ⸀γυναῖκα καὶ ἐξαναστήσῃ σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ.
19Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, wanneer iemands broer komt te sterven en een vrouw zonder kinderen achterlaat, zijn broer dan de vrouw moet nemen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.
20ἑπτὰ ἀδελφοὶ ἦσαν· καὶ ὁ πρῶτος ἔλαβεν γυναῖκα, καὶ ἀποθνῄσκων οὐκ ἀφῆκεν σπέρμα·
20Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw, en stierf zonder kinderen na te laten.
21καὶ ὁ δεύτερος ἔλαβεν αὐτήν, καὶ ἀπέθανεν ⸂μὴ καταλιπὼν⸃ σπέρμα, καὶ ὁ τρίτος ὡσαύτως·
21De tweede nam haar, en stierf; en ook deze liet geen kinderen na. Zo ook de derde,
22καὶ ⸂οἱ ἑπτὰ⸃ οὐκ ἀφῆκαν σπέρμα· ⸀ἔσχατον πάντων ⸂καὶ ἡ γυνὴ ἀπέθανεν⸃.
22en alle zeven, zonder kinderen na te laten. Het laatst van allen stierf de vrouw.
23ἐν τῇ ἀναστάσει ⸂ὅταν ἀναστῶσιν⸃ τίνος αὐτῶν ἔσται γυνή; οἱ γὰρ ἑπτὰ ἔσχον αὐτὴν γυναῖκα.
23Wien van hen zal zij nu bij de verrijzenis, wanneer ze zullen opstaan, als vrouw toebehoren? Alle zeven hebben haar immers tot vrouw gehad.
24⸂ἔφη αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς⸃· Οὐ διὰ τοῦτο πλανᾶσθε μὴ εἰδότες τὰς γραφὰς μηδὲ τὴν δύναμιν τοῦ θεοῦ;
24Jesus sprak tot hen: Zoudt gij niet in dwaling zijn, omdat gij de Schriften niet kent, en evenmin de kracht van God?
25ὅταν γὰρ ἐκ νεκρῶν ἀναστῶσιν, οὔτε γαμοῦσιν οὔτε ⸀γαμίζονται, ἀλλʼ εἰσὶν ὡς ⸀ἄγγελοι ἐν τοῖς οὐρανοῖς·
25Want wanneer men opstaat van de doden, dan huwt men niet, noch wordt men gehuwd, maar dan zal men zijn als engelen in de hemel.
26περὶ δὲ τῶν νεκρῶν ὅτι ἐγείρονται οὐκ ἀνέγνωτε ἐν τῇ βίβλῳ Μωϋσέως ἐπὶ τοῦ βάτου ⸀πῶς εἶπεν αὐτῷ ὁ θεὸς λέγων· Ἐγὼ ὁ θεὸς Ἀβραὰμ καὶ ⸂ὁ θεὸς Ἰσαὰκ καὶ ὁ⸃ θεὸς Ἰακώβ;
26En wat nu de verrijzenis der doden betreft, hebt gij in het boek van Moses bij het braambosverhaal niet gelezen, hoe God tot hem sprak: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob”?
27οὐκ ἔστιν ⸀θεὸς νεκρῶν ⸀ἀλλὰ ζώντων· ⸀πολὺ πλανᾶσθε.
27Hij is toch geen God van doden, maar van levenden. Gij verkeert in grote dwaling.
28Καὶ προσελθὼν εἷς τῶν γραμματέων ἀκούσας αὐτῶν συζητούντων, ⸀ἰδὼν ὅτι καλῶς ⸂ἀπεκρίθη αὐτοῖς⸃, ἐπηρώτησεν αὐτόν· Ποία ἐστὶν ⸂ἐντολὴ πρώτη πάντων⸃;
28Een der schriftgeleerden hoorde hun woordenwisseling, en kwam naderbij. Daar hij inzag, dat Hij hun goed had geantwoord, vroeg hij Hem: Wat is het allereerste gebod?
29⸂ἀπεκρίθη ὁ Ἰησοῦς⸃ ὅτι Πρώτη ⸀ἐστίν· Ἄκουε, Ἰσραήλ, κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν κύριος εἷς ἐστιν,
29Jesus antwoordde hem: Het eerste is: Hoor Israël; de Heer, onze God, is de énige Heer;
30καὶ ἀγαπήσεις κύριον τὸν θεόν σου ἐξ ὅλης ⸀τῆς καρδίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς διανοίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος ⸀σου.
30gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht.
31⸀δευτέρα αὕτη· Ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν. μείζων τούτων ἄλλη ἐντολὴ οὐκ ἔστιν.
31Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Groter dan deze geboden is er geen.
32⸀καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ γραμματεύς· Καλῶς, διδάσκαλε, ἐπʼ ἀληθείας εἶπες ὅτι εἷς ἐστιν καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος πλὴν αὐτοῦ·
32De schriftgeleerde zeide Hem: Juist, Meester, Gij hebt naar waarheid gezegd, dat Hij één is, en dat er geen andere bestaat buiten Hem;
33καὶ τὸ ἀγαπᾶν αὐτὸν ἐξ ὅλης ⸀τῆς καρδίας καὶ ἐξ ὅλης τῆς ⸀συνέσεως καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος καὶ τὸ ἀγαπᾶν τὸν πλησίον ὡς ἑαυτὸν ⸀περισσότερόν ἐστιν πάντων τῶν ὁλοκαυτωμάτων καὶ θυσιῶν.
33en dat Hem te beminnen met heel het hart en heel het verstand en met heel de kracht, en den naaste te beminnen als zichzelf, veel beter is dan alle brand- en slachtoffers.
34καὶ ὁ Ἰησοῦς ἰδὼν ⸀αὐτὸν ὅτι νουνεχῶς ἀπεκρίθη εἶπεν αὐτῷ· Οὐ μακρὰν εἶ ἀπὸ τῆς βασιλείας τοῦ θεοῦ. καὶ οὐδεὶς οὐκέτι ἐτόλμα αὐτὸν ἐπερωτῆσαι.
34Daar Jesus zag, dat hij verstandig geantwoord had, sprak Hij tot hem: Ge zijt niet ver van het koninkrijk Gods. Toen durfde niemand Hem meer ondervragen.
35Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς ἔλεγεν διδάσκων ἐν τῷ ἱερῷ· Πῶς λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι ὁ χριστὸς υἱὸς ⸂Δαυίδ ἐστιν⸃;
35Nu nam Jesus het woord, en sprak bij zijn onderricht in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen, dat de Christus de zoon van David is?
36⸀αὐτὸς Δαυὶδ εἶπεν ἐν ⸂τῷ πνεύματι τῷ⸃ ἁγίῳ· ⸀Εἶπεν ⸀κύριος τῷ κυρίῳ μου· ⸀Κάθου ἐκ δεξιῶν μου ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ⸀ὑποκάτω τῶν ποδῶν σου.
36David zelf heeft in den Heiligen Geest gezegd: “De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.”
37⸀αὐτὸς Δαυὶδ λέγει αὐτὸν κύριον, καὶ πόθεν ⸂αὐτοῦ ἐστιν υἱός⸃; καὶ ὁ πολὺς ὄχλος ἤκουεν αὐτοῦ ἡδέως.
37David zelf noemt Hem dus Heer; hoe is Hij dan zijn zoon? En de grote menigte luisterde graag naar Hem.
38Καὶ ⸂ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ ἔλεγεν⸃· Βλέπετε ἀπὸ τῶν γραμματέων τῶν θελόντων ἐν στολαῖς περιπατεῖν καὶ ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς
38Nog sprak Hij bij zijn onderricht: Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden, in lange gewaden rond te lopen, en op de markt te worden begroet;
39καὶ πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς καὶ πρωτοκλισίας ἐν τοῖς δείπνοις,
39die de eerste zetels begeren in de synagogen, en de eerste plaatsen aan de gastmalen;
40οἱ κατεσθίοντες τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν καὶ προφάσει μακρὰ προσευχόμενοι· οὗτοι λήμψονται περισσότερον κρίμα.
40die het goed der weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden verrichten. Ze zullen des te strenger worden gevonnist.
41Καὶ ⸀καθίσας ⸀κατέναντι τοῦ γαζοφυλακίου ἐθεώρει πῶς ὁ ὄχλος βάλλει χαλκὸν εἰς τὸ γαζοφυλάκιον· καὶ πολλοὶ πλούσιοι ἔβαλλον πολλά·
41En daar Hij tegenover de offerkist zat, zag Hij, hoe de menigte geld in de offerkist stortte. Een aantal rijken wierpen er veel in:
42καὶ ἐλθοῦσα μία χήρα πτωχὴ ἔβαλεν λεπτὰ δύο, ὅ ἐστιν κοδράντης.
42maar er kwam ook een arme weduwe, die er twee penningen, dat is een vierling, in deed.
43καὶ προσκαλεσάμενος τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ⸀εἶπεν αὐτοῖς· Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ἡ χήρα αὕτη ἡ πτωχὴ πλεῖον πάντων ⸀ἔβαλεν τῶν βαλλόντων εἰς τὸ γαζοφυλάκιον·
43Hij riep zijn leerlingen, en sprak tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gestort dan alle anderen.
44πάντες γὰρ ἐκ τοῦ περισσεύοντος αὐτοῖς ἔβαλον, αὕτη δὲ ἐκ τῆς ὑστερήσεως αὐτῆς πάντα ὅσα εἶχεν ἔβαλεν, ὅλον τὸν βίον αὐτῆς.
44Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven, wat ze bezat, haar hele vermogen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.