3 Мойсея 7
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1А се закон про жертву за провину; велика се сьвятощ.
1Dit is de wet op het schuldoffer: het is hoogheilig.
2На тому місцї, де заколюють жертву всепалення, треба заколювати жертву за провину; і крові з неї треба набризкати на жертівник з усїх боків.
2Op de plaats, waar men het brandoffer slacht, moet men ook het schuldoffer slachten; en de priester moet het altaar aan alle kanten met zijn bloed besprenkelen.
3І ввесь жир треба приносити від неї, курдюк і жир, що вкриває тельбухи.
3Alle vetdelen ervan moet hij offeren: het staartvet met het vet, dat de ingewanden bedekt;
4І обидві нирки, й жир, що на них, що на боках, і сальник, що на печінцї: з нирками треба віддїляти його.
4de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit; de kwab aan de lever, die met de nieren moet worden weggenomen.
5І воскурить їх сьвященник на жертівнику як огняну жертву Господеві: се жертва за провину.
5De priester moet het op het altaar in rook doen opgaan als een vuuroffer voor Jahweh; het is een schuldoffer.
6Увесь музький пол у сьвященників їсти ме її; на сьвятому місцї треба їсти її: се велика сьвятощ.
6Alle mannen onder de priesters mogen het eten; op een heilige plaats moet het worden genuttigd; want het is hoogheilig.
7Як про жертву за гріх, так і про жертву за провину закон один. Котрий сьвященник покутує нею гріх, тому вона буде.
7Voor het zonde(-) en het schuldoffer geldt dezelfde wet; het zal den priester behoren, die er de verzoeningsplechtigheid mee verricht.
8І котрий сьвященник приносити ме чию жертву всепалення, кожа з усепалення, що принесе він, буде йому, сьвященникові.
8Ook de huid van iemands brandoffer is voor den priester, die het opdraagt.
9І всякий хлїбний дар, що спечено в печі, й усе зготовлене в горшку і пряжене на сковородї: сьвященникові, що його приносить, йому воно буде.
9Elk spijsoffer, dat in de oven is gebakken of in een pot of pan is bereid, komt den priester toe, die het opdraagt.
10І всякий хлїбний дар, змішаний з олїєю або сухий, про всї сини Аронові буде, як про одного так і про другого.
10Maar op alle andere spijsoffers, hetzij ze met olie zijn gemengd of droog zijn, hebben alle zonen van Aäron evenveel recht.
11А се закон про жертву мирну, що приносять Господеві:
11Dit is de wet op de vredeoffers, die men aan Jahweh opdraagt.
12Коли як подяку приносить її хто, так треба принести з жертвою подячною коржі прісні, замішані на олїї, та ладки прісні, помащені олїєю, і муку пшеничну, замішану на олїї: балабушки политі олїєю.
12Wanneer iemand zijn gave uit dankbaarheid brengt, moet hij bij het dankoffer ongedesemde koeken voegen, gemengd met olie, ongedesemde vlaas met olie bestreken, en meelbloem met olie aangemaakt.
13Опріч коржів з квашеного хлїба приносити мусить свій дар, вкупі з своєю жертвою подячною мирною.
13Bij zijn vredeoffer uit dankbaarheid moet hij koeken van gedesemd brood als offergave voegen.
14І приносити мусить він одно з усього того дару як жертвоприношеннє Господеві; се буде сьвященникові, що бризкає кров мирної жертви, йому воно буде.
14Van al deze soorten van offergaven moet hij Jahweh één stuk als hefoffer brengen; het zal voor den priester zijn, die het bloed van het vredeoffer sprenkelt.
15І мясиво з жертви подячної, мирної, його треба їсти в день приносин; не зоставить нїчого до ранку з його.
15Het vlees van zijn vredeoffer uit dankbaarheid gebracht moet op de dag, dat het geofferd wordt, worden gegeten; niets daarvan mag tot de volgende morgen worden bewaard.
16А коли приніс його буде обітниця чи добровільна жертва, так того ж дня треба їсти його, а останок треба завтрішнього дня поїсти;
16Wanneer iemand een slachtoffer als geloftegave of als vrijwillige gave brengt, dan moet wel het slachtoffer op de dag van de offerande worden genuttigd; maar wat overblijft mag ook de volgende dag nog worden gegeten;
17Що ж останеться з мясива жертви на третїй день, треба спалити на огнї.
17wat op de derde dag nog over is van het offervlees, moet in het vuur worden verbrand.
18А коли їсти муть мясиво з жертви мирної на третїй день, не прийметься вона і нї за що поставиться тому, хто принїс її: гидота буде; і душа, що їла її, візьме на себе гріх.
18Wanneer op de derde dag nog van het vlees van het vredeoffer wordt gegeten, komt het hem, die het heeft gebracht, niet ten goede, en wordt het hem niet toegerekend; integendeel dan is het onrein, en iedereen, die ervan eet, belaadt zich met schuld.
19Мясива ж того, до котрого доторкнеться що нечистого, не треба їсти, на огнї нехай згорить воно. Що ж до чистого мясива, то кожен чистий може їсти його.
19Ook als het vlees met iets onreins in aanraking komt, mag het niet meer worden gegeten, maar moet het worden verbrand. Iedereen, die rein is, mag het vlees van het vredeoffer eten.
20А душа, що зʼїла мясива від жертви мирної, що буде Господеві, і бувши сама нечистою, викорениться душа та зміж людей своїх.
20Maar iedereen, die het vlees van het vredeoffer van Jahweh eet, terwijl hij onrein is, zal van zijn volk worden afgesneden.
21І коли душа доторкнеться до чого нечистого, до нечистоти людської, чи до нечистої скотини, чи до нечистої огиди, та й попоїсть мясива з жертви мирної, ся душа викорениться зміж людей своїх.
21Eveneens zal iedereen, die iets onreins heeft aangeraakt, iets onreins van een mens of onrein vee of welk onrein gedierte ook, en die toch van het vlees van het vredeoffer van Jahweh eet, van zijn volk worden afgesneden.
22І рече Господь Мойсейові:
22Jahweh sprak tot Moses:
23Промов до синів Ізрайлевих і скажи: Нїякого туку товарини, чи з овечок і кіз, не їсти мете.
23Zeg aan de Israëlieten: Het vet van een rund, van een schaap of geit moogt ge niet eten;
24Тук із стерва і тук з того, що зьвір роздере, можна вам брати на потріб в усякій роботї, а їсти зовсїм вам не можна.
24het vet van een gestorven of verscheurd dier mag voor alles worden gebruikt, maar ge moogt het niet eten.
25Всяка бо душа, що їсть тук із скотини, котру приносять в огняну жертву Господеві, викорениться зміж людей своїх.
25Want iedereen, die het vet van runderen eet, die men als vuuroffers aan Jahweh kan brengen, zal van zijn volk worden afgesneden.
26І нїякої крові не їсти мете по всїх осадах ваших, чи з птаства чи із скотини.
26Waar ge ook woont, nooit moogt ge bloed nuttigen, noch van vogels noch van viervoetige dieren;
27Всяка душа, що попоїсть якої крові, тая душа викорениться зміж людей своїх.
27iedereen, die bloed nuttigt, van welk beest ook, zal van zijn volk worden afgesneden.
28І рече Господь Мойсейові:
28Jahweh sprak tot Moses:
29Промов до синів Ізрайлевих і скажи: Хто приносить жертву мирну свою, мусить подати Господеві свій дар від жертви мирної своєї.
29Zeg aan de Israëlieten: Wie Jahweh een vredeoffer brengt, moet zelf zijn gave van dat vredeoffer Jahweh opdragen.
30Рука його подасть огняну жертву Господеві; тук з погруддєм мусить подати: погруддє, щоб принести його як жертву гойдану перед Господом.
30Met eigen handen moet hij de vuuroffers van Jahweh, het vet met de borst opdragen; de borst om ze als strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aan te bieden,
31І воскурить сьвященник тук на жертівнику, а погруддє буде Аронові й синам його.
31terwijl de priester het vet op het altaar in rook moet doen opgaan. De borst valt dan Aäron en zijn zonen ten deel.
32А лопатку праву вашої жертви мирної оддавати мете як дар гойданий сьвященникові.
32De rechterschenkel van uw vredeoffer moet ge als hefoffer aan den priester geven.
33Которий зміж синів Аронових приносить кров із мирної жертви і тук, тому буде лопатка права як пай.
33Wie van Aärons zonen het bloed en het vet van het vredeoffer heeft opgedragen, ontvangt de rechterschenkel als zijn deel.
34Погруддє бо гойданої жертви і лопатку жертвоприношення взяв я у синів Ізрайлевих від мирних жертов їх, та й оддав їх Аронові сьвященникові і синам його як вічну пайку їх від синів Ізрайлевих.
34Want de borst, die als strekoffer en de schenkel, die als hefoffer wordt gebracht, neem Ik van het vredeoffer der Israëlieten af, om ze den priester Aäron en zijn zonen te geven als het deel, dat de Israëlieten hun steeds moeten afstaan.
35Се пай мировання Аронові і пай мировання синам його від огняних жертов Господнїх, призначений їм з того дня, як допущено їх сьвященниками до служби Господеві,
35Dit is dus het deel van Jahweh’s vuuroffers, dat Jahweh voor Aäron en zijn zonen heeft bestemd op de dag, dat Hij hen deed aantreden, om zijn priesters te zijn,
36Котрого заповідав Господь синам Ізрайлевим давати їм того дня, як помазано їх: Установа віковічня в роди ваші.
36en dat, zoals Jahweh op de dag van hun zalving bevolen heeft, de Israëlieten aan hen moeten afstaan. Het is een eeuwig geldend recht voor hun nageslacht.
37Се закон про жертву огняну, хлїбну і про жертву за гріх і про жертву за провину, і про жертву благальну і жертву мирну,
37Dit is dus de wet op de brand(-) en spijsoffers, op de zonde(-) en schuldoffers, op de wijdings(-) en vredeoffers,
38Що заповідав Господь Мойсейові на Синай горі того дня, як велїв синам Ізрайлевим приносити дари Господеві, в степу Синай.
38die Jahweh op de berg Sinaï aan Moses heeft voorgeschreven op de dag, dat Hij hem beval, dat de kinderen Israëls in de woestijn van de Sinaï hun offergaven aan Jahweh zouden brengen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.