Jozua 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Het tweede lot viel voor Simeon, voor de families van de stam der Simeonieten. Hun erfdeel lag midden tussen dat der Judeërs.
1Et egressa est sors secunda filiorum Simeon per cognationes suas: fuitque hæreditas
2In hun erfdeel hadden ze: Beër-Sjéba, Molada,
2eorum in medio possessionis filiorum Juda: Bersabee et Sabee et Molada
3Chasar-Sjoeal, Bala, Ésem,
3et Hasersual, Bala et Asem
4Eltolad, Betoel, Chorma,
4et Eltholad, Bethul et Harma
5Sikelag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Soesa,
5et Siceleg et Bethmarchaboth et Hasersusa
6Bet-Lebaot en Sjaroechen; dertien steden met haar dorpen.
6et Bethlebaoth et Sarohen: civitates tredecim, et villæ earum.
7En-Rimmon, Tóken, Éter en Asjan; vier steden met haar dorpen.
7Ain et Remmon et Athar et Asan: civitates quatuor, et villæ earum:
8Ook alle dorpen rondom deze steden, tot Baälat-Beër, het Rama van de Négeb. Dit was het erfdeel van de families van de stam der Simeonieten.
8omnes viculi per circuitum urbium istarum usque ad Baalath Beer Ramath contra australem plagam. Hæc est hæreditas filiorum Simeon juxta cognationes suas,
9Het aandeel der Simeonieten werd van het stuk der Judeërs genomen; want het stuk der Judeërs was voor hen te groot; daarom kregen de Simeonieten een erfdeel in het hunne.
9in possessione et funiculo filiorum Juda: quia major erat, et idcirco filii Simeon possederunt in medio hæreditatis eorum.
10Het derde lot viel voor de families der Zabulonieten. De grens van hun erfdeel reikte tot Sarid.
10Ceciditque sors tertia filiorum Zabulon per cognationes suas: factus est terminus possessionis eorum usque Sarid.
11Ze liep in westelijke richting op naar Marala, raakte Dabbésjet en vervolgens de rivier tegenover Jokneam.
11Ascenditque de mari et Merala, et pervenit in Debbaseth, usque ad torrentem qui est contra Jeconam.
12Van Sarid liep ze oostwaarts terug naar het gebied van Kislot-Tabor, kwam uit bij Daberat, en ging verder opwaarts naar Jafia.
12Et revertitur de Sared contra orientem in fines Ceseleththabor: et egreditur ad Dabereth, ascenditque contra Japhie.
13Vandaar liep ze oostwaarts over Gat-Chéfer naar Et-Kasin, en kwam uit bij Rimmon. Dan boog ze om naar Nea,
13Et inde pertransit usque ad orientalem plagam Gethepher et Thacasin: et egreditur in Remmon, Amthar et Noa.
14liep langs het noorden daaromheen naar Channaton, om te eindigen in het dal van Jiftach-El.
14Et circuit ad aquilonem Hanathon: suntque egressus ejus vallis Jephthaël,
15Kattat, Nahalal, Sjimron, Jidala en Betlehem; twaalf steden met haar dorpen.
15et Cateth et Naalol et Semeron et Jerala et Bethlehem: civitates duodecim, et villæ earum.
16Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families der Zabulonieten.
16Hæc est hæreditas tribus filiorum Zabulon per cognationes suas, urbes et viculi earum.
17Het vierde lot viel voor Issakar, voor de families der Issakarieten.
17Issachar egressa est sors quarta per cognationes suas:
18Hun gebied omvatte: Jizreël, Kesoellot, Sjoenem,
18fuitque ejus hæreditas Jezraël et Casaloth et Sunem
19Chafaráim, Sjion, Anacharat,
19et Hapharaim et Seon, et Anaharath
20Rabbit, Kisjjon, Ébes,
20et Rabboth et Cesion, Abes,
21Rémet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes.
21et Rameth, et Engannim, et Enhadda et Bethpheses.
22De grens raakte Tabor, Sjachasima en Bet-Sjémesj, en eindigde bij de Jordaan; zestien steden met haar dorpen.
22Et pervenit terminus ejus usque Thabor et Sehesima et Bethsames, eruntque exitus ejus Jordanis: civitates sedecim, et villæ earum.
23Die steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Issakarieten.
23Hæc est possessio filiorum Issachar per cognationes suas, urbes et viculi earum.
24Het vijfde lot viel voor de families van de stam der Aserieten.
24Ceciditque sors quinta tribui filiorum Aser per cognationes suas:
25Hun grens liep over Chelkat, Chali, Béten, Aksjaf,
25fuitque terminus eorum Halcath et Chali et Beten et Axaph
26Alammélek, Amad, Misjal, en raakte in het westen de Karmel en de stroom Libnat.
26et Elmelech et Amaad et Messal: et pervenit usque ad Carmelum maris et Sihor et Labanath,
27Dan liep ze terug in oostelijke richting naar Bet-Dagon, raakte Zabulon en het dal van Jiftach-El in het noorden, ging verder naar Bet-Haémek en Neïél, en kwam ten noorden van Kaboel uit.
27ac revertitur contra orientem Bethdagon: et pertransit usque Zabulon et vallem Jephthaël contra aquilonem in Bethemec et Nehiel. Egrediturque ad lævam Cabul,
28Vervolgens liep ze naar Ebron, Rechob, Chammon en Kana, tot Groot-Sidon.
28et Abran et Rohob et Hamon et Cana, usque ad Sidonem magnam.
29Daarna liep de grens terug tot Rama en tot de versterkte stad Tyrus, en verder naar Chosa, om te eindigen aan de zee, aan de kust bij Akziba.
29Revertiturque in Horma usque ad civitatem munitissimam Tyrum, et usque Hosa: eruntque exitus ejus in mare de funiculo Achziba:
30Ook Oemma, Afek en Rechob behoorden er toe; twee en twintig steden met haar dorpen.
30et Amma et Aphec et Rohob: civitates viginti duæ, et villæ earum.
31Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Aserieten.
31Hæc est possessio filiorum Aser per cognationes suas, urbesque et viculi earum.
32Het zesde lot viel voor de Neftalieten, voor de families der Neftalieten.
32Filiorum Nephthali sexta sors cecidit per familias suas:
33Hun grens liep van Chélef, van de eik van Saänannim, en over Adami-Hannékeb en Jabneël tot Lakkoem, en eindigde bij de Jordaan.
33et cœpit terminus de Heleph et Elon in Saananim, et Adami, quæ est Neceb, et Jebnaël usque Lecum: et egressus eorum usque ad Jordanem:
34Dan liep ze in westelijke richting terug naar Aznot-Yabor, en kwam vandaar bij Choekkok uit. Ze raakte aan Zabulon in het zuiden, aan Aser in het westen, en aan de Jordaan in het oosten.
34revertiturque terminus contra occidentem in Azanotthabor, atque inde egreditur in Hucuca, et pertransit in Zabulon contra meridiem, et in Aser contra occidentem, et in Juda ad Jordanem contra ortum solis:
35Versterkte steden waren: Hassiddim, Ser, Chammat, Rakkat, Gennezaret,
35civitates munitissimæ, Assedim, Ser, et Emath, et Reccath et Cenereth,
36Adama, Rama, Chasor,
36et Edema et Arama, Asor
37Kédesj, Edréi, En-Chasor,
37et Cedes et Edrai, Enhasor,
38Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Sjémesj; negentien steden met haar dorpen.
38et Jeron et Magdalel, Horem et Bethanath et Bethsames: civitates decem et novem, et villæ earum.
39Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Neftalieten.
39Hæc est possessio tribus filiorum Nephthali per cognationes suas, urbes et viculi earum.
40Het zevende lot viel voor de families van de stam der Danieten.
40Tribui filiorum Dan per familias suas egressa est sors septima:
41De grens van hun erfdeel liep over Sora, Esjtaol, Ir-Sjémesj,
41et fuit terminus possessionis ejus Sara et Esthaol, et Hirsemes, id est, civitas solis.
42Sjaälabbin, Ajjalon, Jitla,
42Selebin et Ajalon et Jethela,
43Elon, Timnata, Ekron,
43Elon et Themna et Acron,
44Elteke, Gibton, Baälat, Jehoed,
44Elthece, Gebbethon et Balaath,
45Bene-Berak, Gat-Rimmon,
45et Jud et Bane et Barach et Gethremmon:
46Me-Hajjarkon en Harakkon, met inbegrip van het gebied tegenover Joppe.
46et Mejarcon et Arecon, cum termino qui respicit Joppen,
47Maar toen het gebied der Danieten te eng voor hen werd, trokken ze op, vielen Lésjem aan, namen het in, en joegen het over de kling. Ze namen het in bezit, gingen er wonen, en gaven aan Lésjem de naam Dan, zoals hun vader heette.
47et ipso fine concluditur. Ascenderuntque filii Dan, et pugnaverunt contra Lesem, ceperuntque eam: et percusserunt eam in ore gladii, et possederunt, et habitaverunt in ea, vocantes nomen ejus Lesem Dan, ex nomine Dan patris sui.
48Deze steden met haar dorpen vormden het erfdeel van de families van de stam der Danieten.
48Hæc est possessio tribus filiorum Dan, per cognationes suas, urbes et viculi earum.
49Toen de Israëlieten de verschillende gebieden van het land als erfdeel hadden verdeeld, bepaalden zij in hun midden een erfdeel voor Josuë, den zoon van Noen.
49Cumque complesset sorte dividere terram singulis per tribus suas, dederunt filii Israël possessionem Josue filio Nun in medio sui,
50Op Jahweh’s bevel gaven ze hem de stad, waarom hij verzocht had, Timnat-Sérach in het bergland van Efraïm. Hij versterkte die stad, en vestigde er zich.
50juxta præceptum Domini, urbem quam postulavit Thamnath Saraa in monte Ephraim: et ædificavit civitatem, habitavitque in ea.
51Dit zijn dan de erfdelen, die de priester Elazar en Josuë, de zoon van Noen, met de familiehoofden aan de stammen der Israëlieten door het lot hebben toegewezen te Sjilo voor het aanschijn van Jahweh, aan de ingang van de openbaringstent. En zo kwamen ze gereed met de verdeling van het land.
51Hæ sunt possessiones, quas sorte diviserunt Eleazar sacerdos, et Josue filius Nun, et principes familiarum ac tribuum filiorum Israël in Silo, coram Domino ad ostium tabernaculi testimonii: partitique sunt terram.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.