Jozua 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nu verschenen de familiehoofden der Levieten bij den priester Elazar, bij Josuë, den zoon van Noen, en bij de familiehoofden van de israëlietische stammen te Sjilo in het land Kanaän,
1Accesseruntque principes familiarum Levi ad Eleazarum sacerdotem, et Josue filium Nun, et ad duces cognationum per singulas tribus filiorum Israël:
2en spraken tot hen: Jahweh heeft door Moses bevolen, ons steden te geven, om er te wonen, met bijbehorende weidegrond voor ons vee.
2locutique sunt ad eos in Silo terræ Chanaan, atque dixerunt: Dominus præcepit per manum Moysi, ut darentur nobis urbes ad habitandum, et suburbana earum ad alenda jumenta.
3Daarom gaven de Israëlieten naar Jahweh’s bevel de volgende steden met haar weidegronden aan de Levieten.
3Dederuntque filii Israël de possessionibus suis juxta imperium Domini, civitates et suburbana earum.
4Het lot viel het eerst voor de families der Kehatieten. De zonen van Aäron, den levietischen priester, kregen door loting dertien steden uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin,
4Egressaque est sors in familiam Caath filiorum Aaron sacerdotis, de tribubus Juda, et Simeon, et Benjamin, civitates tredecim:
5terwijl de overige families der Kehatieten door het lot tien steden ontvingen uit de stammen Efraïm, Dan en de halve stam van Manasse.
5et reliquis filiorum Caath, id est Levitis, qui superfuerant, de tribubus Ephraim, et Dan, et dimidia tribu Manasse, civitates decem.
6De Gersjonieten kregen door het lot dertien steden uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en de halve stam van Manasse in Basjan.
6Porro filii Gerson egressa est sors, ut acciperent de tribubus Issachar et Aser et Nephthali, dimidiaque tribu Manasse in Basan, civitates numero tredecim.
7De families der Merarieten kregen twaalf steden uit de stammen Ruben, Gad en Zabulon.
7Et filiis Merari per cognationes suas de tribubus Ruben et Gad et Zabulon urbes duodecim.
8Dit zijn de steden met haar weidegronden, welke de Israëlieten door het lot aan de Levieten afstonden, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
8Dederuntque filii Israël Levitis civitates et suburbana earum, sicut præcepit Dominus per manum Moysi, singulis sorte tribuentes.
9Uit de stammen van de Judeërs en Simeonieten gaven ze de volgende, met name genoemde steden:
9De tribubus filiorum Juda et Simeon dedit Josue civitates, quarum ista sunt nomina,
10Aan de Aäronieten, een van de geslachten der Kehatieten, die tot de Levieten behoorden,
10filiis Aaron per familias Caath Levitici generis (prima enim sors illis egressa est),
11en voor wie het eerste lot was gevallen, gaven ze: Kirjat-Arba of Hebron (deze Arba is de vader van Anak) in het judese bergland met zijn omliggende weidegronden.
11Cariatharbe patris Enac, quæ vocatur Hebron, in monte Juda, et suburbana ejus per circuitum.
12Het akkerland van die stad en haar dorpen hadden ze reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne. in eigendom gegeven;
12Agros vero et villas ejus dederat Caleb filio Jephone ad possidendum.
13aan de zonen van den priester Aäron gaven ze dus Hebron, de vrijstad voor den moordenaar, met haar weidegronden. Daarenboven Libna,
13Dedit ergo filiis Aaron sacerdotis Hebron confugii civitatem, ac suburbana ejus: et Lobnam cum suburbanis suis:
14Jattir, Esjtemóa,
14et Jether, et Esthemo,
15Cholon, Debir,
15et Holon, et Dabir,
16Ain, Joetta, Bet-Sjémesj; te zamen negen steden uit deze beide stammen, allen met bijbehorende weidegronden.
16et Ain, et Jeta, et Bethsames, cum suburbanis suis: civitates novem de tribubus, ut dictum est, duabus.
17Uit de stam Benjamin: Gibon, Géba,
17De tribu autem filiorum Benjamin, Gabaon, et Gabæ,
18Anatot, Almon, elk met zijn weidegronden; vier steden.
18et Anathoth et Almon, cum suburbanis suis: civitates quatuor.
19In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden voor de aäronietische priesters.
19Omnes simul civitates filiorum Aaron sacerdotis, tredecim, cum suburbanis suis.
20Ook de overige levietische families der Kehatieten, de overige zonen van Kehat, kregen de hun door het lot toegewezen steden. Uit de stam Efraïm
20Reliquis vero per familias filiorum Caath Levitici generis, hæc est data possessio.
21gaf men hun Sikem, de vrijstad voor den moordenaar, in het bergland van Efraïm, met Gézer,
21De tribu Ephraim urbes confugii, Sichem cum suburbanis suis in monte Ephraim, et Gazer
22Kibsáim en Bet-Choron met bijbehorende weidegronden; vier steden.
22et Cibsaim et Beth-horon, cum suburbanis suis, civitates quatuor.
23Uit de stam Dan: Elteke, Gibton,
23De tribu quoque Dan, Eltheco et Gabathon,
24Ajjalon en Gat-Rimmon met hun weidegronden; vier steden.
24et Ajalon et Gethremmon, cum suburbanis suis, civitates quatuor.
25Uit de halve stam van Manasse: Taänak en Jibleam met hun weidegronden; twee steden.
25Porro de dimidia tribu Manasse, Thanach et Gethremmon, cum suburbanis suis, civitates duæ.
26In het geheel dus tien steden met haar weidegronden voor de families van de overige Kehatieten.
26Omnes civitates decem, et suburbana earum, datæ sunt filiis Caath inferioris gradus.
27De Gersjonieten, een ander geslacht der Levieten, kregen uit de halve stam van Manasse: Golan, de vrijstad voor den moordenaar in Basjan, met Beësjtera en hun weidegronden; twee steden.
27Filiis quoque Gerson Levitici generis dedit de dimidia tribu Manasse confugii civitates, Gaulon in Basan, et Bosram, cum suburbanis suis, civitates duas.
28Uit de stam Issakar: Kisjon, Daberat,
28Porro de tribu Issachar, Cesion, et Dabereth,
29Jarmoet en En-Gannim, elk met zijn weidegronden; vier steden.
29et Jaramoth, et Engannim, cum suburbanis suis, civitates quatuor.
30Uit de stam Aser: Misjal, Abdon,
30De tribu autem Aser, Masal et Abdon,
31Chelkat en Rechob met hun weidegronden; vier steden.
31et Helcath, et Rohob, cum suburbanis suis, civitates quatuor.
32Uit de stam Neftali: Kédesj, de vrijstad voor den moordenaar in Galilea, met Chammot-Dor en Kartan en hun bijbehorende weidegronden; drie steden.
32De tribu quoque Nephthali civitates confugii, Cedes in Galilæa, et Hammoth Dor, et Carthan, cum suburbanis suis, civitates tres.
33In het geheel dus dertien steden, met haar bijbehorende weidegronden voor de families der Gersjonieten.
33Omnes urbes familiarum Gerson, tredecim, cum suburbanis suis.
34De families der Merarieten, de overige Levieten, kregen uit de stam Zabulon: Jokneam, Karta,
34Filiis autem Merari Levitis inferioris gradus per familias suas data est de tribu Zabulon, Jecnam, et Cartha
35Dimna en Nahalal, met bijbehorende weidegronden; vier steden.
35et Damna et Naalol, civitates quatuor cum suburbanis suis.
36Uit de stam Ruben: Béser, Jáhas,
36De tribu Ruben ultra Jordanem contra Jericho civitates refugii, Bosor in solitudine, Misor et Jaser et Jethson et Mephaath, civitates quatuor cum suburbanis suis.
37Kedemot en Mefáat, met hun weidegronden; vier steden.
37De tribu Gad civitates confugii, Ramoth in Galaad, et Manaim et Hesebon et Jazer, civitates quatuor cum suburbanis suis.
38Uit de stam Gad: Ramot, de vrijstad voor den moordenaar in Gilad, met Machanáim,
38Omnes urbes filiorum Merari per familias et cognationes suas, duodecim.
39Chesjbon en Jazer, met hun weidegronden; vier steden.
39Itaque civitates universæ Levitarum in medio possessionis filiorum Israël fuerunt quadraginta octo
40In het geheel dus twaalf steden volgens lot voor de overblijvende levietische families der Merarieten.
40cum suburbanis suis, singulæ per familias distributæ.
41Alles tezamen waren er dus te midden van de bezittingen der Israëlieten acht en veertig Levieten-steden met bijbehorende weidegronden.
41Deditque Dominus Deus Israëli omnem terram, quam traditurum se patribus eorum juraverat: et possederunt illam, atque habitaverunt in ea.
42Die steden bestonden telkens uit een stad met weidegrond er om heen; dit geldt voor al die steden.
42Dataque est ab eo pax in omnes per circuitum nationes: nullusque eis hostium resistere ausus est, sed cuncti in eorum ditionem redacti sunt.
43Zo gaf Jahweh aan Israël het gehele land, dat Hij hun vaderen gezworen had te zullen geven. Zij namen het in bezit, en gingen er wonen.
43Ne unum quidem verbum, quod illis præstiturum se esse promiserat, irritum fuit, sed rebus expleta sunt omnia.
44En Jahweh gaf hun naar alle kanten rust, juist zoals Hij het hun vaderen onder ede beloofd had. Geen van hun vijanden kon voor hen stand houden; want Jahweh leverde hun al hun vijanden uit.
no verse 44 in this text
45Niet één van alle beloften, die Jahweh het huis van Israël had gedaan, bleef onvervuld; allen werden zij ingelost.
no verse 45 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.