Jozua
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wat door het lot aan de families van de stam der Judeërs werd toegewezen, strekte zich uit tot het gebied van Edom, van de woestijn Sin af tot Kadesj in het zuiden.
1Igitur sors filiorum Judæ per cognationes suas ista fuit: a termino Edom, desertum Sin, contra meridiem, et usque ad extremam partem australis plagæ.
2Hun zuidelijke grens begon onderaan de Zoutzee, van de baai af, die zuidwaarts loopt;
2Initium ejus a summitate maris salsissimi, et a lingua ejus, quæ respicit meridiem.
3zij boog ten zuiden van het hoge Akrabbim af, liep dan over Sin, en steeg naar het zuiden van Kadesj-Barnéa; vervolgens liep ze over Chasar-Addar, en met een bocht naar Karka;
3Egrediturque contra ascensum Scorpionis, et pertransit in Sina: ascenditque in Cadesbarne, et pervenit in Esron, ascendens ad Addar, et circuiens Carcaa,
4verder ging ze naar Asmon, om uit te komen aan de beek van Egypte, zodat de grens uitliep op de zee. Dit was dus hun zuidelijke grens.
4atque inde pertransiens in Asemona, et perveniens ad torrentem Ægypti: eruntque termini ejus mare magnum. Hic erit finis meridianæ plagæ.
5De oostelijke grens was de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De noordelijke grens begon bij de baai aan de uitmonding van de Jordaan;
5Ab oriente vero erit initium, mare salsissimum usque ad extrema Jordanis: et ea quæ respiciunt ad aquilonem, a lingua maris usque ad eumdem Jordanis fluvium.
6ze steeg naar Bet-Chogla, liep ten noorden van Bet-Haäraba, naar de steen van Bóhan, den zoon van Ruben,
6Ascenditque terminus in Beth Hagla, et transit ab aquilone in Beth Araba, ascendens ad lapidem Boën filii Ruben:
7en vervolgens naar Debir, op enige afstand van de vallei van Akor; daarna boog ze noordwaarts naar Gilgal af, tegenover de pas van Adoemmim ten zuiden van de beek, en verder naar de wateren van En-Sjémesj, tot ze uitkwam bij En-Rogel.
7et tendens usque ad terminos Debera de valle Achor, contra aquilonem respiciens Galgala, quæ est ex adverso ascensionis Adommim, ab australi parte torrentis: transitque aquas, quæ vocantur fons solis: et erunt exitus ejus ad fontem Rogel.
8Daarna steeg de grens door het Ben-Hinnomdal naar de zuidelijke bergrug der Jeboesieten, waar Jerusalem lag; verder steeg ze naar de top van de berg, die westelijk tegenover het Hinnomdal ligt, dat zich aan het noordelijk uiteinde van de vallei der Refaieten bevindt.
8Ascenditque per convallem filii Ennom ex latere Jebusæi ad meridiem, hæc est Jerusalem: et inde se erigens ad verticem montis, qui est contra Geennom ad occidentem in summitate vallis Raphaim contra aquilonem:
9Van de top van de berg keerde de grens zich naar de bron van de wateren van Neftóach, kwam uit bij de steden van het Efrongebergte, en boog daarna om naar Baäla, ook Kirjat-Jearim geheten.
9pertransitque a vertice montis usque ad fontem aquæ Nephtoa: et pervenit usque ad vicos montis Ephron: inclinaturque in Baala, quæ est Cariathiarim, id est, urbs silvarum.
10Vervolgens liep de grens van Baäla met een bocht westwaarts naar het Seïrgebergte, en verder over de bergrug van Jearim naar het noorden, waar Kesalon lag. Daarna daalde ze af naar Bet-Sjémesj en verder naar Timna,
10Et circuit de Baala contra occidentem, usque ad montem Seir: transitque juxta latus montis Jarim ad aquilonem in Cheslon: et descendit in Bethsames, transitque in Thamna.
11tot het noorden van de bergrug van Ekron; dan boog ze naar Sjikkeron af, liep door over de berg Baäla, en kwam uit bij Jabneël, zodat de grens aan de zee eindigde.
11Et pervenit contra aquilonem partis Accaron ex latere: inclinaturque Sechrona, et transit montem Baala: pervenitque in Jebneel, et magni maris contra occidentem fine concluditur.
12De westelijke grens was de Grote Zee met haar kust. Dit zijn dan naar alle zijden de grenzen van de families der Judeërs.
12Hi sunt termini filiorum Juda per circuitum in cognationibus suis.
13Volgens Jahweh’s opdracht gaf Josuë aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, een aandeel midden onder de Judeërs, namelijk Kirjat-Arba of Hebron; deze Arba was de vader van Anak.
13Caleb vero filio Jephone dedit partem in medio filiorum Juda, sicut præceperat ei Dominus: Cariath Arbe patris Enac, ipsa est Hebron.
14Daaruit verdreef Kaleb de drie Anaks-kinderen Sjesjai, Achiman en Talmai, de zonen van Anak.
14Delevitque ex ea Caleb tres filios Enac, Sesai et Ahiman et Tholmai de stirpe Enac.
15Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Séfer genoemd.
15Atque inde conscendens venit ad habitatores Dabir, quæ prius vocabatur Cariath Sepher, id est, civitas litterarum.
16Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Séfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.
16Dixitque Caleb: Qui percusserit Cariath Sepher, et ceperit eam, dabo ei Axam filiam meam uxorem.
17Otniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.
17Cepitque eam Othoniel filius Cenez frater Caleb junior: deditque ei Axam filiam suam uxorem.
18Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?
18Quæ, cum pergerent simul, suasa est a viro suo ut peteret a patre suo agrum. Suspiravitque ut sedebat in asino: cui Caleb: Quid habes? inquit.
19Ze zeide: Schenk mij een gift; nu ge mij eenmaal voor de Négeb bestemd hebt, moet ge mij ook waterbronnen geven. En hij gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.
19At illa respondit: Da mihi benedictionem: terram australem et arentem dedisti mihi; junge et irriguam. Dedit itaque ei Caleb irriguum superius et inferius.
20Dit was het erfdeel der families van de stam der Judeërs.
20Hæc est possessio tribus filiorum Juda per cognationes suas.
21De verst afgelegen steden van de stam der Judeërs in de Négeb, tegen het gebied van Edom aan, waren Kabseël, Eder, Jagoer,
21Erantque civitates ab extremis partibus filiorum Juda juxta terminos Edom a meridie: Cabseel et Eder et Jagur,
22Kina, Dimona, Adada,
22et Cyna et Dimona et Adada,
23Kédesj, Chasor, Jitnan,
23et Cades et Asor et Jethnam,
24Zif, Télem, Bealot,
24Ziph et Telem et Baloth,
25Chasor-Chadatta, Keri-jot-Chesron, dat is Chasor,
25Asor nova et Carioth, Hesron, hæc est Asor;
26Amam, Sjema, Molada,
26Amam, Sama, et Molada,
27Chasar-Gadda, Chesjmon, Bet-Pélet,
27et Asergadda et Hassemon et Bethphelet,
28Chasar-Sjoeal, Beër-Sjéba en onderhorige plaatsen;
28et Hasersual et Bersabee et Baziothia,
29Baäla, Ijjim, Esem,
29et Baala et Jim et Esem,
30Eltolad, Kesil, Chorma,
30et Eltholad et Cesil et Harma,
31Sikelag, Madmanna, Sansanna,
31et Siceleg et Medemena et Sensenna,
32Lebaot, Sjilchim en En-Rimmon; in het geheel negen en twintig steden met haar dorpen.
32Lebaoth et Selim et Aën et Remon. Omnes civitates viginti novem, et villæ earum.
33In de Sjefela: Esjtaol, Sora, Asjna,
33In campestribus vero: Estaol et Sarea et Asena,
34Zanóach, En-Gannim, Tappóeach, Enam,
34et Zanoë et Ængannim et Taphua et Enaim,
35Jarmoet, Adoellam, Soko, Azeka,
35et Jerimoth et Adullam, Socho et Azeca,
36Sjaäráim, Aditáim, Gedera en Gederotáim; veertien steden met haar dorpen.
36et Saraim et Adithaim et Gedera et Gederothaim: urbes quatuordecim, et villæ earum.
37Senan, Chadasja, Migdal-Gad,
37Sanan et Hadassa et Magdalgad,
38Dilan, Mispe, Jokteël,
38Delean et Masepha et Jecthel,
39Lakisj, Boskat, Eglon,
39Lachis et Bascath et Eglon,
40Kabbon, Lachmas, Kitlisj,
40Chebbon et Leheman et Cethlis,
41Gederot, Bet-Dagon, Naäma en Makkeda; zestien steden met haar dorpen.
41et Gideroth et Bethdagon et Naama et Maceda: civitates sedecim, et villæ earum.
42Libna, Éter, Asjan,
42Labana et Ether et Asan,
43Jiftach, Asjna, Nesib,
43Jephtha et Esna et Nesib,
44Keïla, Akzib en Maresja; negen steden met haar dorpen.
44et Ceila et Achzib et Maresa: civitates novem, et villæ earum.
45Ekron met onderhorige plaatsen en dorpen.
45Accaron cum vicis et villulis suis.
46Van Ekron af naar de zee alle plaatsen met haar dorpen, terzijde van Asjdod;
46Ab Accaron usque ad mare: omnia quæ vergunt ad Azotum et viculos ejus.
47Asjdod en Gaza met beider onderhorige plaatsen en dorpen, tot aan de beek van Egypte; de Grote Zee en de kuststreek waren hier de grens.
47Azotus cum vicis et villulis suis. Gaza cum vicis et villulis suis, usque ad torrentem Ægypti, et mare magnum terminus ejus.
48In het bergland: Sjamir, Jattir, Soko,
48Et in monte: Samir et Jether et Socoth
49Danna, Kirjat-Sanna, ook Debir geheten;
49et Danna et Cariathsenna, hæc est Dabir:
50Anab, Esjtemo, Anim,
50Anab et Istemo et Anim,
51Gósjen, Cholon en Gilo; elf steden met haar dorpen.
51Gosen et Olon et Gilo: civitates undecim et villæ earum.
52Arab, Doema, Esjan,
52Arab et Ruma et Esaan,
53Janim, Bet-Tappóeach, Afeka,
53et Janum et Beththaphua et Apheca,
54Choemta, Kirjat-Arba, ook Hebron geheten, en Sior; negen steden met haar dorpen.
54Athmatha, et Cariath Arbe, hæc est Hebron, et Sior: civitates novem, et villæ earum.
55Maon, Karmel, Zif, Joetta,
55Maon et Carmel et Ziph et Jota,
56Jizreël, Jokdeam, Zanóeach,
56Jezraël et Jucadam et Zanoë,
57Hakkájin, Giba en Timna; tien steden met haar dorpen.
57Accain, Gabaa et Thamna: civitates decem et villæ earum.
58Chalchoel, Bet-Soer, Gedor.
58Halhul, et Besur, et Gedor,
59Maärat, Bet-Anot, Eltekon; zes steden met haar dorpen. Tekóa, Efráta of Betlehem, Peor, Etam, Kolan, Tetam, Sores, Kérem, Gallim, Béter en Menocho; elf steden met haar dorpen.
59Mareth, et Bethanoth, et Eltecon: civitates sex et villæ earum.
60Kirjat-Báal, ook Kirjat-Jearim geheten, en Harabba; twee steden met haar dorpen.
60Cariathbaal, hæc est Cariathiarim urbs silvarum, et Arebba: civitates duæ, et villæ earum.
61In de woestijn: Bet-Haäraba, Middin, Sekaka,
61In deserto Betharaba, Meddin, et Sachacha,
62Nibsjan, Ir-Hammélach en En-Gédi; zes steden met haar dorpen.
62et Nebsan, et civitas salis, et Engaddi: civitates sex, et villæ earum.
63Wat de Jeboesieten betreft, die in Jerusalem woonden, hen konden de Judeërs niet uitdrijven, zodat de Jeboesieten tezamen met de Judeërs in Jerusalem wonen tot op de huidige dag.
63Jebusæum autem habitatorem Jerusalem non potuerunt filii Juda delere: habitavitque Jebusæus cum filiis Juda in Jerusalem usque in præsentem diem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.