Jozua
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Wat door het lot aan de families van de stam der Judeërs werd toegewezen, strekte zich uit tot het gebied van Edom, van de woestijn Sin af tot Kadesj in het zuiden.
1Das Los des Stammes der Kinder Juda nach ihren Geschlechtern war an der Grenze Edoms bei der Wüste Zin, mittagwärts, am Ende des Landes gegen Mittag,
2Hun zuidelijke grens begon onderaan de Zoutzee, van de baai af, die zuidwaarts loopt;
2daß ihre Mittagsgrenze war von der Ecke an dem Salzmeer, das ist, von der Zunge, die mittagswärts geht,
3zij boog ten zuiden van het hoge Akrabbim af, liep dan over Sin, en steeg naar het zuiden van Kadesj-Barnéa; vervolgens liep ze over Chasar-Addar, en met een bocht naar Karka;
3und geht aus mittagswärts von der Steige Akrabbim und geht durch Zin und geht hinauf im Mittag von Kades-Barnea und geht durch Hezron und geht hinauf gen Adar und lenkt sich um gen Karkaa
4verder ging ze naar Asmon, om uit te komen aan de beek van Egypte, zodat de grens uitliep op de zee. Dit was dus hun zuidelijke grens.
4und geht durch Azmon und kommt hinaus an den Bach Ägyptens, daß das Ende der Grenze das Meer wird. Das sei eure Grenze gegen Mittag.
5De oostelijke grens was de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De noordelijke grens begon bij de baai aan de uitmonding van de Jordaan;
5Aber die Morgengrenze ist das Salzmeer bis an des Jordans Ende. Die Grenze gegen Mitternacht ist von der Zunge des Meers, die am Ende des Jordans ist,
6ze steeg naar Bet-Chogla, liep ten noorden van Bet-Haäraba, naar de steen van Bóhan, den zoon van Ruben,
6und geht herauf gen Beth-Hogla und zieht sich mitternachtswärts von Beth-Araba und kommt herauf zum Stein Bohans, des Sohnes Rubens,
7en vervolgens naar Debir, op enige afstand van de vallei van Akor; daarna boog ze noordwaarts naar Gilgal af, tegenover de pas van Adoemmim ten zuiden van de beek, en verder naar de wateren van En-Sjémesj, tot ze uitkwam bij En-Rogel.
7und geht herauf gen Debir vom Tal Achor und wendet sich mitternachtwärts gen Gilgal, welches liegt gegenüber der Steige Adummim, die mittagwärts vom Wasser liegt; darnach geht sie zu dem Wasser En-Semes und kommt hinaus zum Brunnen Rogel;
8Daarna steeg de grens door het Ben-Hinnomdal naar de zuidelijke bergrug der Jeboesieten, waar Jerusalem lag; verder steeg ze naar de top van de berg, die westelijk tegenover het Hinnomdal ligt, dat zich aan het noordelijk uiteinde van de vallei der Refaieten bevindt.
8darnach geht sie herauf zum Tal des Sohnes Hinnoms an der Mittagseite des Jebusiters, das ist Jerusalem, und kommt herauf an die Spitze des Berges, der vor dem Tal Hinnom liegt abendwärts, welcher stößt an die Ecke des Tals Rephaim gegen Mitternacht zu;
9Van de top van de berg keerde de grens zich naar de bron van de wateren van Neftóach, kwam uit bij de steden van het Efrongebergte, en boog daarna om naar Baäla, ook Kirjat-Jearim geheten.
9darnach kommt sie von des Berges Spitze zu dem Wasserbrunnen Nephthoa und kommt heraus zu den Städten des Gebirges Ephron und neigt sich gen Baala, das ist Kirjath-Jearim,
10Vervolgens liep de grens van Baäla met een bocht westwaarts naar het Seïrgebergte, en verder over de bergrug van Jearim naar het noorden, waar Kesalon lag. Daarna daalde ze af naar Bet-Sjémesj en verder naar Timna,
10und lenkt sich herum von Baala gegen Abend zum Gebirge Seir und geht an der Mitternachtseite des Gebirges Jearim, das ist Chesalon, und kommt herab gen Beth-Semes und geht durch Thimna
11tot het noorden van de bergrug van Ekron; dan boog ze naar Sjikkeron af, liep door over de berg Baäla, en kwam uit bij Jabneël, zodat de grens aan de zee eindigde.
11und bricht heraus an der Seite Ekrons her mitternachtwärts und zieht sich gen Sichron und geht über den Berg Baala und kommt heraus gen Jabneel, daß ihr Ende ist das Meer.
12De westelijke grens was de Grote Zee met haar kust. Dit zijn dan naar alle zijden de grenzen van de families der Judeërs.
12Die Grenze aber gegen Abend ist das große Meer. Das ist die Grenze der Kinder Juda umher nach ihren Geschlechtern.
13Volgens Jahweh’s opdracht gaf Josuë aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, een aandeel midden onder de Judeërs, namelijk Kirjat-Arba of Hebron; deze Arba was de vader van Anak.
13Kaleb aber, dem Sohn Jephunnes, ward sein Teil gegeben unter den Kindern Juda, wie der HERR dem Josua befahl, nämlich die Stadt des Arba, des Vaters Enaks, das ist Hebron.
14Daaruit verdreef Kaleb de drie Anaks-kinderen Sjesjai, Achiman en Talmai, de zonen van Anak.
14Und Kaleb vertrieb von da die drei Söhne Enaks: Sesai, Ahiman und Thalmai, geboren von Enak,
15Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Séfer genoemd.
15und zog von dort hinauf zu den Einwohnern Debirs. Debir aber hieß vorzeiten Kirjath-Sepher.
16Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Séfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.
16Und Kaleb sprach: Wer Kirjath-Sepher schlägt und gewinnt, dem will ich meine Tochter Achsa zum Weibe geben.
17Otniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.
17Da gewann es Othniel, der Sohn des Kenas, der Bruder Kalebs; und er gab ihm seine Tochter Achsa zum Weibe.
18Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?
18Und es begab sich, da sie einzog, beredete sie ihn, einen Acker zu fordern von ihrem Vater. Und sie stieg vom Esel; da sprach Kaleb zu ihr: Was ist dir?
19Ze zeide: Schenk mij een gift; nu ge mij eenmaal voor de Négeb bestemd hebt, moet ge mij ook waterbronnen geven. En hij gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.
19Sie sprach: Gib mir einen Segen! Denn du hast mir ein Mittagsland gegeben; gib mir auch Wasserquellen! Da gab er ihr die Quellen von oben und unten.
20Dit was het erfdeel der families van de stam der Judeërs.
20Dies ist das Erbteil des Stammes der Kinder Juda nach ihren Geschlechtern.
21De verst afgelegen steden van de stam der Judeërs in de Négeb, tegen het gebied van Edom aan, waren Kabseël, Eder, Jagoer,
21Und die Städte des Stammes der Kinder Juda von einer Ecke zu der andern, an der Grenze der Edomiter gegen Mittag, waren diese: Kabzeel, Eder, Jagur,
22Kina, Dimona, Adada,
22Kina, Dimona, Ad-Ada,
23Kédesj, Chasor, Jitnan,
23Kedes, Hazor, Ithnan,
24Zif, Télem, Bealot,
24Siph, Telem, Bealoth,
25Chasor-Chadatta, Keri-jot-Chesron, dat is Chasor,
25Hazor-Hadatta, Karioth-Hezron, das ist Hazor,
26Amam, Sjema, Molada,
26Amam, Sema, Molada,
27Chasar-Gadda, Chesjmon, Bet-Pélet,
27Hazar-Gadda, Hesmon, Beth-Pelet,
28Chasar-Sjoeal, Beër-Sjéba en onderhorige plaatsen;
28Hazar-Sual, Beer-Seba, Bisjothja,
29Baäla, Ijjim, Esem,
29Baala, Ijim, Ezem,
30Eltolad, Kesil, Chorma,
30Eltholad, Chesil, Horma,
31Sikelag, Madmanna, Sansanna,
31Ziklag, Madmanna, Sansanna,
32Lebaot, Sjilchim en En-Rimmon; in het geheel negen en twintig steden met haar dorpen.
32Lebaoth, Silhim, Ain, Rimmon. Das sind neunundzwanzig Städte und ihre Dörfer.
33In de Sjefela: Esjtaol, Sora, Asjna,
33In den Gründen aber war Esthaol, Zora, Asna,
34Zanóach, En-Gannim, Tappóeach, Enam,
34Sanoah, En-Gannim, Tappuah, Enam,
35Jarmoet, Adoellam, Soko, Azeka,
35Jarmuth, Adullam, Socho, Aseka,
36Sjaäráim, Aditáim, Gedera en Gederotáim; veertien steden met haar dorpen.
36Saaraim, Adithaim, Gedera, Gederothaim. Das sind vierzehn Städte und ihre Dörfer.
37Senan, Chadasja, Migdal-Gad,
37Zenan, Hadasa, Migdal-Gad,
38Dilan, Mispe, Jokteël,
38Dilean, Mizpe, Joktheel,
39Lakisj, Boskat, Eglon,
39Lachis, Bozkath, Eglon,
40Kabbon, Lachmas, Kitlisj,
40Chabbon, Lahmas, Kithlis,
41Gederot, Bet-Dagon, Naäma en Makkeda; zestien steden met haar dorpen.
41Gederoth, Beth-Dagon, Naema, Makkeda. Das sind sechzehn Städte und ihre Dörfer.
42Libna, Éter, Asjan,
42Libna, Ether, Asan,
43Jiftach, Asjna, Nesib,
43Jephthah, Asna, Nezib,
44Keïla, Akzib en Maresja; negen steden met haar dorpen.
44Kegila, Achsib, Maresa. Das sind neun Städte und ihre Dörfer.
45Ekron met onderhorige plaatsen en dorpen.
45Ekron mit seinen Ortschaften und Dörfern.
46Van Ekron af naar de zee alle plaatsen met haar dorpen, terzijde van Asjdod;
46Von Ekron und ans Meer, alles, was an Asdod und seine Dörfer reicht:
47Asjdod en Gaza met beider onderhorige plaatsen en dorpen, tot aan de beek van Egypte; de Grote Zee en de kuststreek waren hier de grens.
47Asdod mit seinen Ortschaften und Dörfern, Gaza mit seinen Ortschaften und Dörfern bis an das Wasser Ägyptens; und das große Meer ist seine Grenze.
48In het bergland: Sjamir, Jattir, Soko,
48Auf dem Gebirge aber war Samir, Jatthir, Socho,
49Danna, Kirjat-Sanna, ook Debir geheten;
49Danna, Kirjath-Sanna, das ist Debir,
50Anab, Esjtemo, Anim,
50Anab, Esthemo, Anim,
51Gósjen, Cholon en Gilo; elf steden met haar dorpen.
51Gosen, Holon, Gilo. Das sind elf Städte und ihre Dörfer.
52Arab, Doema, Esjan,
52Arab, Duma, Esean,
53Janim, Bet-Tappóeach, Afeka,
53Janum, Beth-Thappuah, Apheka,
54Choemta, Kirjat-Arba, ook Hebron geheten, en Sior; negen steden met haar dorpen.
54Humta, Kirjath-Arba, das ist Hebron, Zior. Das sind neun Städte und ihre Dörfer.
55Maon, Karmel, Zif, Joetta,
55Maon, Karmel, Siph, Jutta,
56Jizreël, Jokdeam, Zanóeach,
56Jesreel, Jokdeam, Sanoah,
57Hakkájin, Giba en Timna; tien steden met haar dorpen.
57Hakain, Gibea, Thimna. Das sind zehn Städte und ihre Dörfer.
58Chalchoel, Bet-Soer, Gedor.
58Halhul, Beth-Zur, Gedor,
59Maärat, Bet-Anot, Eltekon; zes steden met haar dorpen. Tekóa, Efráta of Betlehem, Peor, Etam, Kolan, Tetam, Sores, Kérem, Gallim, Béter en Menocho; elf steden met haar dorpen.
59Maarath, Beth-Anoth, Elthekon. Das sind sechs Städte und ihre Dörfer.
60Kirjat-Báal, ook Kirjat-Jearim geheten, en Harabba; twee steden met haar dorpen.
60Kirjath-Baal, das ist Kirjath-Jearim, Harabba; zwei Städte und ihre Dörfer.
61In de woestijn: Bet-Haäraba, Middin, Sekaka,
61In der Wüste aber war Beth-Araba, Middin, Sechacha,
62Nibsjan, Ir-Hammélach en En-Gédi; zes steden met haar dorpen.
62Nibsan und die Salzstadt und Engedi. Das sind sechs Städte und ihre Dörfer.
63Wat de Jeboesieten betreft, die in Jerusalem woonden, hen konden de Judeërs niet uitdrijven, zodat de Jeboesieten tezamen met de Judeërs in Jerusalem wonen tot op de huidige dag.
63Die Jebusiter aber wohnten zu Jerusalem, und die Kinder Juda konnten sie nicht vertreiben; also blieben die Jebusiter mit den Kindern Juda zu Jerusalem bis auf diesen Tag.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.