Efesiers 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Ik, de gevangene voor de zaak des Heren, vermaan u dus, dat gij u gedraagt overeenkomstig uw roeping;
1Obsecro itaque vos ego vinctus in Domino, ut digne ambuletis vocatione, qua vocati estis,
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
2cum omni humilitate, et mansuetudine, cum patientia, supportantes invicem in caritate,
3dat gij uw best doet, de eenheid des geestes te bewaren door de band van de vrede.
3solliciti servare unitatem Spiritus in vinculo pacis.
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
4Unum corpus, et unus Spiritus, sicut vocati estis in una spe vocationis vestræ.
5één Heer, één geloof, één doopsel;
5Unus Dominus, una fides, unum baptisma.
6één God en Vader van allen, die boven alles, door alles, en in alles is.
6Unus Deus et Pater omnium, qui est super omnes, et per omnia, et in omnibus nobis.
7Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat, die Christus heeft toegemeten.
7Unicuique autem nostrum data est gratia secundum mensuram donationis Christi.
8Daarom wordt er gezegd: “Opgestegen ten hoge, Heeft Hij gevangenen buitgemaakt, Gaven uitgedeeld aan de mensen.”
8Propter quod dicit: Ascendens in altum, captivam duxit captivitatem: dedit dona hominibus.
9Welnu, dit “Hij is opgestegen,” wat betekent het anders, dan dat Hij ook is neergedaald naar de onderste delen der aarde.
9Quod autem ascendit, quid est, nisi quia et descendit primum in inferiores partes terræ?
10Hij, die is neergedaald, is Dezelfde als Hij, die hoog boven alle hemelen is opgestegen, om alles tot volheid te brengen.
10Qui descendit, ipse est et qui ascendit super omnes cælos, ut impleret omnia.
11Hijzelf is het geweest, die sommigen tot apostelen heeft aangesteld, anderen tot profeten, evangelisten, herders en leraars;
11Et ipse dedit quosdam quidem apostolos, quosdam autem prophetas, alios vero evangelistas, alios autem pastores et doctores,
12maar met het doel, om de heiligen tot volmaakte plichtsvervulling te brengen, om op te bouwen het Lichaam van Christus;
12ad consummationem sanctorum in opus ministerii, in ædificationem corporis Christi:
13tot de tijd, dat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt.
13donec occurramus omnes in unitatem fidei, et agnitionis Filii Dei, in virum perfectum, in mensuram ætatis plenitudinis Christi:
14Dan zullen we geen onmondige kinderen meer zijn, die heen en weer worden geslingerd en voortgestuwd door elke windvlaag van lering, door het bedrog van de mensen, door sluwe verleiding tot dwaling.
14ut jam non simus parvuli fluctuantes, et circumferamur omni vento doctrinæ in nequitia hominum, in astutia ad circumventionem erroris.
15Maar we zullen de waarheid bewaren in liefde, en zó in ieder opzicht opgroeien voor Hem, voor Christus, die het Hoofd is.
15Veritatem autem facientes in caritate, crescamus in illo per omnia, qui est caput Christus:
16Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in ‘t bijzonder is toegemeten; en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.
16ex quo totum corpus compactum et connexum per omnem juncturam subministrationis, secundum operationem in mensuram uniuscujusque membri, augmentum corporis facit in ædificationem sui in caritate.
17Daarom zeg ik en bezweer ik u in den Heer, dat gij niet langer een leven moogt leiden, zoals de heidenen in hun ijdele gezindheid dit doen.
17Hoc igitur dico, et testificor in Domino, ut jam non ambuletis, sicut et gentes ambulant in vanitate sensus sui,
18Want hun verstand is verduisterd en ze zijn vervreemd van het leven van God, omdat er onwetendheid onder hen heerst en hun hart is verstokt.
18tenebris obscuratum habentes intellectum, alienati a vita Dei per ignorantiam, quæ est in illis, propter cæcitatem cordis ipsorum,
19Ze hebben zich afgestompt en zich aan losbandigheid overgegeven, zodat ze uit hebzucht allerlei ontucht bedrijven.
19qui desperantes, semetipsos tradiderunt impudicitiæ, in operationem immunditiæ omnis in avaritiam.
20Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen.
20Vos autem non ita didicistis Christum,
21Gij hebt toch van Hem gehoord, en zijt in Hem onderwezen, wat de waarheid in Jesus is:
21si tamen illum audistis, et in ipso edocti estis, sicut est veritas in Jesu,
22met betrekking tot uw vroeger gedrag moet gij den ouden mens afleggen, die door bedriegelijke begeerten te gronde gaat;
22deponere vos secundum pristinam conversationem veterem hominem, qui corrumpitur secundum desideria erroris.
23gij moet u vernieuwen naar de inwendige geest;
23Renovamini autem spiritu mentis vestræ,
24gij moet den nieuwen mens aantrekken, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
24et induite novum hominem, qui secundum Deum creatus est in justitia, et sanctitate veritatis.
25Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid tot den naaste, ieder voor zich; want ledematen zijn we van elkander.
25Propter quod deponentes mendacium, loquimini veritatem unusquisque cum proximo suo: quoniam sumus invicem membra.
26Wordt gij toornig, zondigt dan niet; de zon ga niet onder over uw toorn;
26Irascimini, et nolite peccare: sol non occidat super iracundiam vestram.
27geeft geen vrij spel aan den duivel.
27Nolite locum dare diabolo:
28De dief mag voortaan niet meer stelen, maar moet arbeiden, om met eigen handen de kost te verdienen, en iets over te houden, om het weg te schenken aan wie er behoefte aan heeft.
28qui furabatur, jam non furetur: magis autem laboret, operando manibus suis, quod bonum est, ut habeat unde tribuat necessitatem patienti.
29Uit uw mond kome geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen.
29Omnis sermo malus ex ore vestro non procedat: sed si quis bonus ad ædificationem fidei ut det gratiam audientibus.
30Bedroeft ook niet Gods heiligen Geest, waarmee gij verzegeld zijt voor de Dag der Verlossing.
30Et nolite contristare Spiritum Sanctum Dei: in quo signati estis in diem redemptionis.
31Verre van u alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en alle andere boosheid.
31Omnis amaritudo, et ira, et indignatio, et clamor, et blasphemia tollatur a vobis cum omni malitia.
32Maar weest minzaam en hartelijk jegens elkander; vergeeft elkander, gelijk ook God u door Christus vergiffenis heeft geschonken.
32Estote autem invicem benigni, misericordes, donantes invicem sicut et Deus in Christo donavit vobis.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.