Efesiers 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Ik, de gevangene voor de zaak des Heren, vermaan u dus, dat gij u gedraagt overeenkomstig uw roeping;
1YO pues, preso en el Señor, os ruego que andéis como es digno de la vocación con que sois llamados;
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
2Con toda humildad y mansedumbre, con paciencia soportando los unos á los otros en amor;
3dat gij uw best doet, de eenheid des geestes te bewaren door de band van de vrede.
3Solícitos á guardar la unidad del Espíritu en el vínculo de la paz.
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
4Un cuerpo, y un Espíritu; como sois también llamados á una misma esperanza de vuestra vocación:
5één Heer, één geloof, één doopsel;
5Un Señor, una fe, un bautismo,
6één God en Vader van allen, die boven alles, door alles, en in alles is.
6Un Dios y Padre de todos, el cual es sobre todas las cosas, y por todas las cosas, y en todos vosotros.
7Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat, die Christus heeft toegemeten.
7Empero á cada uno de nosotros es dada la gracia conforme á la medida del don de Cristo.
8Daarom wordt er gezegd: “Opgestegen ten hoge, Heeft Hij gevangenen buitgemaakt, Gaven uitgedeeld aan de mensen.”
8Por lo cual dice: Subiendo á lo alto, llevó cautiva la cautividad, y dió dones á los hombres.
9Welnu, dit “Hij is opgestegen,” wat betekent het anders, dan dat Hij ook is neergedaald naar de onderste delen der aarde.
9(Y que subió, ¿qué es, sino que también había descendido primero á las partes más bajas de la tierra?
10Hij, die is neergedaald, is Dezelfde als Hij, die hoog boven alle hemelen is opgestegen, om alles tot volheid te brengen.
10El que descendió, él mismo es el que también subió sobre todos los cielos para cumplir todas las cosas.)
11Hijzelf is het geweest, die sommigen tot apostelen heeft aangesteld, anderen tot profeten, evangelisten, herders en leraars;
11Y él mismo dió unos, ciertamente apóstoles; y otros, profetas; y otros, evangelistas; y otros, pastores y doctores;
12maar met het doel, om de heiligen tot volmaakte plichtsvervulling te brengen, om op te bouwen het Lichaam van Christus;
12Para perfección de los santos, para la obra del ministerio, para edificación del cuerpo de Cristo;
13tot de tijd, dat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt.
13Hasta que todos lleguemos á la unidad de la fe y del conocimiento del Hijo de Dios, á un varón perfecto, á la medida de la edad de la plenitud de Cristo:
14Dan zullen we geen onmondige kinderen meer zijn, die heen en weer worden geslingerd en voortgestuwd door elke windvlaag van lering, door het bedrog van de mensen, door sluwe verleiding tot dwaling.
14Que ya no seamos niños fluctuantes, y llevados por doquiera de todo viento de doctrina, por estratagema de hombres que, para engañar, emplean con astucia los artificios del error:
15Maar we zullen de waarheid bewaren in liefde, en zó in ieder opzicht opgroeien voor Hem, voor Christus, die het Hoofd is.
15Antes siguiendo la verdad en amor, crezcamos en todas cosas en aquel que es la cabeza, á saber , Cristo;
16Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in ‘t bijzonder is toegemeten; en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.
16Del cual, todo el cuerpo compuesto y bien ligado entre sí por todas las junturas de su alimento, que recibe según la operación, cada miembro conforme á su medida toma aumento de cuerpo edificándose en amor.
17Daarom zeg ik en bezweer ik u in den Heer, dat gij niet langer een leven moogt leiden, zoals de heidenen in hun ijdele gezindheid dit doen.
17Esto pues digo, y requiero en el Señor, que no andéis más como los otros Gentiles, que andan en la vanidad de su sentido,
18Want hun verstand is verduisterd en ze zijn vervreemd van het leven van God, omdat er onwetendheid onder hen heerst en hun hart is verstokt.
18Teniendo el entendimiento entenebrecido, ajenos de la vida de Dios por la ignorancia que en ellos hay, por la dureza de su corazón:
19Ze hebben zich afgestompt en zich aan losbandigheid overgegeven, zodat ze uit hebzucht allerlei ontucht bedrijven.
19Los cuales después que perdieron el sentido de la conciencia , se entregaron á la desvergüenza para cometer con avidez toda suerte de impureza.
20Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen.
20Mas vosotros no habéis aprendido así á Cristo:
21Gij hebt toch van Hem gehoord, en zijt in Hem onderwezen, wat de waarheid in Jesus is:
21Si empero lo habéis oído, y habéis sido por él enseñados, como la verdad está en Jesús,
22met betrekking tot uw vroeger gedrag moet gij den ouden mens afleggen, die door bedriegelijke begeerten te gronde gaat;
22A que dejéis, cuanto á la pasada manera de vivir, el viejo hombre que está viciado conforme á los deseos de error;
23gij moet u vernieuwen naar de inwendige geest;
23Y á renovaros en el espíritu de vuestra mente,
24gij moet den nieuwen mens aantrekken, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
24Y vestir el nuevo hombre que es criado conforme á Dios en justicia y en santidad de verdad.
25Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid tot den naaste, ieder voor zich; want ledematen zijn we van elkander.
25Por lo cual, dejada la mentira, hablad verdad cada uno con su prójimo; porque somos miembros los unos de los otros.
26Wordt gij toornig, zondigt dan niet; de zon ga niet onder over uw toorn;
26Airaos, y no pequéis; no se ponga el sol sobre vuestro enojo;
27geeft geen vrij spel aan den duivel.
27Ni deis lugar al diablo.
28De dief mag voortaan niet meer stelen, maar moet arbeiden, om met eigen handen de kost te verdienen, en iets over te houden, om het weg te schenken aan wie er behoefte aan heeft.
28El que hurtaba, no hurte más; antes trabaje, obrando con sus manos lo que es bueno, para que tenga de qué dar al que padeciere necesidad.
29Uit uw mond kome geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen.
29Ninguna palabra torpe salga de vuestra boca, sino la que sea buena para edificación, para que dé gracia á los oyentes.
30Bedroeft ook niet Gods heiligen Geest, waarmee gij verzegeld zijt voor de Dag der Verlossing.
30Y no contristéis al Espíritu Santo de Dios, con el cual estáis sellados para el día de la redención.
31Verre van u alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en alle andere boosheid.
31Toda amargura, y enojo, é ira, y voces, y maledicencia sea quitada de vosotros, y toda malicia:
32Maar weest minzaam en hartelijk jegens elkander; vergeeft elkander, gelijk ook God u door Christus vergiffenis heeft geschonken.
32Antes sed los unos con los otros benignos, misericordiosos, perdonándoos los unos á los otros, como también Dios os perdonó en Cristo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.