2 Kronieken 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Amas-jáhoe was vijf en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jehoaddan, en was afkomstig uit Jerusalem.
1アマツヤは二十五歳で王となり、エルサレムで二十九年間治めた。母の名はエルサレムのエホアダンであった。
2Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, maar niet met een onverdeeld hart.
2彼は主の目に正しいことを行ったが、全き心をもってではなかった。
3Zodra hij de koninklijke macht stevig in handen had, doodde hij zijn hovelingen, die den koning, zijn vader, vermoord hadden.
3王権が確立すると、彼は王である自分の父を打ち殺したしもべたちを殺した。
4Maar hun kinderen doodde hij niet, volgens het voorschrift in het wetboek van Moses, waarin Jahweh geboden heeft: Vaders mogen niet worden gedood om de schuld van hun kinderen, en kinderen niet om die van hun vader; maar iedereen zal om zijn eigen zonde worden gedood.
4しかし、彼は彼らの子どもたちを死刑にはしなかった。それは主が命じられたとおりに、モーセの書の律法に記されていることに従ったのである。「父は子の罪のために死んではならず、子も父の罪のために死んではならない。人はそれぞれ自分の罪のために死ななければならない。」
5Amas-jáhoe riep Juda bijeen, en deelde hen in naar families, onder bevelhebbers van duizend en honderd; en toen hij de manschappen van boven de twintig jaar gemonsterd had, bevond hij, dat er driehonderdduizend uitgelezen weerbare mannen waren, gewapend met schild en lans.
5さらにアマツヤはユダを集め、彼らを全ユダおよびベニヤミンにわたって、父祖の家ごとに、千人の長たちおよび百人の長たちの下に配置した。彼は二十歳以上の者を数え、槍と大盾を扱うことができ、戦いに出ることができる三十万人のえり抜きの者を見いだした。
6Daarenboven nam hij van Israël voor honderd talenten zilver honderdduizend dappere mannen in dienst.
6彼はまた、銀百タラント でイスラエルから十万人の力ある勇士を雇った。
7Maar een man Gods verscheen voor hem, en sprak: Koning, laat het leger van Israël niet met u uittrekken; want Jahweh is niet met Israël, met al die zonen van Efraïm.
7しかし、神の人が彼のところに来て言った。「王よ、イスラエルの軍隊をあなたとともに行かせてはなりません。主はイスラエル、すなわちエフライムの民とともにおられないからです。
8Trek er zelf onversaagd op uit; want anders zal God u voor den vijand ten val brengen. God is immers in staat, om te helpen, maar ook om ten val te brengen.
8それでも行くというなら、勇んで戦いなさい。だが神は敵の前であなたを打ち倒されます。神には助ける力も、打ち倒す力もあるからです。」
9Amas-jáhoe maakte bij den man Gods het bezwaar; En wat dan met die honderd talenten, die ik voor de troepen uit Israël heb betaald? De man Gods antwoordde: Jahweh kan u veel meer geven dan dat!
9アマツヤは神の人に言った。「しかし、わたしがイスラエルの軍隊に与えた百タラント についてはどうすればよいのか。」神の人は答えた。「主はそれよりはるかに多くを与えることがおできになります。」
10Toen Amas-jáhoe dan ook de troepen afdankte, die uit Efraïm tot hem waren gekomen en ze verlof gaf, naar hun woonplaats te gaan, werden ze zeer kwaad op Juda, en keerden ze ontstemd naar hun woonplaats terug.
10そこでアマツヤは彼ら、すなわちエフライムから彼のもとに来た軍隊を切り離し、家に帰らせた。そのため彼らはユダに激しい怒りを燃やし、憤りながら自分たちの国へ帰った。
11Nu leidde Amas-jáhoe zijn volk moedig ten strijde, rukte op naar het Zoutdal en versloeg tienduizend mannen van Seïr.
11アマツヤは勇気を出して自分の民を率い、塩の谷へ行き、セイルの人々一万人を打ち殺した。
12Tienduizend anderen vielen de Judeërs levend in handen; zij brachten hen boven op een rots, en wierpen ze van boven van de rots naar beneden, zodat ze allen te pletter vielen.
12ユダの子らは一万人を生けどりにし、岩の頂に連れて行き、岩の頂から彼らを投げ落とした。彼らはみな粉々に砕かれた。
13Intussen hadden de manschappen van de troep, die Amas-jáhoe had teruggestuurd, en niet met hem mee mochten strijden, een aanval gedaan op de steden van Juda, van Samaria af tot Bet-Choron; zij hadden daar drieduizend man verslagen, en een grote buit behaald.
13しかし、アマツヤが自分とともに戦いに行かせずに送り返した軍隊の人々は、サマリアからベテ・ホロンに至るまでのユダの町々を襲い、三千人を打ち殺し、多くの分捕り品を奪った。
14Toen Amas-jáhoe van zijn overwinning op de Edomieten terugkeerde, bracht hij de goden van de zonen van Seïr mee; hij stelde ze op als zijn eigen goden knielde voor hen neer, en bracht hun offers.
14アマツヤはエドム人の殺戮から帰って来た後、セイルの子らの神々を持ち帰り、自分の神々としてそれらを立て、その前にひれ伏し、それらに香をたいた。
15Daarom ontbrandde de toorn van Jahweh tegen Amas-jahoe. Hij zond hem een profeet, en liet hem zeggen: Waarom vereert gij goden van een volk, die hun eigen volk nog niet eens uit uw hand konden redden?
15それゆえ、主の怒りがアマツヤに向かって燃え上がり、主は彼に預言者を遣わされた。預言者は彼に言った。「なぜあなたは、自分自身の民をあなたの手から救い出すことのできなかった、この民の神々を尋ね求めたのか。」
16Maar hij onderbrak den spreker, en beet hem toe: Hebben wij u soms tot koninklijk raadsheer aangesteld? Houd uw mond, anders slaat men u neer. De profeet berustte, maar sprak eerst nog: Ik weet, dat Jahweh besloten heeft, u in het verderf te storten, omdat gij aldus hebt gehandeld, en niet naar mijn raad hebt geluisterd.
16彼が王と話していると、王は彼に言った。「だれがあなたを王の助言者にしたというのか。やめよ。なぜあなたは打ち殺されようとするのか。」すると預言者はやめて、言った。「あなたがこの事を行い、わたしの助言に耳を傾けなかったので、神があなたを滅ぼそうと決めておられることを、わたしは知っています。」
17Eens liet koning Amas-jáhoe van Juda zich beraden, gezanten te zenden naar Joasj, den zoon van Jehoachaz, den zoon van koning Jehoe van Israël, en liet hem zeggen: Kom, laat ons elkaar in de ogen zien.
17それから、ユダの王アマツヤは側近たちと相談し、イエフの子エホアハズの子であるイスラエルの王ヨアシュのもとに人を遣わして、言った。「さあ、互いに顔を合わせよう。」
18Maar Joasj, de koning van Israël, zond aan Amas-jáhoe, den koning van Juda, dit antwoord: Een distel op de Libanon zond aan een ceder op de Libanon deze boodschap: “Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw.” Intussen liep het wild gedierte van de Libanon over de distel heen, en vertrapte ze.
18イスラエルの王ヨアシュはユダの王アマツヤに人を遣わして、言った。「レバノンにあるあざみが、レバノンにある杉のところに人を遣わして、『あなたの娘をわたしの息子に妻として与えてくれ』と言った。すると、レバノンにある野の獣が通りかかり、そのあざみを踏みにじった。
19Zo is het ook met u. Nu ge de Edomieten verslagen hebt, zijt ge overmoedig geworden; geniet van uw roem en blijf thuis. Waarom zoudt ge uw ongeluk tegemoetlopen, en uzelf met uw volk ten val brengen?
19あなたは『わたしはエドムを打った』と言って、あなたの心は高ぶり、誇っている。今は自分の家にとどまっていなさい。なぜあなたは災いに手出しして、あなた自身も、あなたとともにユダも倒れようとするのか。」
20Maar Amas-jáhoe wilde niet luisteren; want God had besloten, ze aan Joasj over te leveren, omdat ze de goden van Edom vereerd hadden.
20しかしアマツヤは聞き入れようとはしなかった。それは神から出たことであり、彼らがエドムの神々を尋ね求めたために、神が彼らを敵の手に渡されるためであった。
21Toen rukte Joasj, de koning van Israël, uit en bij Bet-Sjémesj in Juda zagen hij en koning Amas-jahoe van Juda elkaar in de ogen;
21こうしてイスラエルの王ヨアシュは攻め上った。彼とユダの王アマツヤは、ユダに属するベテ・シェメシュで互いに顔を合わせた。
22de Judeërs leden de nederlaag tegen Israël en vluchtten naar huis.
22ユダはイスラエルに打ち負かされ、おのおの自分の天幕へ逃げた。
23Koning Joasj van Israël nam koning Amas-jáhoe van Juda, den zoon van Joasj, zoon van Jehoachaz, bij Bet-Sjémesj gevangen. Hij bracht hem naar Jerusalem, en brak een stuk van vierhonderd el uit de muur van Jerusalem, van de Efraïmpoort af tot aan de Hoekpoort.
23イスラエルの王ヨアシュはベテ・シェメシュで、エホアハズの子ヨアシュの子であるユダの王アマツヤを捕らえ、彼をエルサレムに連れて来た。そしてエルサレムの城壁を、エフライムの門から隅の門まで、四百キュビト にわたって打ち壊した。
24Bovendien nam hij al het goud en zilver en het vaatwerk, dat door Obed-Edom in de tempel van God en in de schatkamers van het koninklijk paleis bewaard werd, en keerde met gijzelaars naar Samaria terug.
24彼はすべての金と銀、およびオベド・エドムが管理していた神の家のすべての器、また王の家の財宝と人質を取って、サマリアへ帰った。
25Na de dood van Joasj, den zoon van koning Joachaz van Israël. leefde koning Joasj van Juda nog vijftien jaar.
25ユダの王ヨアシュの子アマツヤは、イスラエルの王エホアハズの子ヨアシュが死んだ後、十五年生きた。
26De verdere geschiedenis van Amas-jáhoe, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.
26アマツヤのその他の事績は、最初から最後まで、見よ、ユダとイスラエルの王たちの書に記されているのではないか。
27Van het ogenblik af, dat Amas-jáhoe van Jahweh was afgevallen, werd er in Jerusalem tegen hem samengezworen. Hij moest naar Lakisj vluchten; maar men achterhaalde hem in Lakisj en vermoordde hem daar.
27アマツヤが主に従うことから背き去った時から、人々はエルサレムで彼に対して陰謀を企てた。彼はラキシュへ逃げたが、人々は彼を追ってラキシュへ人を遣わし、そこで彼を殺した。
28Hij werd op paarden overgebracht, en bij zijn vaderen in de Davidstad begraven.
28彼らは彼を馬に乗せて運び、ユダの町でその父祖たちとともに葬った。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.