2 Kronieken 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Amas-jáhoe was vijf en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jehoaddan, en was afkomstig uit Jerusalem.
1V pětmecítma letech kralovati počal Amaziáš, a kraloval dvadceti devět let v Jeruzalémě. Jméno matky jeho Joadan z Jeruzaléma.
2Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, maar niet met een onverdeeld hart.
2A činil to, což pravého bylo před očima Hospodinovýma, ale však ne srdcem upřímým.
3Zodra hij de koninklijke macht stevig in handen had, doodde hij zijn hovelingen, die den koning, zijn vader, vermoord hadden.
3I stalo se, když bylo upevněno království jeho, že zmordoval služebníky své, kteříž zabili krále otce jeho.
4Maar hun kinderen doodde hij niet, volgens het voorschrift in het wetboek van Moses, waarin Jahweh geboden heeft: Vaders mogen niet worden gedood om de schuld van hun kinderen, en kinderen niet om die van hun vader; maar iedereen zal om zijn eigen zonde worden gedood.
4A však synů jejich nekázal mordovati, ale učinil tak, jakž psáno jest v zákoně, v knize Mojžíšově, kdež přikázal Hospodin, řka: Nebudou na hrdle trestáni otcové za syny, aniž synové trestáni budou na hrdle za otce, ale jeden každý za svůj hřích umře.
5Amas-jáhoe riep Juda bijeen, en deelde hen in naar families, onder bevelhebbers van duizend en honderd; en toen hij de manschappen van boven de twintig jaar gemonsterd had, bevond hij, dat er driehonderdduizend uitgelezen weerbare mannen waren, gewapend met schild en lans.
5Zatím shromáždil Amaziáš lid Judský, a ustanovil po domích otcovských čeledí jejich hejtmany a setníky, po všem Judstvu a pokolení Beniaminovu, a sečtl je od dvadcítiletých a výše, a našel jich třikrát sto tisíc vybraných mužů bojovných, kopidlníků a pavézníků.
6Daarenboven nam hij van Israël voor honderd talenten zilver honderdduizend dappere mannen in dienst.
6Najal také ze mzdy z Izraele sto tisíc mužů udatných ze sta hřiven stříbra.
7Maar een man Gods verscheen voor hem, en sprak: Koning, laat het leger van Israël niet met u uittrekken; want Jahweh is niet met Israël, met al die zonen van Efraïm.
7Muž pak Boží přišel k němu, řka: Ó králi, nechť netáhne s tebou vojsko Izraelské; nebo Hospodin není s Izraelem, a všechněmi syny Efraimovými.
8Trek er zelf onversaagd op uit; want anders zal God u voor den vijand ten val brengen. God is immers in staat, om te helpen, maar ook om ten val te brengen.
8Ale táhni ty. Učiniž tak, a posilň se k boji; jinak porazí tě Bůh před nepřátely, neboť může Bůh i pomoci i poraziti.
9Amas-jáhoe maakte bij den man Gods het bezwaar; En wat dan met die honderd talenten, die ik voor de troepen uit Israël heb betaald? De man Gods antwoordde: Jahweh kan u veel meer geven dan dat!
9Tedy řekl Amaziáš muži Božímu: Jakž pak udělám s stem hřiven stříbra, kteréž jsem dal vojsku Izraelskému? Odpověděl muž Boží: Máť Hospodin mnohem více nad to, což by dal tobě.
10Toen Amas-jáhoe dan ook de troepen afdankte, die uit Efraïm tot hem waren gekomen en ze verlof gaf, naar hun woonplaats te gaan, werden ze zeer kwaad op Juda, en keerden ze ontstemd naar hun woonplaats terug.
10A tak oddělil Amaziáš vojsko to, kteréž bylo přitáhlo k němu z Efraim, aby odešli na místo své. Pročež rozhněvali se náramně na Judské a navrátili se k místu svému s velikým hněvem.
11Nu leidde Amas-jáhoe zijn volk moedig ten strijde, rukte op naar het Zoutdal en versloeg tienduizend mannen van Seïr.
11Mezi tím Amaziáš posiliv se, vedl lid svůj, a táhl do údolí solnatého, a porazil synů Seir deset tisíců.
12Tienduizend anderen vielen de Judeërs levend in handen; zij brachten hen boven op een rots, en wierpen ze van boven van de rots naar beneden, zodat ze allen te pletter vielen.
12Deset také tisíců živých jali synové Judští, a vedli na vrch skály, a sházeli je s vrchu té skály, tak že se všickni zrozráželi.
13Intussen hadden de manschappen van de troep, die Amas-jáhoe had teruggestuurd, en niet met hem mee mochten strijden, een aanval gedaan op de steden van Juda, van Samaria af tot Bet-Choron; zij hadden daar drieduizend man verslagen, en een grote buit behaald.
13Vojsko pak to, kteréž zase odeslal Amaziáš, aby netáhlo s ním na vojnu, vtrhlo do měst Judských od Samaří až do Betoron, a pobivše z nich tři tisíce, nabrali loupeží mnoho.
14Toen Amas-jáhoe van zijn overwinning op de Edomieten terugkeerde, bracht hij de goden van de zonen van Seïr mee; hij stelde ze op als zijn eigen goden knielde voor hen neer, en bracht hun offers.
14I stalo se, když se vracel Amaziáš od porážky Idumejských, že přivezl s sebou bohy synů Seir, a vyzdvihl je sobě za bohy, a skláněl se před nimi, a kadil jim.
15Daarom ontbrandde de toorn van Jahweh tegen Amas-jahoe. Hij zond hem een profeet, en liet hem zeggen: Waarom vereert gij goden van een volk, die hun eigen volk nog niet eens uit uw hand konden redden?
15A protož rozhněval se náramně Hospodin na Amaziáše, a poslal k němu proroka, kterýž jemu řekl: Proč hledáš bohů lidu toho, kteříž nevytrhli lidu svého z ruky tvé?
16Maar hij onderbrak den spreker, en beet hem toe: Hebben wij u soms tot koninklijk raadsheer aangesteld? Houd uw mond, anders slaat men u neer. De profeet berustte, maar sprak eerst nog: Ik weet, dat Jahweh besloten heeft, u in het verderf te storten, omdat gij aldus hebt gehandeld, en niet naar mijn raad hebt geluisterd.
16Stalo se pak, když on k němu mluvil, řekl mu král: Co tě postavili, abys byl rádcím královským? Přestaniž, nechceš-li bit býti. A tak přestal prorok, však řekl: Seznávám, že tě usoudil Bůh zahladiti, poněvadž učiniv to, neuposlechl jsi rady mé.
17Eens liet koning Amas-jáhoe van Juda zich beraden, gezanten te zenden naar Joasj, den zoon van Jehoachaz, den zoon van koning Jehoe van Israël, en liet hem zeggen: Kom, laat ons elkaar in de ogen zien.
17Tedy poradiv se Amaziáš král Judský, poslal k Joasovi synu Joachaza syna Jéhu, králi Izraelskému, řka: Nuže, pohleďme sobě v oči.
18Maar Joasj, de koning van Israël, zond aan Amas-jáhoe, den koning van Juda, dit antwoord: Een distel op de Libanon zond aan een ceder op de Libanon deze boodschap: “Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw.” Intussen liep het wild gedierte van de Libanon over de distel heen, en vertrapte ze.
18I poslal Joas král Izraelský k Amaziášovi králi Judskému, a řekl: Bodlák, kterýž byl na Libánu, poslal k cedru Libánskému, řka: Dej dceru svou synu mému za manželku. V tom šlo tudy zvíře polní, kteréž bylo na Libánu, a pošlapalo ten bodlák.
19Zo is het ook met u. Nu ge de Edomieten verslagen hebt, zijt ge overmoedig geworden; geniet van uw roem en blijf thuis. Waarom zoudt ge uw ongeluk tegemoetlopen, en uzelf met uw volk ten val brengen?
19Myslil jsi: Aj, porazil jsem Idumejské, protož pozdvihlo tě srdce tvé, tak že se tím honosíš. Medle, zůstaň v domě svém. Proč se máš zapletati v takové zlé, až bys padl i ty i Juda s tebou?
20Maar Amas-jáhoe wilde niet luisteren; want God had besloten, ze aan Joasj over te leveren, omdat ze de goden van Edom vereerd hadden.
20Ale neuposlechl Amaziáš; nebo od Boha to bylo, aby je vydal v ruku oněchno, proto že hledali bohů Idumejských.
21Toen rukte Joasj, de koning van Israël, uit en bij Bet-Sjémesj in Juda zagen hij en koning Amas-jahoe van Juda elkaar in de ogen;
21Takž vytáhl Joas král Izraelský, a pohleděli sobě v oči s Amaziášem králem Judským v Betsemes, kteréž jest Judovo.
22de Judeërs leden de nederlaag tegen Israël en vluchtten naar huis.
22I poražen jest Juda před Izraelem, a utíkali jeden každý do příbytků svých.
23Koning Joasj van Israël nam koning Amas-jáhoe van Juda, den zoon van Joasj, zoon van Jehoachaz, bij Bet-Sjémesj gevangen. Hij bracht hem naar Jerusalem, en brak een stuk van vierhonderd el uit de muur van Jerusalem, van de Efraïmpoort af tot aan de Hoekpoort.
23Amaziáše pak krále Judského, syna Joasova, jenž byl syn Joachazův, jal Joas král Izraelský u Betsemes, a přivedl jej do Jeruzaléma, a zbořil zdi Jeruzalémské odbrány Efraim až k bráně úhlu na čtyři sta loktů.
24Bovendien nam hij al het goud en zilver en het vaatwerk, dat door Obed-Edom in de tempel van God en in de schatkamers van het koninklijk paleis bewaard werd, en keerde met gijzelaars naar Samaria terug.
24A pobrav všecko zlato a stříbro i všecko nádobí, kteréž se nalezlo v domě Božím u Obededoma, a v pokladích domu královského, také i ty, kteříž byli v zástavě, navrátil se do Samaří.
25Na de dood van Joasj, den zoon van koning Joachaz van Israël. leefde koning Joasj van Juda nog vijftien jaar.
25Byl pak živ Amaziáš syn Joasův, král Judský, po smrti Joasa syna Joachaza, krále Izraelského, patnácte let.
26De verdere geschiedenis van Amas-jáhoe, de vroegere zowel als de latere, staat beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.
26Ale o jiných činech Amaziášových, prvních i posledních, vypsáno jest v knize o králích Judských a Izraelských.
27Van het ogenblik af, dat Amas-jáhoe van Jahweh was afgevallen, werd er in Jerusalem tegen hem samengezworen. Hij moest naar Lakisj vluchten; maar men achterhaalde hem in Lakisj en vermoordde hem daar.
27Od toho zajisté času, jakž se spustil Amaziáš Hospodina, spikli se jedovatě proti němu v Jeruzalémě. A když utekl do Lachis, poslali za ním do Lachis, a zabili jej tam.
28Hij werd op paarden overgebracht, en bij zijn vaderen in de Davidstad begraven.
28A přinesše ho na koních, pochovali jej s otci jeho v městě Judově.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.