2 Kronieken
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Nu Josafat zo rijk en aanzienlijk geworden was, werd hij de zwager van Achab.
1ヨシャファテは豊かな富と誉れを持っていた。彼はアハブと婚姻関係を結んだ。
2Toen hij dan ook enige jaren later naar Achab in Samaria ging, slachtte Achab ter ere van hem en zijn gevolg een groot aantal schapen en runderen, en trachtte hij hem over te halen tot een krijgstocht tegen Ramot in Gilad.
2何年かして、彼はサマリアのアハブのところに下って行った。アハブは彼と、彼とともにいた人々のために、多数の羊と牛をほふってもてなし、ラモテ・ギレアデへ攻め上るように彼をそそのかした。
3Koning Achab van Israël stelde aan koning Josafat van Juda voor: Wilt ge met mij ten strijde trekken naar Ramot Gilad? Deze verzekerde hem: Ik en gij zijn één; uw leger is mijn leger; ik trek met u mee ten strijde.
3イスラエルの王アハブはユダの王ヨシャファテに言った。「わたしと一緒にラモテ・ギレアデへ行ってくれませんか。」彼は答えた。「わたしはあなたと同じです。わたしの民はあなたの民と同じです。わたしたちは戦いにおいてあなたとともにいます。」
4Toch verzocht Josafat den koning van Israël: Vraag echter eerst, wat Jahweh zegt.
4ヨシャファテはイスラエルの王に言った。「どうか、まず主の言葉を伺ってください。」
5Toen ontbood de koning van Israël de profeten, tezamen ongeveer vierhonderd man. Hij vroeg hun: Zal ik tegen Ramot Gilad ten strijde trekken, of niet? Zij antwoordden: Trek op; God levert het aan den koning over.
5そこでイスラエルの王は預言者たち四百人を集めて、彼らに言った。「わたしたちはラモテ・ギレアデへ戦いに行くべきか、それともやめるべきか。」彼らは言った。「上りなさい。神がそれを王の手に渡されるからです。」
6Maar Josafat vroeg: Is er geen profeet van Jahweh meer, dien wij kunnen raadplegen?
6しかしヨシャファテは言った。「このほかに、わたしたちが尋ね求めることのできる主の預言者は、ここにいないのですか。」
7De koning van Israël antwoordde Josafat: Er is nog één man, door wien wij Jahweh kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem; want hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad. Het is Mikájehoe, de zoon van Jimla. Maar Josafat zeide: De koning moet zo iets niet zeggen!
7イスラエルの王はヨシャファテに言った。「主に尋ね求めることのできる者が、まだもう一人います。しかしわたしは彼を憎んでいます。彼はわたしについて決して良いことを預言せず、常に悪いことを預言するからです。それはイムラの子ミカヤです。」ヨシャファテは言った。「王よ、そのように言われませんように。」
8Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en zei: Haal vlug Mikájehoe, den zoon van Jimla.
8そこでイスラエルの王はある役人を呼んで、「イムラの子ミカヤを早く連れて来なさい」と言った。
9Intussen waren de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in ambtsgewaad op hun tronen gaan zitten, op de open plaats bij de poort van Samaria, en bleven al de profeten voor hen profeteren.
9イスラエルの王とユダの王ヨシャファテは、それぞれ王服を着て王座に座っていた。彼らはサマリアの門の入り口にある広場に座っており、すべての預言者たちが彼らの前で預言していた。
10Een zekere Sidki-jáhoe, de zoon van Kenaäna, had zich ijzeren horens gemaakt, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Hiermede zult gij de Arameën neerstoten, tot verdelgens toe!
10ケナアナの子ゼデキヤは自分のために鉄の角を造って言った。「主はこう言われる。『あなたはこれらをもってアラム人を突き、ついに彼らを滅ぼし尽くす。』」
11Al de andere profeten profeteerden hetzelfde en riepen: Trek op naar Ramot Gilad! Gij zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan den koning overgeleverd.
11すべての預言者たちも同じように預言して言った。「ラモテ・ギレアデへ上り、勝利を得てください。主はそれを王の手に渡されるからです。」
12De bode, die Mikájehoe was gaan roepen, zeide tot hem: Zie eens; eenstemmig hebben de profeten den koning een gunstig antwoord gegeven; laat ook uw antwoord zijn als het hunne, en voorspel iets goeds!
12ミカヤを呼びに行った使者は彼に言った。「預言者たちは口をそろえて王に良いことを告げている。どうか、あなたの言葉も彼らのうちの一人の言葉のようであって、良いことを語ってほしい。」
13Maar Mikájehoe zeide: Zo waar Jahweh leeft; wat Jahweh mij zegt, zal ik spreken!
13ミカヤは言った。「主は生きておられる。わたしの神が言われること、それをわたしは語る。」
14Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem: Mika, zullen wij naar Ramot Gilad ten strijde trekken, of niet? Hij antwoordde hem: Trek op; gij zult zeker slagen; ze zullen aan u worden overgeleverd!
14彼が王のところに来ると、王は彼に言った。「ミカヤよ。わたしたちはラモテ・ギレアデへ戦いに行くべきか、それともやめるべきか。」彼は言った。「上りなさい、そして勝利を得なさい。彼らはあなたがたの手に渡されるでしょう。」
15De koning snauwde hem toe: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, mij in de naam van Jahweh niets dan de waarheid te zeggen?
15王は彼に言った。「主の御名によって真実以外のことをわたしに語らないようにと、わたしは何度あなたに誓わせなければならないのか。」
16Maar nu sprak hij: Ik zag Israël over de bergen verstrooid, als schapen zonder herder. En Jahweh sprak: Zij hebben geen heer; laat ze rustig naar huis terugkeren!
16彼は言った。「わたしは、全イスラエルが羊飼いのいない羊のように、山々に散らされているのを見た。主は『彼らには主人がいない。それぞれ平安のうちに自分の家へ帰らせよ』と言われた。」
17Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik het u niet gezegd? Hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad.
17イスラエルの王はヨシャファテに言った。「彼がわたしについて良いことを預言せず、悪いことだけを預言すると、あなたに言ったではないか。」
18Maar hij sprak: Dat is niet waar! Luister niettemin naar het woord van Jahweh! Ik zag Jahweh op zijn troon, met het hemelse heir rechts en links om Hem heen.
18ミカヤは言った。「それゆえ、主の言葉を聞きなさい。わたしは主がその王座に座り、天の全軍勢がその右と左に立っているのを見た。
19Jahweh vroeg: Wie wil Achab overhalen, den koning van Israël, naar Ramot Gilad op te trekken, om daar te sneuvelen? En de een zei zus, de ander zo.
19主は言われた。『だれがイスラエルの王アハブをそそのかして、ラモテ・ギレアデへ上らせ、倒れさせるのか。』ある者はこのように言い、別の者はあのように言った。
20Toen trad er een geest naar voren, ging voor Jahweh staan, en zeide: Ik wil hem overhalen. Jahweh vroeg hem: Hoe?
20すると、ある霊が進み出て主の前に立ち、『わたしが彼をそそのかします』と言った。主は彼に『どのようにしてか』と言われた。
21Hij antwoordde: Ik ga een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen sprak Hij: Gij moogt hem bewerken, en ge zult slagen ook; ga heen en doe het.
21彼は言った。『わたしは出て行き、彼のすべての預言者たちの口にあって偽りの霊となります。』すると主は言われた。『あなたは彼をそそのかし、しかも成功する。出て行って、そのようにせよ。』
22Welnu, thans heeft Jahweh een leugengeest in de mond van deze profeten gelegd, omdat Jahweh uw verderf heeft besloten2.
22だから今、見よ。主はあなたのこれらすべての預言者たちの口に偽りの霊を置かれた。主はあなたに対して災いを告げられたのだ。」
23Maar nu trad Sidki-jáhoe, de zoon van Kenaäna, vooruit, gaf Mikájehoe een slag in het gezicht, en zeide: Wat; zou de geest van Jahweh mij hebben verlaten, om te spreken tot u?
23そのとき、ケナアナの子ゼデキヤが近づき、ミカヤの頬を打って言った。「主の霊はどの道を通ってわたしから離れ、あなたに語ったというのか。」
24Mikájehoe antwoordde: Dat zult ge gewaar worden, wanneer ge van huis tot huis zult vluchten, om u te verbergen.
24ミカヤは言った。「見よ。あなたが隠れようとして奥の部屋に入るその日に、あなたは見るだろう。」
25Nu sprak de koning van Israël: Neem Mikájehoe gevangen, en breng hem bij den stadsvoogd Amon en bij prins Joasj,
25イスラエルの王は言った。「ミカヤを捕らえ、町の長アモンと王の子ヨアシュのところに連れ戻し、
26en zeg hun: De koning beveelt, hem in de gevangenis te houden, en hem slecht eten en drinken te geven, totdat hij ongedeerd terugkomt.
26言え。『王はこう言われる。「わたしが平安に帰って来るまで、この者を牢獄に入れ、苦しみのパンと苦しみの水を与えよ。」』」
27Maar Mikájehoe sprak: Als gij ongedeerd terugkomt, heeft Jahweh niet door mij gesproken3.
27ミカヤは言った。「もしあなたが平安に帰って来るようなことがあれば、主はわたしによって語られなかったということだ。」彼はまた言った。「すべての民よ、聞きなさい。」
28Zo trok dus de koning van Israël, met koning Josafat van Juda, naar Ramot Gilad.
28こうしてイスラエルの王とユダの王ヨシャファテは、ラモテ・ギレアデへ上って行った。
29Maar de koning van Israël zeide tot Josafat: Ik wil verkleed de strijd ingaan; doch gij kunt uw eigen kleren wel aanhouden. Hierop verkleedde hij zich, voor hij ten strijde trok.
29イスラエルの王はヨシャファテに言った。「わたしは変装して戦いに入る。しかし、あなたは自分の王服を着ていなさい。」そこでイスラエルの王は変装して戦いに入った。
30Nu had de koning van Aram zijn bevelhebbers van de strijdwagens de opdracht gegeven: Valt niemand aan, wie het ook zij, maar alleen den koning van Israël.
30さて、アラムの王は自分の戦車の長たちに命じて言った。「小さい者とも大きい者とも戦ってはならない。ただイスラエルの王とだけ戦え。」
31Toen zij nu Josafat zagen, dachten ze: Dat is zeker de koning van Israël. En ze vielen op hem aan. Maar Josafat riep tot Jahweh, en Hij kwam hem te hulp, en leidde de aandacht van hem af.
31戦車の長たちはヨシャファテを見ると、「これはイスラエルの王だ」と言った。それゆえ、彼らは彼と戦うために向きを変えた。しかしヨシャファテが叫び声を上げると、主は彼を助けられた。神は彼らを彼から離れ去らせたのである。
32Toen de bevelhebbers van de strijdwagens bemerkten, dat hij de koning van Israël niet was, lieten zij hem met rust.
32戦車の長たちは、それがイスラエルの王ではないのを見ると、彼を追うのをやめて引き返した。
33Intussen richtte iemand op goed geluk af zijn boog, en trof den koning van Israël tussen de voegen van het pantser. Deze beval toen zijn wagenvoerder: Wend de teugels, en breng mij van het slagveld; want ik ben gewond.
33ある人が狙いを定めずに弓を引き、イスラエルの王の鎧の継ぎ目を射た。それで王は戦車の御者に言った。「向きを変えて、わたしを戦場から連れ出してくれ。わたしはひどい傷を負った。」
34Maar omdat de strijd toen juist op het hevigst was, moest de koning van Israël tegenover de Arameën rechtop in zijn wagen blijven staan tot de avond toe. Tegen zonsondergang echter stierf hij.
34その日の戦いは激しくなった。しかしイスラエルの王は、夕暮れまでアラム人に向かって戦車の中で身を支えていたが、日の沈むころに死んだ。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.