Римлян
Chapter 8
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Римлян 8

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Тим же то тепер нема нїякого осуду тим, що в Христї Ісусї не по тїлу ходять, а по духу.
1Voor hen, die Jesus Christus toebehoren, bestaat er dus thans geen verdoemenis meer.
2Закон бо духа життя в Христї Ісусї визволив мене від закону гріха і від смерти.
2Want de wet van den Geest, -een wet van leven in Christus Jesus, -heeft u bevrijd van de wet van zonde en dood.
3Позаяк закон, ослаблений тїлом, був безсилен, то Бог, піславши Сина свого в подобі тїла гріховного і ради гріха, осудив гріх у тїлї,
3Wat de Wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God gedaan: Door zijn eigen Zoon te zenden in de gedaante van het zondige vlees en terwille van de zonde, heeft Hij de zonde veroordeeld in het Vlees,
4щоб оправданнє закону сповнилось в нас, которі не по тїлу ходимо, а по духу.
4opdat door ons de gerechtigheid der Wet zou worden vervuld; door ons, die leven niet naar het vlees, maar naar de geest.
5Которі бо по тїлу, ті думають про тїлесне, которі ж по духу, — про духовне.
5Immers, wie vleselijk zijn, streven naar vleselijke dingen; maar wie geestelijk zijn, naar geestelijke dingen.
6Думаннє бо тїлесне — смерть, а думаннє духовне — життє і впокій.
6Welnu, het streven van het vlees is de dood; maar het streven van de geest is leven en vrede.
7Тим що думаннє тїлесне — ворогуваннє проти Бога; законові бо Божому не корить ся, та й не може.
7Want het streven van het vlees staat vijandig tegen God; het onderwerpt zich niet aan Gods Wet, en zelfs kàn het dit niet;
8Хто бо по тїлу, ті Богу вгодити не можуть.
8wie vleselijk zijn, kunnen God niet behagen.
9Ви ж не по тїлу, а в дусї, коли тільки Дух Божий домує в вас. Коли ж хто Духа Христового не має, то сей не Його.
9Welnu, gij zijt niet in het vlees, maar gij zijt in de geest, omdat de Geest van God in u woont; wie toch den Geest van Christus niet heeft, behoort Hem niet toe.
10Коли ж Христос в вас, тодї тїло мертве для гріха, дух же живий ради праведности.
10Maar zo Christus in u is, dan is het lichaam wel dood door de zonde, doch de geest blijft in leven door de gerechtigheid.
11Коли ж Дух Того, хто воскресив Ісуса з мертвих домує в вас, то Воскресивший Христа із мертвих оживить і смертні тїла ваші Духом своїм, що домує в вас.
11En zo in u woont de Geest van Hem, die Jesus uit de doden heeft opgewekt, dan zal Hij, die Christus Jesus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen ten leven verwekken door zijn Geest, die in u woont.
12Тим же то, браттє, ми довжники не тїлу, щоб по тїлу жити.
12Broeders, we zijn dus niet aan het vlees verplicht, naar het vlees te leven.
13Коли бо живете по тїлу, то помрете; коли ж духом дїла тїлесні мертвите, будете живі.
13En zo gij leeft naar het vlees, zult gij sterven; maar zo gij door den Geest de werken van het lichaam doodt, zult gij leven.
14Котрі бо Духом Божим водять ся, ті сини Божі.
14Allen toch, die door Gods Geest worden geleid, zijn kinderen Gods.
15Бо не прийняли ви духа неволї, знов на боязнь, а прийняли духа всиновлення, нимже покликуємо: Авва, Отче!
15Want gij hebt geen geest van slavernij ontvangen, om terug te vallen in de vrees, maar de geest van kindschap, waardoor we roepen: “Abba, Vader!”
16Сей самий Дух сьвідкує нашому духові, що ми дїти Божі,
16De Geest zelf getuigt met onze geest, dat we kinderen zijn van God.
17коли ж дїти, то й наслїдники, наслїдники Божі, а спільні наслїдники Христові, коли тільки з Ним страждемо, щоб з Ним і прославитись.
17Zijn we kinderen, dan zijn we erfgenamen tevens; erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, zo we met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden.
18Думаю бо, що муки теперішнього часу недостойні слави, що має явитись в нас.
18Want ik houd het er voor, dat het lijden dezer wereld niet opwegen kan tegen de heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden.
19Бо дожиданнє творива дожидає одкриття синів Божих.
19Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods.
20Суєтї бо твориво підневолилось не по волї, а через підневолившого, в надїї,
20Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, doch door de wil van Hem, die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop,
21що й саме твориво визволить ся з неволї зотлїння на волю слави дїтей Божих.
21dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid, om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods.
22Знаємо бо, що все твориво вкупі стогне і мучить ся аж досї.
22We weten toch, dat heel de schepping tezamen zucht en kreunt in barensweeën tot heden toe.
23Не тільки ж (воно), та й ми самі, первоплід духа маючи, й ми самі в собі стогнемо, ждучи всиновлення, избавлення тїла нашого.
23En zij niet alleen, maar ook wij, die de eerstelingen des Geestes bezitten, ook wij zuchten in ons binnenste naar de verlossing van ons lichaam, in smachtend verlangen naar het kindschap.
24Надїєю бо спаслись ми; надїя ж видима не єсть надїя; що бо хто бачить, чого й надїятись?
24Want we zijn verlost om te hopen. Maar zien wat we hopen, is geen hopen meer; hoopt men soms nog wat men ziet?
25Коли ж надїємось, чого не бачимо, терпіннєм ждемо.
25Doch zo we hopen wat we niet zien, dan smachten we er naar met geduld.
26Так же само й Дух помагає нам в немощах наших; про що бо молитись нам так, як треба, не знаємо, та сам Дух заступаєть ся за нас стогнаннєм невимовним.
26Eveneens komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want we weten niet eens, wat we behoren te vragen; maar de Geest zelf smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
27Той же, хто вивідує серця, знає, яка думка в Духа; бо по Богу промовляє за сьвятих.
27En Hij, die de harten doorgrondt, Hij weet, waar de Geest naar verzucht, en hoe Deze voor de heiligen smeekt naar Gods wil.
28Знаємо ж, що люблячим Бога, усе допомагає до доброго, котрі по постанові (Його) покликані;
28We weten ook, dat God alles ten goede leidt voor hen die Hem liefhebben, die naar zijn voorbeschikking zijn geroepen.
29бо котрих наперед узнав, тих наперед і призначив бути подобним образу Сина Його, щоб Він був первородним між многими братами.
29Want die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn.
30А кого наперед призначив, тих і покликав; а кого прикликав, тих і оправдив, а кого оправдив, тих і прославив.
30Welnu, die Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, heeft Hij ook verheerlijkt.
31Що ж скажемо на се? Коли Бог за нас, хто на нас?
31Wat zullen we hieraan nog toevoegen? Wanneer God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
32Він, що свого Сина не пощадив, а за всїх нас видав Його, хиба ж з Ним і всього нам не подарує?
32Hij, die zijn enigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgeleverd, hoe zou Hij ons tegelijk met Hem niet alles schenken?
33Хто буде винуватити вибраних Божих? Бог же, той, що оправдує!
33Wie zal de beschuldiger zijn van de uitverkorenen Gods? Is het God, die rechtvaardigt?
34Хто ж се, що осуджує? (Та ж) Христос умер, ба й воскрес; Він і по правицї в Отця, Він і заступаєть ся за нас!
34Wie zal veroordelen? Zal het Christus Jesus zijn, die gestorven is, of liever die is opgewekt, die zetelt aan Gods rechterhand, die ook onze Voorspreker is?
35Хто нас розлучить од любови Христової? чи горе, чи тїснота, чи гоненнє, чи голод, чи нагота, чи біда, чи меч?
35Of wie zal ons scheiden van Christus’ liefde? Wederwaardigheid of benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard?
36Яко ж писано: задля тебе вбивають нас увесь день, полїчено нас як овечок на заріз.
36Zoals er geschreven staat: “Om Uwentwil worden we de ganse dag gedood, Worden we als slachtvee behandeld.”
37Та у всьому тому ми побіждаємо через Возлюбившого нас.
37Maar in dit alles zegepralen we glansrijk door Hem, die ons liefheeft.
38Упевнив ся бо я, що нї смерть, нї життє, нї ангели, нї князївства, нї сили, нї теперішнє, нї будуче,
38En ik ben er zeker van, dat dood noch leven, engelen noch heerschappijen, heden noch toekomst, geen machten,
39нї висота, нї глибина, нї инше яке твориво не возможе нас розлучити від любови Божої, що в Христї Ісусї, Господї нашім.
39geen hoogte of diepte, noch enig ander schepsel ons scheiden kan van Gods liefde in Christus Jesus, onzen Heer.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.