Римлян 11
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Глаголю ж оце: Чи вже ж відопхнув Бог людей своїх? Нехай не буде! Бо й я Ізраїльтянин, із насїння Авраамового, із роду Беняминового.
1Ik vraag dus: Heeft God dan zijn volk soms verstoten? Verre vandaar! Want ook ikzelf ben een Israëliet, uit het geslacht van Abraham, uit de stam van Benjamin.
2Не відопхнув Бог людей своїх, котрих перше знав. Хиба не відаєте, що про Ілию глаголе писаннє? як він обертаєть ся до Бога проти Ізраїля, глаголючи:
2Neen, God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij uitverkoren had. Of weet gij niet, wat de schrift door Elias zegt, toen deze zich bij God over Israël beklaagde:
3Господи, пророки Твої повбивали, і жертівнї Твої порозкидали; я зоставсь один, і шукають души моєї.
3“Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren omver geworpen; ik alleen ben overgebleven, en ze staan me naar het leven.”
4Що ж глаголе йому Божа відповідь? Зоставив я собі сїм тисяч мужів, що не приклонили колїна перед Ваалом.
4Welnu, wat antwoordt hem de godsspraak: “Zeven duizend mannen heb Ik Mij voorbehouden, die de knie niet voor Baäl hebben gebogen.”
5Оттак же і в теперішнім часї єсть останок по вибору благодатї.
5Zo is er dan ook in deze tijd een overschot gebleven door de uitverkiezing der genade.
6Коли ж по благодатї, то не по дїлам; ато благодать не була б уже більш благодаттю. Коли ж по дїлам, то більш нема благодатї; ато дїло не було б уже більш дїлом.
6Maar is het door de genade, dan is het niet om de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn.
7Що ж? чого шукав Ізраїль, того не осяг, а вибір осяг, инші ж ослїпли,
7Wat volgt daaruit? Wat Israël blijft zoeken, heeft het niet verkregen. Maar de uitverkorenen onder hen hebben het wèl verkregen; de overigen echter werden verhard.
8(яко ж писано: Дав їм Бог духа дрімоти; очі, щоб не бачили, й уші, щоб не чули) до днешнього дня.
8Zó staat er geschreven: “God gaf hun een geest van loomheid; ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot op de huidige dag.”
9І Давид глаголе: Нехай буде трапеза їх на сїть і на ловитву, і на поблазнь, і на відплату їм.
9En David zegt: “Hun tafel zij hun een valstrik en net, Een struikelblok en een straf.
10Нехай оморочать ся очі їх, щоб не бачили, і хребет їх завсїди зігнутий.
10Mogen hun ogen worden verduisterd, zodat ze niet zien; En krom hun de rug voor altijd.”
11Глаголю й питаю тепер: Чи вони спіткнулись, щоб (на завсїди) упали? Нехай не буде! їх-то упадком і спасеннє поганам, щоб завдати їм зависти.
11Ik vraag dan: Zijn ze gestruikeld, om te blijven liggen? Zeer zeker niet! Maar dank zij hun val, is de redding aan de heidenen ten deel gevallen, om hèn naijverig te maken.
12Коли ж упадок їх багацтво сьвіту, і відпаденнє їх багацтво поган, скільки ж більше повнота їх?
12Welnu, wanneer hun val een schat werd voor de wereld, en hun getalverlies een schat voor de heidenen, -hoeveel te meer zal hun voltalligheid het dan zijn!
13Вам бо, поганам, глаголю, на скільки я апостол поганам: Службу мою прославляю,
13En nu heidenen, spreek ik tot u! Ofschoon ik apostel der heidenen ben, houd ik mijn ambt hoog,
14чи не завдам як зависти тїлу моєму, і не спасу которих із них.
14juist om mijn rasgenoten tot naijver te prikkelen en sommigen van hen te behouden.
15Коли бо відкинуттє їх примиреннє сьвітові, що ж (буде) прийняттє, коли не життє з мертвих?
15Want zo hun verwerping de verzoening der wereld geweest is, wat zal dan hun weder-opneming anders zijn, dan een opstanding uit de doden?
16Коли ж росчина сьвята, то й заміс; і коли корінь сьвят, то й віттє.
16Zijn immers de eerstelingen heilig, dan ook het deeg; en is de wortel heilig, dan ook de takken.
17Коли ж деякі з віття відломились, а ти, бувши дикою оливиною, прищепивсь єси замість них, і спільником коріння і туку оливного зробивсь єси,
17Welnu, wanneer enige van die takken zijn weggekapt, en gij, wilde olijf, in hun plaats zijt geënt en uw deel hebt gekregen van de wortel en het sap van de olijfboom,
18то не величай ся перед віттєм. Коли ж величаєш ся, то (знай) не ти кореня носиш, а корінь тебе.
18gaat dan niet pochen tegen de takken. En zo ge gaat pochen; niet gij draagt de wortel, maar de wortel draagt u!
19Ти ж кажеш: Відломилось віттє, щоб я прищепив ся.
19Misschien zult ge zeggen: de takken zijn weggekapt, opdat ik zou worden geënt.
20Добре: невірою відломились вони, ти ж вірою стоїш. Не носись високо, а бій ся.
20Heel goed; maar de takken zijn weggekapt om hun ongeloof, en gij zit vast door het geloof. -Koester geen hoge dunk van uzelf, maar vrees;
21Коли бо Бог природнього віття не пощадив, (гледи) що й тебе не пощадить.
21wanneer God de echte takken niet heeft ontzien, dan zal Hij ook ú niet ontzien.
22Вбачай же благость і непощадіннє Боже: на тих, що відпали, непощадіннє; на тебе ж благость, коли пробувати меш у благости; коли ж нї, то й ти будеш відтятий.
22Overweegt dus de goedheid, maar ook de strengheid van God: Gods strengheid over hen, die zijn weggevallen, doch zijn goedheid voor u, zo ge door zijn goedheid volhardt; anders zult ook gij worden weggekapt.
23І вони ж, як не зостануть ся в невірстві, прищеплять ся; здолїє бо Бог знов прищепити їх.
23Maar ook die anderen zullen weer worden geënt, wanneer ze niet volharden in hun ongeloof; want God is bij machte, om ze opnieuw te enten.
24Коли бо ти відтятий від оливини, дикої по природї, і проти природи прищеплений до доброї оливини, то як більш сї, що по природї прищеплять ся до своєї оливини.
24Waarachtig, wanneer gijzelf van een wilde olijf zijt gekapt waartoe ge van nature behoort, en tegen de natuur in, op de tamme olijf zijt geënt; hoeveel gemakkelijker zullen zij op hun eigen olijf worden geënt, waartoe ze van nature behoren!
25Не хочу бо, щоб ви не відали тайни сієї, брати (щоб не були самі в собі мудрими), що ослїпленнє від части Ізраїлеві стало ся, доки сповненнє поган увійде.
25Welnu broeders, om u te behoeden voor zelfoverschatting, wil ik u niet onkundig laten van dit geheim: een deel van Israël is verhard, totdat de massa der heidenen is binnengegaan;
26І так увесь Ізраїль спасеть ся, яко ж писано: Прийде з Сіону Збавитель, і одверне безбожжє від Якова;
26en dan zal heel Israël worden gered; zoals er geschreven staat: “De Verlosser zal komen uit Sion, De goddeloosheid verwijderen van Jakob:
27і се їм од мене завіт, коли зниму гріхи їх.
27En dit zal mijn Verbond met hen zijn, Wanneer Ik hun zonden zal hebben vergeven.”
28По благовістю (вони) вороги задля вас; по вибранню ж полюблені задля отцїв.
28Zeker, met betrekking tot het Evangelie zijn ze vijanden om uwentwil; maar met betrekking tot de uitverkiezing zijn ze de welbeminden om wille der Vaders;
29Бо в даруваннях і покликанню Бог не каєть ся.
29want nooit heeft God berouw over genadegaven en roeping.
30Бо, як і ви колись противились Богові, тепер же помилувані через непокору сих,
30Zoals gij eertijds ongehoorzaam aan God zijt geweest, maar thans door hùn ongehoorzaamheid barmhartigheid hebt gevonden,
31так і сї тепер противились, щоб через ваше помилуваннє і їх помилувано.
31zó zijn ook zij nu nog wel ongehoorzaam om de u betoonde ontferming, opdat eenmaal ook zij op hun beurt barmhartigheid mogen verkrijgen.
32Зачинив бо Бог усїх у непокору, щоб усїх помилувати.
32Want God heeft allen onder ongehoorzaamheid gevangen gehouden, om aan allen zijn barmhartigheid te tonen.
33О, глибино багацтва і премудрости і розуму Божого! як не довідомі присуди Його і не дослїджені дороги Його!
33O afgrond van rijkdom en wijsheid en kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn toch zijn raadsbesluiten, hoe onnaspeurlijk zijn wegen!
34Хто бо зрозумів ум Господень? або хто порадником Йому був?
34“Wie toch kent ‘s Heren gedachte, Of wie is zijn raadsman geweest?
35або хто наперед дав Йому, щоб Він віддав йому?
35Of wie heeft Hem het eerst iets gegeven, Zodat hij terugontvangen moet?”
36Бо з Него, і Ним, і в Него все. Єму слава на віки. Амінь.
36Immers, uit Hem en door Hem en voor Hem is alles! Hem zij de glorie in eeuwigheid. Amen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.