Mateus 15
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Então fariseus e escribas vieram de Jerusalém a Jesus, dizendo:
1Toen kwamen schriftgeleerden en farizeën van Jerusalem op Hem af, en zeiden:
2“Por que os seus discípulos desobedecem à tradição dos anciãos? Pois eles não lavam as mãos quando comem pão.”
2Waarom overtreden uw leerlingen de overlevering der ouden? Zij wassen hun handen niet eens, als ze brood eten.
3Ele lhes respondeu: “Por que vocês também desobedecem ao mandamento de Deus por causa da tradição de vocês?
3Hij gaf hun ten antwoord: Waarom overtreedt gijzelf Gods gebod ter wille van uw overlevering? Want God heeft gezegd:
4Pois Deus ordenou: 'Honre seu pai e sua mãe', e: 'Quem falar mal de pai ou mãe, que seja morto.'
4Eert uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, moet sterven.
5Mas vocês dizem: ‘Quem disser a seu pai ou a sua mãe: “Qualquer ajuda que você poderia ter recebido de mim é uma oferta dedicada a Deus”,
5Maar gij verklaart: Wie tot vader of moeder zegt: “Alles, waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn, is tot offergave bestemd,”
6esse não honrará seu pai ou sua mãe.' Vocês anularam o mandamento de Deus por causa da tradição de vocês.
6behoeft vader of moeder niet te eren. En om uw overlevering ziet gij Gods gebod over het hoofd.
7Hipócritas! Bem profetizou Isaías a respeito de vocês, dizendo:
7Huichelaars, terecht heeft Isaias van u geprofeteerd:
8'Este povo se aproxima de mim com a sua boca, e me honra com os seus lábios; mas o seu coração está longe de mim.
8Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
9E em vão me adoram, ensinando como doutrina regras feitas por homens.'”
9Ze eren Mij tevergeefs, daar ze leerstellingen voordragen, die menselijke geboden zijn.
10Ele chamou a multidão e lhes disse: “Ouçam e entendam.
10En nadat Hij het volk tot Zich had geroepen, sprak Hij tot hen: Hoort en verstaat.
11O que entra pela boca não contamina o homem; mas o que sai da boca, isso contamina o homem.”
11Niet wat de mond ingaat, bezoedelt den mens; maar wat de mond uitkomt, dat bezoedelt den mens.
12Então os discípulos se aproximaram e lhe disseram: “Você sabe que os fariseus se ofenderam quando ouviram essa palavra?”
12Nu naderden zijn leerlingen, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?
13Mas ele respondeu: “Toda planta que meu Pai celestial não plantou será arrancada pelas raízes.
13Hij antwoordde: Iedere plant, die mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt.
14Deixem-nos em paz. Eles são guias cegos de cegos. Se um cego guiar outro cego, ambos cairão num buraco.”
14Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde den anderen leidt, vallen ze allebei in de kuil.
15Pedro lhe respondeu: “Explique-nos a parábola.”
15Toen nam Petrus het woord, en zeide: Verklaar ons deze gelijkenis.
16Então Jesus disse: “Vocês também ainda não entendem?
16Hij sprak: Zijt ook gij nog zonder inzicht?
17Vocês não entendem que tudo o que entra pela boca vai para o estômago e depois é expelido do corpo?
17Begrijpt gij niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik terecht komt, en op zekere plaats wordt uitgeworpen?
18Mas as coisas que saem da boca vêm do coração, e são essas que contaminam o homem.
18Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat verontreinigt den mens.
19Pois do coração saem os maus pensamentos, os assassinatos, os adultérios, os pecados sexuais, os roubos, o falso testemunho e as blasfêmias.
19Want uit het hart komen slechte gedachten voort, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, godslasteringen.
20Estas são as coisas que contaminam o homem; mas comer sem lavar as mãos não contamina o homem.”
20Dit is het, wat den mens bezoedelt. Maar met ongewassen handen eten, bezoedelt den mens niet.
21Jesus saiu dali e retirou-se para a região de Tiro e Sidom.
21Toen vertrok Jesus van daar, en begaf zich naar de streek van Tyrus en Sidon.
22Eis que uma mulher cananeia, vinda daquelas fronteiras, clamou, dizendo: “Tenha misericórdia de mim, Senhor, Filho de Davi! Minha filha está terrivelmente possuída por um demônio!”
22En zie, een kanaänietische vrouw, afkomstig uit die streek, riep Hem toe: Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David; mijn dochter wordt vreselijk door den duivel gekweld.
23Mas ele não lhe respondeu palavra alguma. Seus discípulos se aproximaram e lhe imploraram, dizendo: “Mande-a embora, pois ela vem gritando atrás de nós.”
23Hij gaf haar geen antwoord. En zijn leerlingen kwamen, en verzochten Hem: Stel haar tevreden; want ze roept ons achterna.
24Mas ele respondeu: “Eu não fui enviado a ninguém senão às ovelhas perdidas da casa de Israel.”
24Hij antwoordde: Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden.
25Mas ela se aproximou e o adorou, dizendo: “Senhor, ajude-me.”
25Maar ze kwam naar Hem toe, wierp zich voor Hem neer, en zeide: Heer, help mij.
26Mas ele respondeu: “Não é apropriado pegar o pão dos filhos e jogá-lo aos cães.”
26Hij gaf haar ten antwoord: Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen, en het voor de hondjes te werpen.
27Mas ela disse: “Sim, Senhor, mas até os cães comem as migalhas que caem da mesa dos seus donos.”
27Maar ze zeide: Ja wel, Heer; ook de hondjes eten toch van de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen.
28Então Jesus lhe respondeu: “Mulher, grande é a sua fé! Que seja feito a você assim como deseja.” E desde aquela hora sua filha foi curada.
28Toen antwoordde Jesus: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, zoals ge verlangt. Van dat ogenblik af was haar dochter genezen.
29Jesus partiu dali e chegou perto do mar da Galileia; e subindo o monte, sentou-se ali.
29Toen Jesus van daar was vertrokken, kwam Hij aan het meer van Galilea, ging de berg op, en zette Zich daar neer.
30Grandes multidões vieram a ele, trazendo consigo coxos, cegos, mudos, aleijados e muitos outros, e os colocaram aos seus pés. Ele os curou,
30Daar kwamen grote scharen naar Hem toe, die kreupelen, lammen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden; men legde ze aan zijn voeten neer, en Hij genas ze.
31de modo que a multidão se maravilhou ao ver os mudos falando, os aleijados curados, os coxos andando e os cegos vendo — e eles glorificaram o Deus de Israel.
31De menigte stond verbaasd bij het zien, hoe stommen spraken, lammen genazen, kreupelen liepen, blinden zagen; en ze verheerlijkten den God van Israël.
32Jesus chamou seus discípulos e disse: “Tenho compaixão da multidão, porque já estão comigo há três dias e não têm o que comer. Não quero mandá-los embora em jejum, para que não desmaiem pelo caminho.”
32Nu riep Jesus zijn leerlingen bijeen, en sprak: Ik heb medelijden met de schare; want reeds drie dagen zijn ze bij Mij, en ze hebben niets te eten. Ik wil ze dus niet ongespijsd laten gaan, opdat ze onderweg niet bezwijken.
33Os discípulos lhe disseram: “Onde conseguiríamos tantos pães num lugar deserto, a ponto de satisfazer uma multidão tão grande?”
33Maar de leerlingen zeiden tot Hem: Hoe zullen we ons in een woestijn genoeg brood verschaffen, om zulk een grote menigte te verzadigen?
34Jesus lhes perguntou: “Quantos pães vocês têm?” Eles disseram: “Sete, e alguns peixinhos.”
34Jesus zei hun: Hoeveel broden hebt gij? Ze antwoordden: Zeven, en enkele visjes.
35Ele ordenou que a multidão se sentasse no chão;
35Toen beval Hij het volk, op de grond te gaan zitten.
36e pegou os sete pães e os peixes. Ele deu graças, os partiu e os entregou aos discípulos, e os discípulos às multidões.
36Hij nam de zeven broden en de vissen, sprak een dankzegging uit, brak ze, en gaf ze aan zijn leerlingen; en de leerlingen gaven ze aan het volk.
37Todos comeram e ficaram satisfeitos. E recolheram sete cestos cheios dos pedaços que sobraram.
37Allen aten, en werden verzadigd. En ze verzamelden de overgeschoten brokken: zeven korven vol.
38Os que comeram foram quatro mil homens, além de mulheres e crianças.
38Het waren ongeveer vier duizend mannen, die hadden gegeten, behalve nog de vrouwen en kinderen.
39Então ele despediu as multidões, entrou no barco e foi para a região de Magdala.
39En nadat Hij de menigte had heengezonden, ging Hij de boot in, en vertrok naar het gebied van Magadán.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.