Mateus 4
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Então Jesus foi levado pelo Espírito ao deserto, para ser tentado pelo diabo.
1Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel te worden bekoord.
2Depois de jejuar quarenta dias e quarenta noites, ele teve fome.
2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.
3O tentador aproximou-se e lhe disse: “Se você é o Filho de Deus, mande que estas pedras se transformem em pão.”
3De bekoorder naderde Hem, en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen brood moeten worden.
4Mas ele respondeu: “Está escrito: ‘Nem só de pão viverá o homem, mas de toda palavra que procede da boca de Deus.’”
4Maar Hij antwoordde: Niet van brood alleen leeft de mens, doch van ieder woord, dat komt uit de mond van God.
5Então o diabo o levou à cidade santa. Ele o colocou sobre o pináculo do templo,
5Toen voerde de duivel Hem naar de heilige stad, plaatste Hem op het dakterras van de tempel,
6e lhe disse: “Se você é o Filho de Deus, jogue-se daqui para baixo, pois está escrito: ‘Aos seus anjos ele dará ordens a seu respeito’, e, ‘Eles o sustentarão nas mãos, para que você não tropece em alguma pedra.’”
6en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij over u bevelen, en zij zullen u op de handen dragen, opdat ge aan geen steen uw voet zoudt stoten”.
7Jesus lhe disse: “Também está escrito: ‘Não ponha à prova o Senhor, o seu Deus.’”
7Jesus zeide hem: Er staat ook geschreven: “Gij zult den Heer uw God niet beproeven”.
8Novamente, o diabo o levou a um monte altíssimo e lhe mostrou todos os reinos do mundo e a glória deles.
8Weer nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg, en toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid.
9E lhe disse: “Tudo isso lhe darei, se você se prostrar e me adorar.”
9En hij zeide: Dit alles zal ik U geven, zo Gij neervalt en mij aanbidt.
10Então Jesus lhe disse: “Para trás de mim, Satanás! Pois está escrito: ‘Adore ao Senhor, o seu Deus, e sirva somente a ele.’”
10Toen sprak Jesus: Ga heen, satan; want er staat geschreven: “Gij zult den Heer uw God aanbidden, en Hem alleen dienen”.
11Então o diabo o deixou, e eis que anjos vieram e o serviram.
11Toen verliet Hem de duivel, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem.
12Quando Jesus ouviu que João tinha sido preso, retirou-se para a Galileia.
12Toen Jesus vernam, dat Johannes was gevangen genomen, vertrok Hij naar Galilea.
13Deixando Nazaré, foi morar em Cafarnaum, que fica à beira-mar, na região de Zebulom e Naftali,
13En nadat Hij Názaret had verlaten. kwam Hij te Kafárnaum wonen bij het meer, in het gebied van Zábulon en Néftali;
14para que se cumprisse o que foi dito por meio do profeta Isaías, que diz:
14opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:
15“A terra de Zebulom e a terra de Naftali, caminho do mar, além do Jordão, Galileia dos gentios;
15Het land van Zábulon En het land van Néftali, De weg naar zee, de overzijde van de Jordaan. Het Galilea der heidenen;
16o povo que estava sentado nas trevas viu uma grande luz; e aos que estavam sentados na região e sombra da morte, a luz raiou para eles.”
16Het volk, dat in duisternis zat, Heeft een groot licht aanschouwd. En over hen, die in het oord En in de schaduw des doods waren gezeten, Is een licht opgegaan.
17Daquele tempo em diante, Jesus começou a pregar e a dizer: “Arrependam-se! Pois o Reino dos Céus está próximo.”
17Van toen af begon Jesus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij.
18Andando à beira do mar da Galileia, ele viu dois irmãos: Simão, chamado Pedro, e André, seu irmão, lançando uma rede ao mar; pois eram pescadores.
18Terwijl Jesus langs het meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers het net uitwerpen in het meer: Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer; want ze waren vissers.
19Ele lhes disse: “Sigam-me, e eu farei de vocês pescadores de homens.”
19Hij zeide hun: Volgt Mij, en Ik zal mensenvissers van u maken.
20Eles imediatamente deixaram suas redes e o seguiram.
20Aanstonds verlieten ze hun netten, en volgden Hem.
21Indo mais adiante, viu outros dois irmãos: Tiago, filho de Zebedeu, e João, seu irmão. Eles estavam no barco com seu pai, Zebedeu, consertando as redes. Ele os chamou.
21En toen Hij vandaar verder ging, zag Hij twee andere broers, Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die met hun vader Zebedeüs in de boot bezig waren, hun netten te herstellen; Hij riep ook hen.
22Eles imediatamente deixaram o barco e o pai, e o seguiram.
22Onmiddellijk verlieten ze de boot en hun vader, en volgden Hem.
23Jesus percorria toda a Galileia, ensinando nas sinagogas deles, pregando o Evangelho do Reino e curando todas as doenças e enfermidades entre o povo.
23Nu trok Jesus heel Galilea door, leerde in hun synagogen, en preekte het Evangelie van het rijk; Hij genas iedere kwaal en iedere ziekte onder het volk.
24As notícias a seu respeito se espalharam por toda a Síria. Trouxeram-lhe todos os que estavam doentes, afligidos por várias doenças e tormentos, endemoninhados, epilépticos e paralíticos; e ele os curou.
24Zijn faam verspreidde zich door heel Syrië; en men bracht Hem allerlei kranken, die met verschillende ziekten en kwalen waren bezocht, ook bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen; en Hij genas ze allen.
25Grandes multidões da Galileia, de Decápolis, de Jerusalém, da Judeia e do outro lado do Jordão o seguiam.
25En talrijke scharen uit Galilea en de Dekápolis, uit Jerusalem, Judea en het Overjordaanse volgden Hem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.