Matäuj
Chapter 4
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Iejuj ap kotin kakaluadala ren Nen nan jap tan, pwen jonejon ren tewil.
1Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel te worden bekoord.
2A lao kotin kaijejolar ran panaul o pon panaul ap men jak.
2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.
3Men kajonejon ap pwara don I indada: Ma komui Japwilim en Kot, en majani, takai pukat en wiala prot.
3De bekoorder naderde Hem, en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen brood moeten worden.
4A kotin japen majani: A intinidier: Kaidin prot eta, me aramaj kin memaureki, pwe majan akan karoj, me kin pwili jan nin jilan in Kot.
4Maar Hij antwoordde: Niet van brood alleen leeft de mens, doch van ieder woord, dat komt uit de mond van God.
5Tewil ap kalualan i nan kanim jaraui o kauada i pon konkon en kaudok,
5Toen voerde de duivel Hem naar de heilige stad, plaatste Hem op het dakterras van de tempel,
6Indan i: Ma komui Japwilim en Kot, kajedi pein komui, pwe a intinidier: A pan kajilaki japwilim a tounlan kan komui, o irail pan wa komui ni lim ar akan, pwe aluwilu omui ede dipikelekel ni takai eu.
6en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij over u bevelen, en zij zullen u op de handen dragen, opdat ge aan geen steen uw voet zoudt stoten”.
7Iejuj kotin majani on i: A pil intinidier: Koe der kajonejon Kot om Kaun.
7Jesus zeide hem: Er staat ook geschreven: “Gij zult den Heer uw God niet beproeven”.
8Tewil ap pil kaluadalan i pon nana ileile kaualapia eu o kajale on i wein jappa karoj o a linan,
8Weer nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg, en toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid.
9Indan i: Mepukat karoj i pan ki on komui, ma komui men poridi o poni on ia.
9En hij zeide: Dit alles zal ik U geven, zo Gij neervalt en mij aanbidt.
10Iejuj ap kotin majani on i: Ko jan ia Jatan, pwe a intinidier: Koe en poni on Kot om Kaun, i eta koe en papa.
10Toen sprak Jesus: Ga heen, satan; want er staat geschreven: “Gij zult den Heer uw God aanbidden, en Hem alleen dienen”.
11Tewil ap muei jan i, a kilan, tounlan kan ap pwarado papa on i.
11Toen verliet Hem de duivel, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem.
12A lao manier, me Ioanej jalidier, ap kotilan Kalilaa,
12Toen Jesus vernam, dat Johannes was gevangen genomen, vertrok Hij naar Galilea.
13O a kotin muei jan Najaret, kotido kaukaujonla Kapernaum, me mi ni kailan jed impan jap Jepulon o Naptalim;
13En nadat Hij Názaret had verlaten. kwam Hij te Kafárnaum wonen bij het meer, in het gebied van Zábulon en Néftali;
14Pwen pwaida, me lokido ren jaukop Iejaia me majani:
14opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:
15Jap Jepulon o jap Naptalim, me jal on jed, palilan Iordan, o Kalilaa en men liki kan,
15Het land van Zábulon En het land van Néftali, De weg naar zee, de overzijde van de Jordaan. Het Galilea der heidenen;
16Aramaj akan, me momod nan rotorot, kilaner marain lapalap eu, o irail me momod nan jap en mot en mela, marain eu dakar irail adar.
16Het volk, dat in duisternis zat, Heeft een groot licht aanschouwd. En over hen, die in het oord En in de schaduw des doods waren gezeten, Is een licht opgegaan.
17I dokan Iejuj kotin tapiadar padapadak o mamajani: Kalula, pwe wein nanlan korendor.
17Van toen af begon Jesus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij.
18A lao kotikot jili pon oror en lein Kalilaa, ap majanier pirien eu, Jimon, me adaneki Petruj, o ri a Andreaj, me kadukaduedi ara uk nan jed, pwe ira me jaujed.
18Terwijl Jesus langs het meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers het net uitwerpen in het meer: Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer; want ze waren vissers.
19A ap kotin majani on ira: Idauen ia do, I pan wia kin koma jaujed en aramaj!
19Hij zeide hun: Volgt Mij, en Ik zal mensenvissers van u maken.
20Ira madan muei jan uk akan o idauenla i.
20Aanstonds verlieten ze hun netten, en volgden Hem.
21A ni a kotila jan waja o, ap pil majani eu pirien, Iakopuj, nain Jepedauj o ri a Ioanej, me mi nin jop ren jam ara Jepedauj, wonewone ara uk akan. I ari kotin molipe ira do.
21En toen Hij vandaar verder ging, zag Hij twee andere broers, Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die met hun vader Zebedeüs in de boot bezig waren, hun netten te herstellen; Hij riep ook hen.
22Ira madan muei jan jop o jam ara ap idauenla i.
22Onmiddellijk verlieten ze de boot en hun vader, en volgden Hem.
23Iejuj ari kotin kakan jili nan Kalilaa kaukawewe nan arail jinakoke kan o padapadak ronamau en wei, o kotin kakelada jon en jomau o luet akan karoj nan pun en aramaj akan.
23Nu trok Jesus heel Galilea door, leerde in hun synagogen, en preekte het Evangelie van het rijk; Hij genas iedere kwaal en iedere ziekte onder het volk.
24I ari indant jili nan Jirien pon. O irail wa don i me jomau kan karoj, me aneki jon en jomau o wairok kai, o me tewil ti poa kan, o me pwepwe kan, o me rerer akan, i ari kotin kakela ir ada.
24Zijn faam verspreidde zich door heel Syrië; en men bracht Hem allerlei kranken, die met verschillende ziekten en kwalen waren bezocht, ook bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen; en Hij genas ze allen.
25Pokon kalaimun me idauenla i jan Kalilaa o Dekapolij, o Ierujalem, o Iudaa, o jan palilan Iordan.
25En talrijke scharen uit Galilea en de Dekápolis, uit Jerusalem, Judea en het Overjordaanse volgden Hem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.