Matäuj
Chapter 11
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1KADEKADEO Iejuj lao kaimwijokela a majan on japwilim a tounpadak ekriamen, ap kotila jan waja o, pwen kaukawewe o padapadak nan ar kanim akan.
1Nadat Jesus de lessen voor zijn twaalf leerlingen had geëindigd, ging Hij heen, om te leren en te preken in hun steden.
2A Ioaneij lan roner nan imaten wiawian Krijtuj, ap poronela a tounpadak kai.
2Toen Johannes in de gevangenis de werken van Christus vernam, liet hij Hem door zijn leerlingen vragen:
3Kalelapok re a: Ir me pan kotido, de jen auiaui amen?
3Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
4Iejuj kotin japen majani on irail: Komail kowei kaireki Ioanej, me komail ron o kilan:
4Jesus antwoordde hun:Gaat en bericht aan Johannes, wat gij hoort en ziet.
5Me majkun akan kin kilan waja, o me danidan kan kin alu, o me tuketuk kan kin makeladar, o me jalonepon kan kin ron waja, o me melar akan kin maureda, o ronamau kin loloki on me jamama kan.
5Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd.
6O meid pai, me jota pan makar kin ia.
6Zalig is hij, die zich niet ergert aan Mij.
7Mepukat lao kokola, Iejuj ap kotin tapiadar mamajani on pokon o duen Ioanej: Da me komail koieila en kilan nan jap tan? Alek pot, me kin duedualokki an?
7Toen ze waren heengegaan, begon Jesus tot de menigte over Johannes te spreken: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet, dat door de wind wordt bewogen?
8De da me komail koieila en kilan? Aramaj amen nan likau muterok? Kilan, me kin likau kida likau muterok, kin mi nan im en nanmarki kan.
8Neen; wat zijt gij gaan zien? Een mens, in zachte kleren gedost? Zie, die in zachte kleren gedost gaan, zijn in de paleizen der koningen.
9De da me komail koieila en kilan? Jaukop amen? Ei I indai on komail a laude jan jaukop amen.
9Waarom zijt ge dan uitgelopen? Om een profeet te zien? Ja, zeg Ik u, en meer dan een profeet.
10Pwe iei i, me intinidier: Kilan I kadarala mo ’mui ai men kadar, me pan koko al mo ’mui.
10Hij is het, van wien geschreven staat: “Zie, Ik zend mijn gezant voor U uit, Die U de weg zal bereiden.”
11Melel I indai on komail, jota me ipwidi jan ren li akan, me laude jan Ioanej jaunpaptaij. Ari jo, me tikitik nan wein nanlan, iei me laude jan i.
11Voorwaar, Ik zeg u: Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, die groter was dan Johannes de Doper; toch is de kleinste in het rijk der hemelen groter dan hij.
12A jan ni muein Ioanej jaunpaptaij kokodo lei met wein nanlan kokido eta manaman, ari me manaman akan kin koledi on irail.
12Van de dagen van Johannes den Doper tot heden toe wordt het rijk der hemelen met geweld bestormd, en de bestormers nemen het weg.
13Pwe jaukop karoj o kapun kokopadar lao lei Ioanej.
13Alle profeten en de Wet, tot Johannes toe, hebben het voorzegd;
14O ma komail men duki on, nan iei Eliaj, me pan kodo.
14en zo gij het wilt verstaan: hijzelf is de Elias, die komen moet.
15Me jalon a mia, men ron, i en ron!
15Wie oren heeft om te horen, hij hore.
16A da me I en karajai on di wet? A raj on jeri kan, me kin momod nan wajan net akan o likelikwir on kij arail,
16Doch waarmee zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markt zitten, en hun makkers toeroepen:
17Indada: Kit kajan on komail, a komail, jota kakalek; kit kauleki on komail kaul en mamauk, a komail jota janejan.
17We hebben voor u op de fluit gespeeld, En gij hebt niet gedanst; We hebben een treurlied gezongen, En gij hebt niet geschreid.
18Pwe Ioanej pwarado, ap jota kan o nim, a re kin inda: Nan tewil kin ti poa.
18Want Johannes kwam; hij at noch dronk, en ze zeggen: Hij is van den duivel bezeten.
19Nain aramaj pwarado, manamana o nim, a re kin inda: Kilan, me kaped en mana o kamom jakau, kompoke pan jaunopwei o me dipan akan, a lolekon o kin diarok kida na jeri ko.
19De Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en ze zeggen: Ziet wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars. Maar de wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd.
20A kotin tapiada kidaueda kanim akan, me a wiai oner manaman to to, aki re jota kalula:
20Toen begon Hij de steden, waarin de meeste zijner wonderen waren gebeurd, te verwijten, dat ze zich niet hadden bekeerd.
21Juedi on uk Korajin! Juedi ON uk Petjaida! Pwe ma manaman akan, me wiaui on uk er, wiauier on Tiruj o Jidon, nan melel re pan pitipit kalula nan tuk en likau o nan paj.
21Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze al lang in zak en as boete hebben gedaan.
22A I indai on komail, a pan monai on Tiruj o Jidon ni ran en kadeik jan komail.
22Maar Ik zeg u: Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor u.
23A koe Kapernaum, me paidar lel nanlan, pan pijikindi nun pweleko; pwe ma manaman akan, me wiaui on uk er, wiauier on Jodom, nan a pan mimieta lau lel ran wet.
23En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge zinken; want zo in Sódoma de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, het zou zijn blijven bestaan tot op de huidige dag.
24A I indai on komail, a pan monai on jap en Jodom ni ran mi kadeik jan koe.
24Maar Ik zeg u: Voor het land van Sódoma zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor u.
25Ni anjau ota Iejuj kotin tapiadar majani: I kapina komui Jam, Kaun pan lan o jappa, me komui okila mepukat jan me lolekon o koiok kan, ap kajale on jeri pwelel akan.
25In die tijd nam Jesus het woord, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en aan kleinen geopenbaard.
26Ei Jam ai, pwe iduen me komui kupukupura.
26Ja, Vader, zo is uw welbehagen geweest.
27Meakaroj muei on ia er jan ren Jam ai, o jota amen, me aja japwilim a Ol, pwe Jam eta, o jota amen, me aja Jam, pwe japwilim a Ol eta, o me japwilim a Ol pan kajale on.
27Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. En niemand kent den Zoon, dan de Vader alleen; en niemand kent den Vader, dan de Zoon alleen, en hij, aan wien de Zoon het openbaren wil.
28Komail karoj, me panadar o toutoular kodo re i I pan kamolielei komail la.
28Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.
29Ale on komail ai iok, o padakki jan ia; pwe Nai me opampap o karakarak melel, komail ari pan diarada kamol pan nen omail.
29Neemt mijn juk op, en leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte; dan vindt gij rust voor uw zielen.
30Pwe ai iok me manai, o katoutou pai me marara.
30Want mijn juk is zacht, mijn last is licht.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.