Matäuj
Chapter 23
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1IEJUJ ap kotin kaparok on pokon o japwilim a tounpadak kan,
1Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen:
2Majani; Jaunkawewe o Parijar akan kin mondi nan deun Mojej.
2Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën.
3Ari, karoj me re indan komail, i me komail en wia o kapwaiada, a dor ale jaw ar wiawia kan; pwe irail kin indada, ap jota kapwaiada.
3Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet.
4Re kin pira pena kapwa en wijik me toutou melel, ap kidan pon apar en aramaj, a irail jota men jairki jondin pa arail.
4Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken.
5O re kin kapwaiada ar wiawia kan karoj, pwe aramaj en ududial. Pwe irail kin kadalape ar kijin likau en kataman o kalaudela ni kailan ar likau.
5Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot.
6Irail kin nonki mondi ni tapin tepel ni kamadip o, o leppandam nan jinakoke kan.
6Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen,
7O re kin mauki, aramaj en ranamau on irail nan deun net, o aramaj en wia kin ir Rapi, Rapi,
7en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd.
8A komail der wonki, aramaj en wia kin komail Rapi, pwe me ta men omail Jaunpadak, a komail pirien pena.
8Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders.
9O komail der kaadaneki meamen jam nan jappa, pwe amen Jam omail, me kotikot nanlan.
9Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is.
10O komail der nonki, aramaj en wia kin komail jaumaj, pwe me ta men omail Jaumaj: Krijtuj.
10Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus.
11A me lapalap re omail, en omail papa.
11De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
12Pwe me pan kajapwilada pein i, pan japwilidi, a me pan Kujapwilidi pein i, pan kajapwilada.
12Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.
13Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Komail kin ritinidi wein nanlan mon aramaj akan, pwe komail jota pan pedelon, a me men pedelon, komail jota kin mueid on.
13Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het rijk der hemelen sluit voor de mensen. Want gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan.
14Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Komail me nopur jan im en li odi kan ap liliajoj kapakap reirei. Omail kalokolok pan laud melel.
14Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het goed der weduwen verslindt onder het vertoon van lange gebeden. Daarom zult gij zo streng worden geoordeeld.
15Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Komail kin pidipidaki jed o jap, pwen wiada projelit amen, a lao wialar, komail ap pan wia kin i toun pweleko amen, me jued jan komail.
15Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die land en zee doorkruist, om één enkelen bekeerling te maken; maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal erger dan gijzelf.
16Juedi on komail jaunkalua majkun, komail me kin inda: Meamen kin kaukila im en kaudok, dene jota katepa, a me kin kaukila kold en im en kaudok, i me pun.
16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan is het niets; maar die zweert bij het goud van de tempel, is gebonden.
17Komail pweipwei o majkun, pwe da me kajampwal ren kold de im en kaudok o, me kin kajarauiala kold?
17Dwazen en verblinden! Wat toch is meer, het goud of de tempel, waardoor het goud wordt geheiligd?
18O meamen kin kaukila pei jaraui, dene jota katepa, a me kaukila mairon, me mi poa dene I me pun,
18En: zweert men bij het altaar, dan is het niets; maar zweert men bij de offergave, die er op ligt, dan is men gebonden.
19Komail pweipwei o majkun, pwe da me kajampwal ren mairon de pei jaraui, me kin kajarauiala mairon?
19Verblinden! Wat toch is meer: de offergave of het altaar, waardoor de offergave wordt geheiligd?
20Ari, meamen kaukila pei jaraui, kin kaukila i o meakan, me mi poa.
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.
21O meamen kaukila im en kaudok, kin kaukila i ianaki i me kotikot lole.
21En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.
22O me kaukila nanlan, kin kaukila mol en Kot o me kin kaipokedi on poa.
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.
23Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Komail kin maironki eijokkij eu en minje, o til, o kimel, ap jota injenoki kujoned en kapun kajampwal akan: Pun, o kadek, o pojon. Komail wiada mepukat, ap pil kapwaiada me tei kan!
23Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
24Jaunkalua majkun komail, me kin ijenoki kijin am enwel, ap katalala kamel!
24Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.
25Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Pwe komail kin kamakelekel kajak o dal liki, a lol me dir en me re kuliada o me jued.
25Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.
26Parijar majkun koe, kamakelekele maj lol en kajak o dal akan, pwe pali liki en pil makelekeleda!
26Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.
27Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Komail rajon joujou kan, me jementen, me kin janjal kajelel, a lole me dir en ti en me melar akan o jow en jaut karoj.
27Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.
28I duen komail, me janjal pun mon aramaj, a lole komail me dir en malaun o japun.
28Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.
29Juedi on komail jaunkawewe o Parijar akan, malaun komail! Pwe komail kin apapwali joujou en jaukop akan o kapwataki joujou en me pun kan.
29Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,
30Ap inda: Ma kit mia ni muein jam atail akan, kit jota pan ian irail kamela jaukop akan.
30en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.
31Ari, pein komail kin kadede, me komail nain me kamelar jaukop akan.
31Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
32A komail kaunjokala wiawia en jam omail akan!
32Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.
33Komail jerpent o wan oter akan! Pala komail pan piti jan kadeik en nan pweleko?
33Slangen, adderenbroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen?
34Kilan, i me I kadara don komail jaukop akai, o me lolekon kai, o jaunkawewe kai; a akai irail, me komail pan kamela, o kalopuela, o akai komail pan kaloke nan omail jinakoke kan, o komail pan paki irail jan nan eu kanim on nan eu.
34Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,
35Pwen kapokon on komail nta makelekel karoj, me kapwilipwilidier nan jappa jan ntan Apel pun kokodo lei ntan Jakariaj, nain Parakiaj, me komail kamelar nan pun en im en kaudok o pei jaraui.
35opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot het bloed van Zakarias, den zoon van Barakias, dien gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
36Melel I indai on komail, mepukat pan pwai on di wet.
36Voorwaar, Ik zeg u: neerkomen zal dit alles op dit geslacht.
37O Ierujalem, Ierujalem, me kin kamela jaukop akan o kate me pakadara don uk kan; pan pak toto. me I pan kapokon pena noumail akan, duen litok kin kompwal pena na purok kan pan pa a, a komail kan.
37Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild.
38Kilan, im omail pan tanla.
38Zie, uw huis zal in puin blijven liggen.
39Pwe I indai on komail, komail jolar pan kilan ia jan ni anjau wet, lao komail pan inda: Meid iajanai, me kotido ni mar en Kaun o!
39En Ik zeg u: Van nu af zult gij Mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.