Mattheum 23
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tunc Jesus locutus est ad turbas, et ad discipulos suos,
1Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen:
2dicens: Super cathedram Moysi sederunt scribæ et pharisæi.
2Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën.
3Omnia ergo quæcumque dixerint vobis, servate, et facite: secundum opera vero eorum nolite facere: dicunt enim, et non faciunt.
3Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet.
4Alligant enim onera gravia, et importabilia, et imponunt in humeros hominum: digito autem suo nolunt ea movere.
4Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken.
5Omnia vero opera sua faciunt ut videantur ab hominibus: dilatant enim phylacteria sua, et magnificant fimbrias.
5Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot.
6Amant autem primos recubitus in cœnis, et primas cathedras in synagogis,
6Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen,
7et salutationes in foro, et vocari ab hominibus Rabbi.
7en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd.
8Vos autem nolite vocari Rabbi: unus est enim magister vester, omnes autem vos fratres estis.
8Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders.
9Et patrem nolite vocare vobis super terram: unus est enim pater vester qui in cælis est.
9Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is.
10Nec vocemini magistri: quia magister vester unus est, Christus.
10Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus.
11Qui major est vestrum, erit minister vester.
11De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
12Qui autem se exaltaverit, humiliabitur: et qui se humiliaverit, exaltabitur.
12Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.
13Væ autem vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, quia clauditis regnum cælorum ante homines ! vos enim non intratis, nec introëuntes sinitis intrare.
13Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het rijk der hemelen sluit voor de mensen. Want gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan.
14Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, quia comeditis domos viduarum, orationes longas orantes ! propter hoc amplius accipietis judicium.
14Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het goed der weduwen verslindt onder het vertoon van lange gebeden. Daarom zult gij zo streng worden geoordeeld.
15Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, quia circuitis mare, et aridam, ut faciatis unum proselytum, et cum fuerit factus, facitis eum filium gehennæ duplo quam vos.
15Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die land en zee doorkruist, om één enkelen bekeerling te maken; maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal erger dan gijzelf.
16Væ vobis duces cæci, qui dicitis: Quicumque juraverit per templum, nihil est: qui autem juraverit in auro templi, debet.
16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan is het niets; maar die zweert bij het goud van de tempel, is gebonden.
17Stulti et cæci: quid enim majus est? aurum, an templum, quod sanctificat aurum?
17Dwazen en verblinden! Wat toch is meer, het goud of de tempel, waardoor het goud wordt geheiligd?
18Et quicumque juraverit in altari, nihil est: quicumque autem juraverit in dono, quod est super illud, debet.
18En: zweert men bij het altaar, dan is het niets; maar zweert men bij de offergave, die er op ligt, dan is men gebonden.
19Cæci: quid enim majus est, donum, an altare, quod sanctificat donum?
19Verblinden! Wat toch is meer: de offergave of het altaar, waardoor de offergave wordt geheiligd?
20Qui ergo jurat in altari, jurat in eo, et in omnibus quæ super illud sunt.
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.
21Et quicumque juraverit in templo, jurat in illo, et in eo qui habitat in ipso:
21En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.
22et qui jurat in cælo, jurat in throno Dei, et in eo qui sedet super eum.
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.
23Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, qui decimatis mentham, et anethum, et cyminum, et reliquistis quæ graviora sunt legis, judicium, et misericordiam, et fidem ! hæc oportuit facere, et illa non omittere.
23Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
24Duces cæci, excolantes culicem, camelum autem glutientes.
24Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.
25Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, quia mundatis quod deforis est calicis et paropsidis; intus autem pleni estis rapina et immunditia !
25Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.
26Pharisæe cæce, munda prius quod intus est calicis, et paropsidis, ut fiat id, quod deforis est, mundum.
26Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.
27Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, quia similes estis sepulchris dealbatis, quæ a foris parent hominibus speciosa, intus vero pleni sunt ossibus mortuorum, et omni spurcitia !
27Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.
28Sic et vos a foris quidem paretis hominibus justi: intus autem pleni estis hypocrisi et iniquitate.
28Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.
29Væ vobis scribæ et pharisæi hypocritæ, qui ædificatis sepulchra prophetarum, et ornatis monumenta justorum,
29Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,
30et dicitis: Si fuissemus in diebus patrum nostrorum, non essemus socii eorum in sanguine prophetarum !
30en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.
31itaque testimonio estis vobismetipsis, quia filii estis eorum, qui prophetas occiderunt.
31Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
32Et vos implete mensuram patrum vestrorum.
32Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.
33Serpentes, genimina viperarum, quomodo fugietis a judicio gehennæ?
33Slangen, adderenbroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen?
34Ideo ecce ego mitto ad vos prophetas, et sapientes, et scribas, et ex illis occidetis, et crucifigetis, et ex eis flagellabitis in synagogis vestris, et persequemini de civitate in civitatem:
34Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,
35ut veniat super vos omnis sanguis justus, qui effusus est super terram, a sanguine Abel justi usque ad sanguinem Zachariæ, filii Barachiæ, quem occidistis inter templum et altare.
35opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot het bloed van Zakarias, den zoon van Barakias, dien gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
36Amen dico vobis, venient hæc omnia super generationem istam.
36Voorwaar, Ik zeg u: neerkomen zal dit alles op dit geslacht.
37Jerusalem, Jerusalem, quæ occidis prophetas, et lapidas eos, qui ad te missi sunt, quoties volui congregare filios tuos, quemadmodum gallina congregat pullos suos sub alas, et noluisti?
37Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild.
38Ecce relinquetur vobis domus vestra deserta.
38Zie, uw huis zal in puin blijven liggen.
39Dico enim vobis, non me videbitis amodo, donec dicatis: Benedictus, qui venit in nomine Domini.
39En Ik zeg u: Van nu af zult gij Mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.