Mattheum 24
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et egressus Jesus de templo, ibat. Et accesserunt discipuli ejus, ut ostenderent ei ædificationes templi.
1Toen verliet Jesus de tempel, en ging heen. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe, en wezen Hem op de tempelgebouwen.
2Ipse autem respondens dixit illis: Videtis hæc omnia? amen dico vobis, non relinquetur hic lapis super lapidem, qui non destruatur.
2Maar Hij antwoordde hun: Ziet gij dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: Hier zal geen steen op de andere blijven, maar alles zal worden verwoest.
3Sedente autem eo super montem Oliveti, accesserunt ad eum discipuli secreto, dicentes: Dic nobis, quando hæc erunt? et quod signum adventus tui, et consummationis sæculi?
3Terwijl Hij neerzat op de Olijfberg, kwamen de leerlingen alleen naar Hem toe, en zeiden: Zeg ons, wanneer dit gebeuren zal, en wat het teken zal zijn van uw komst en van het einde der wereld?
4Et respondens Jesus, dixit eis: Videte ne quis vos seducat:
4Jesus antwoordde hun: Past op, dat niemand u misleidt.
5multi enim venient in nomine meo, dicentes: Ego sum Christus: et multos seducent.
5Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben de Christus; en ze zullen er velen misleiden.
6Audituri enim estis prælia, et opiniones præliorum. Videte ne turbemini: oportet enim hæc fieri, sed nondum est finis:
6En gij zult horen van oorlogen en van oorlogsgeruchten. Past op, verschrikt er niet van; want dit moet allemaal gebeuren. maar het is het einde nog niet.
7consurget enim gens in gentem, et regnum in regnum, et erunt pestilentiæ, et fames, et terræmotus per loca:
7Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; en er zal hongersnood zijn en aardbevingen hier en elders.
8hæc autem omnia initia sunt dolorum.
8Maar dit alles is slechts het begin van de weeën.
9Tunc tradent vos in tribulationem, et occident vos: et eritis odio omnibus gentibus propter nomen meum.
9Dan zal men u overleveren, om u te mishandelen en te doden; en gij zult een voorwerp zijn van haat bij alle volken terwille van mijn Naam.
10Et tunc scandalizabuntur multi, et invicem tradent, et odio habebunt invicem.
10Dan zullen velen zich ergeren, elkander verraden en haten.
11Et multi pseudoprophetæ surgent, et seducent multos.
11Ook tal van valse profeten zullen opstaan, en velen verleiden.
12Et quoniam abundavit iniquitas, refrigescet caritas multorum:
12En omdat de ongerechtigheid dan de overhand neemt, zal de liefde van velen verkoelen.
13qui autem perseveraverit usque in finem, hic salvus erit.
13Maar wie tot het einde toe heeft volhard, hij zal behouden worden.
14Et prædicabitur hoc Evangelium regni in universo orbe, in testimonium omnibus gentibus: et tunc veniet consummatio.
14Doch eerst zal dit Evangelie van het rijk over heel de wereld worden verkondigd tot een getuigenis voor alle volkeren; dan zal het einde komen.
15Cum ergo videritis abominationem desolationis, quæ dicta est a Daniele propheta, stantem in loco sancto, qui legit, intelligat:
15Wanneer gij dus de gruwel der ontheiliging. waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, in de heilige plaats zult zien staan—die het leest, begrijpe het! —
16tunc qui in Judæa sunt, fugiant ad montes:
16laten zij die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten;
17et qui in tecto, non descendat tollere aliquid de domo sua:
17en wie op het dakterras is, dale niet af, om iets uit zijn huis mee te nemen;
18et qui in agro, non revertatur tollere tunicam suam.
18en wie op het veld is, kere niet terug, om zijn kleed te gaan halen.
19Væ autem prægnantibus et nutrientibus in illis diebus !
19Wee in die dagen de zwangere en zogende vrouwen!
20Orate autem ut non fiat fuga vestra in hieme, vel sabbato:
20Bidt toch, dat uw vlucht niet in de winter geschiedt, of op een sabbat.
21erit enim tunc tribulatio magna, qualis non fuit ab initio mundi usque modo, neque fiet.
21Want er zal grote ellende zijn, zoals er nog nooit is geweest van het begin der wereld af tot heden toe, en zoals er ook nooit meer zal zijn.
22Et nisi breviati fuissent dies illi, non fieret salva omnis caro: sed propter electos breviabuntur dies illi.
22En zo die dagen niet werden verkort, geen mens bleef behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.
23Tunc si quis vobis dixerit: Ecce hic est Christus, aut illic: nolite credere.
23Als dan iemand u zegt: Ziet, hier is de Christus, of ginds; gelooft het niet.
24Surgent enim pseudochristi, et pseudoprophetæ: et dabunt signa magna, et prodigia, ita ut in errorem inducantur (si fieri potest) etiam electi.
24Want er zal menig valse-christus opstaan en tal van valse profeten. Ze zullen grote tekenen en wonderen verrichten, zodat, als het mogelijk was, ze zelfs de uitverkorenen zouden misleiden.
25Ecce prædixi vobis.
25Ziet, Ik heb het u voorspeld.
26Si ergo dixerint vobis: Ecce in deserto est, nolite exire; Ecce in penetralibus, nolite credere.
26Dus, als men u zegt: Ziet, hij is in de woestijn, gaat er niet heen; ziet, hij is in de binnenkamers, gelooft het niet.
27Sicut enim fulgur exit ab oriente, et paret usque in occidentem: ita erit et adventus Filii hominis.
27Want zooals de bliksem uitschiet van het oosten, en flitst tot het westen: zo zal ook de komst van den Menschenzoon zijn.
28Ubicumque fuerit corpus, illic congregabuntur et aquilæ.
28En waar dan het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
29Statim autem post tribulationem dierum illorum sol obscurabitur, et luna non dabit lumen suum, et stellæ cadent de cælo, et virtutes cælorum commovebuntur:
29En terstond na de kwelling dier dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
30et tunc parebit signum Filii hominis in cælo: et tunc plangent omnes tribus terræ: et videbunt Filium hominis venientem in nubibus cæli cum virtute multa et majestate.
30Dan zal het teken van den Mensenzoon aan de hemel verschijnen; dan zullen alle geslachten der aarde jammeren, en den Mensenzoon op de wolken des hemels zien komen met grote macht en majesteit.
31Et mittet angelos suos cum tuba, et voce magna: et congregabunt electos ejus a quatuor ventis, a summis cælorum usque ad terminos eorum.
31Dan zal Hij zijn engelen zenden met luid schallende bazuinen; en ze zullen van de vier windstreken zijn uitverkorenen verzamelen, van het éne einde des hemels tot aan het andere.
32Ab arbore autem fici discite parabolam: cum jam ramus ejus tener fuerit, et folia nata, scitis quia prope est æstas:
32Leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht is geworden en de bladeren al ontspruiten, dan weet ge, dat de zomer nabij is;
33ita et vos cum videritis hæc omnia, scitote quia prope est, in januis.
33zo ook wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het dicht voor de deur staat.
34Amen dico vobis, quia non præteribit generatio hæc, donec omnia hæc fiant.
34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, eer dit alles is geschied.
35Cælum et terra transibunt, verba autem mea non præteribunt.
35Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
36De die autem illa et hora nemo scit, neque angeli cælorum, nisi solus Pater.
36Maar van die dag en dat uur weet niemand iets af, zelfs de engelen in de hemel niet; maar de Vader alleen.
37Sicut autem in diebus Noë, ita erit et adventus Filii hominis:
37Zoals het was in de dagen van Noë, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
38sicut enim erant in diebus ante diluvium comedentes et bibentes, nubentes et nuptum tradentes, usque ad eum diem, quo intravit Noë in arcam,
38Zoals men toch in de dagen vóór de zondvloed at en dronk, huwde en uithuwde, tot op de dag, waarop Noë de ark binnenging:
39et non cognoverunt donec venit diluvium, et tulit omnes: ita erit et adventus Filii hominis.
39en zoals men er geen acht op sloeg, totdat de zondvloed kwam en allen verzwolg, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
40Tunc duo erunt in agro: unus assumetur, et unus relinquetur.
40Dan zullen er twee zijn op de akker: de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
41Duæ molentes in mola: una assumetur, et una relinquetur.
41twee zullen er met de handmolen malen, de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten.
42Vigilate ergo, quia nescitis qua hora Dominus vester venturus sit.
42Waakt dus, omdat gij niet weet, op welke dag uw Heer zal komen.
43Illud autem scitote, quoniam si sciret paterfamilias qua hora fur venturus esset, vigilaret utique, et non sineret perfodi domum suam.
43Dit weet gij wel: zo een huisvader wist, op welk uur de dief zou komen, dan zou hij zeker wakker blijven en niet laten inbreken in zijn huis.
44Ideo et vos estote parati: quia qua nescitis hora Filius hominis venturus est.
44Weest ook gij dus bereid, want de Mensenzoon komt op een onverwacht uur.
45Quis, putas, est fidelis servus, et prudens, quem constituit dominus suus super familiam suam ut det illis cibum in tempore?
45Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht, dien de meester over zijn ondergeschikten heeft gesteld. om hun spijs te geven te rechter tijd?
46Beatus ille servus, quem cum venerit dominus ejus, invenerit sic facientem.
46Gelukkig de knecht, dien de heer bij zijn komst daarmee bezig zal vinden.
47Amen dico vobis, quoniam super omnia bona sua constituet eum.
47Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal hem stellen over heel zijn bezit.
48Si autem dixerit malus servus ille in corde suo: Moram fecit dominus meus venire:
48Maar zo die dienaar slecht is, en denkt bij zichzelf:
49et cœperit percutere conservos suos, manducet autem et bibat cum ebriosis:
49“Mijn heer komt nog lang niet,” zo hij zijn medeknechten gaat slaan, en met de dronkaards eet en drinkt,
50veniet dominus servi illius in die qua non sperat, et hora qua ignorat:
50dan zal de heer van dien knecht komen op een dag, waarop hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij niet kent.
51et dividet eum, partemque ejus ponet cum hypocritis: illic erit fletus et stridor dentium.
51En hij zal hem in stukken houwen, en hem het lot der huichelaars doen delen: daar zal geween zijn en gekners der tanden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.