Mattheum 14
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1In illo tempore audivit Herodes tetrarcha famam Jesu:
1In die tijd drong de faam van Jesus tot den viervorst Herodes door.
2et ait pueris suis: Hic est Joannes Baptista: ipse surrexit a mortuis, et ideo virtutes operantur in eo.
2En hij zei tot zijn dienaars: Het is Johannes de Doper; hij is opgestaan van de doden, en daarom werken die krachten in hem.
3Herodes enim tenuit Joannem, et alligavit eum: et posuit in carcerem propter Herodiadem uxorem fratris sui.
3Herodes namelijk had Johannes gegrepen, in boeien geslagen, en in de gevangenis geworpen naar aanleiding van Heródias, de vrouw van Filippus, zijn broer.
4Dicebat enim illi Joannes: Non licet tibi habere eam.
4Want Johannes had hem gezegd: Ge moogt haar niet behouden.
5Et volens illum occidere, timuit populum: quia sicut prophetam eum habebant.
5Hij wilde hem ter dood brengen, maar hij was bang voor het volk; want men hield hem voor een profeet.
6Die autem natalis Herodis saltavit filia Herodiadis in medio, et placuit Herodi:
6Maar op de verjaardag van Herodes danste de dochter van Heródias in het midden der feestzaal, en ze behaagde aan Herodes.
7unde cum juramento pollicitus est ei dare quodcumque postulasset ab eo.
7Daarom beloofde hij met een eed, haar alles te zullen geven, wat ze hem vragen zou.
8At illa præmonita a matre sua: Da mihi, inquit, hic in disco caput Joannis Baptistæ.
8En zij, door haar moeder opgestookt, sprak: Geef me het hoofd van Johannes den Doper hier op een schotel.
9Et contristatus est rex: propter juramentum autem, et eos qui pariter recumbebant, jussit dari.
9Wel had de koning er spijt van, maar om de eed en om de gasten beval hij toch, het te geven.
10Misitque et decollavit Joannem in carcere.
10Hij stuurde iemand weg, om Johannes in de kerker te onthoofden.
11Et allatum est caput ejus in disco, et datum est puellæ, et attulit matri suæ.
11Zijn hoofd werd op een schotel gebracht, en aan het meisje gegeven, dat het aanbood aan haar moeder.
12Et accedentes discipuli ejus, tulerunt corpus ejus, et sepelierunt illud: et venientes nuntiaverunt Jesu.
12Zijn leerlingen kwamen het lichaam halen, begroeven het, en gingen het Jesus berichten.
13Quod cum audisset Jesus, secessit inde in navicula, in locum desertum seorsum: et cum audissent turbæ, secutæ sunt eum pedestres de civitatibus.
13Op deze tijding vertrok Jesus in een boot naar een woeste plaats in de eenzaamheid. Maar de scharen hoorden het, en gingen Hem uit de steden te voet achterna.
14Et exiens vidit turbam multam, et misertus est eis, et curavit languidos eorum.
14Toen Hij dus te voorschijn trad, zag Hij een talrijke menigte; Hij had medelijden met hen, en genas hun zieken.
15Vespere autem facto, accesserunt ad eum discipuli ejus, dicentes: Desertus est locus, et hora jam præteriit: dimitte turbas, ut euntes in castella, emant sibi escas.
15Tegen het vallen van de avond kwamen zijn leerlingen, en zeiden tot Hem: Deze plaats is woest, en het is reeds laat geworden; stuur de menigte weg, dan kunnen ze naar de dorpen gaan, en zich levensmiddelen kopen.
16Jesus autem dixit eis: Non habent necesse ire: date illis vos manducare.
16Maar Jesus sprak tot hen: Ze behoeven niet te gaan; geeft gij hun te eten.
17Responderunt ei: Non habemus hic nisi quinque panes et duos pisces.
17Ze antwoordden: We hebben hier slechts vijf broden en twee vissen.
18Qui ait eis: Afferte mihi illos huc.
18Hij zei hun: Brengt ze Mij hier.
19Et cum jussisset turbam discumbere super fœnum, acceptis quinque panibus et duobus piscibus, aspiciens in cælum benedixit, et fregit, et dedit discipulis panes, discipuli autem turbis.
19En nadat Hij de scharen bevolen had, zich neer te zetten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, zag op ten hemel en sprak er de zegen over uit: Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan het volk.
20Et manducaverunt omnes, et saturati sunt. Et tulerunt reliquias, duodecim cophinos fragmentorum plenos.
20Allen aten. en werden verzadigd. En ze verzamelden het overschot der brokken: twaalf korven vol.
21Manducantium autem fuit numerus quinque millia virorum, exceptis mulieribus et parvulis.
21Het waren ongeveer vijfduizend mannen, die hadden gegeten, behalve nog de vrouwen en kinderen.
22Et statim compulit Jesus discipulos ascendere in naviculam, et præcedere eum trans fretum, donec dimitteret turbas.
22Onmiddellijk daarna dwong Hij zijn leerlingen scheep te gaan, en vóór Hem uit naar de overkant over te steken; intussen zond Hij de menigte heen.
23Et dimissa turba, ascendit in montem solus orare. Vespere autem facto solus erat ibi:
23En nadat Hij het volk had heengezonden, besteeg Hij de berg, om in de eenzaamheid te bidden. Die avond bleef Hij daar alleen.
24navicula autem in medio mari jactabatur fluctibus: erat enim contrarius ventus.
24Toen de boot reeds meerdere stadiën van de kust was verwijderd, werd ze door de golven geteisterd; want de wind was tegen.
25Quarta enim vigilia noctis, venit ad eos ambulans super mare.
25Maar in de vierde nachtwaak kwam Hij naar hen toe, wandelend op het meer.
26Et videntes eum super mare ambulantem, turbati sunt, dicentes: Quia phantasma est. Et præ timore clamaverunt.
26De leerlingen, die Hem over het meer zagen wandelen, werden ontsteld, en zeiden: Het is een spook. En ze gilden van angst.
27Statimque Jesus locutus est eis, dicens: Habete fiduciam: ego sum, nolite timere.
27Aanstonds sprak Jesus hen toe, en zeide: Weest gerust, Ik ben het; vreest niet.
28Respondens autem Petrus, dixit: Domine, si tu es, jube me ad te venire super aquas.
28Petrus antwoordde: Heer, zo Gij het zijt, beveel mij dan, over het water tot U te komen.
29At ipse ait: Veni. Et descendens Petrus de navicula, ambulabat super aquam ut veniret ad Jesum.
29Hij sprak: Kom! Petrus klom uit de boot, en wandelde over het water, om bij Jesus te komen.
30Videns vero ventum validum, timuit: et cum cœpisset mergi, clamavit dicens: Domine, salvum me fac.
30Maar bij het zien van de geweldige storm werd hij bang, en riep, toen hij begon te zinken: Heer, red mij!
31Et continuo Jesus extendens manum, apprehendit eum: et ait illi: Modicæ fidei, quare dubitasti?
31Aanstonds stak Jesus de hand uit, greep hem vast, en sprak: Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?
32Et cum ascendissent in naviculam, cessavit ventus.
32En toen zij in de boot waren geklommen, bedaarde de wind.
33Qui autem in navicula erant, venerunt, et adoraverunt eum, dicentes: Vere Filius Dei es.
33Nu wierpen zij, die in het vaartuig waren, zich voor Hem neer, en zeiden: Waarachtig, Gij zijt de Zoon van God.
34Et cum transfretassent, venerunt in terram Genesar.
34Toen zij de overkant hadden bereikt, gingen zij naar het land van Gennézaret.
35Et cum cognovissent eum viri loci illius, miserunt in universam regionem illam, et obtulerunt ei omnes male habentes:
35Zodra de lieden dier plaats Hem herkenden, zonden ze bericht in heel de omtrek, en brachten alle zieken naar Hem toe.
36et rogabant eum ut vel fimbriam vestimenti ejus tangerent. Et quicumque tetigerunt, salvi facti sunt.
36Ze vroegen Hem, enkel de zoom van zijn kleed te mogen aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden genezen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.