Mattheum 15
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tunc accesserunt ad eum ab Jerosolymis scribæ et pharisæi, dicentes:
1Toen kwamen schriftgeleerden en farizeën van Jerusalem op Hem af, en zeiden:
2Quare discipuli tui transgrediuntur traditionem seniorum? non enim lavant manus suas cum panem manducant.
2Waarom overtreden uw leerlingen de overlevering der ouden? Zij wassen hun handen niet eens, als ze brood eten.
3Ipse autem respondens ait illis: Quare et vos transgredimini mandatum Dei propter traditionem vestram? Nam Deus dixit:
3Hij gaf hun ten antwoord: Waarom overtreedt gijzelf Gods gebod ter wille van uw overlevering? Want God heeft gezegd:
4Honora patrem, et matrem: et, Qui maledixerit patri, vel matri, morte moriatur.
4Eert uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, moet sterven.
5Vos autem dicitis: Quicumque dixerit patri, vel matri: Munus, quodcumque est ex me, tibi proderit:
5Maar gij verklaart: Wie tot vader of moeder zegt: “Alles, waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn, is tot offergave bestemd,”
6et non honorificabit patrem suum, aut matrem suam: et irritum fecistis mandatum Dei propter traditionem vestram.
6behoeft vader of moeder niet te eren. En om uw overlevering ziet gij Gods gebod over het hoofd.
7Hypocritæ, bene prophetavit de vobis Isaias, dicens:
7Huichelaars, terecht heeft Isaias van u geprofeteerd:
8[Populus hic labiis me honorat: cor autem eorum longe est a me.
8Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
9Sine causa autem colunt me, docentes doctrinas et mandata hominum.]
9Ze eren Mij tevergeefs, daar ze leerstellingen voordragen, die menselijke geboden zijn.
10Et convocatis ad se turbis, dixit eis: Audite, et intelligite.
10En nadat Hij het volk tot Zich had geroepen, sprak Hij tot hen: Hoort en verstaat.
11Non quod intrat in os, coinquinat hominem: sed quod procedit ex ore, hoc coinquinat hominem.
11Niet wat de mond ingaat, bezoedelt den mens; maar wat de mond uitkomt, dat bezoedelt den mens.
12Tunc accedentes discipuli ejus, dixerunt ei: Scis quia pharisæi audito verbo hoc, scandalizati sunt?
12Nu naderden zijn leerlingen, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?
13At ille respondens ait: Omnis plantatio, quam non plantavit Pater meus cælestis, eradicabitur.
13Hij antwoordde: Iedere plant, die mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt.
14Sinite illos: cæci sunt, et duces cæcorum; cæcus autem si cæco ducatum præstet, ambo in foveam cadunt.
14Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde den anderen leidt, vallen ze allebei in de kuil.
15Respondens autem Petrus dixit ei: Edissere nobis parabolam istam.
15Toen nam Petrus het woord, en zeide: Verklaar ons deze gelijkenis.
16At ille dixit: Adhuc et vos sine intellectu estis?
16Hij sprak: Zijt ook gij nog zonder inzicht?
17Non intelligitis quia omne quod in os intrat, in ventrem vadit, et in secessum emittitur?
17Begrijpt gij niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik terecht komt, en op zekere plaats wordt uitgeworpen?
18Quæ autem procedunt de ore, de corde exeunt, et ea coinquinant hominem:
18Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat verontreinigt den mens.
19de corde enim exeunt cogitationes malæ, homicidia, adulteria, fornicationes, furta, falsa testimonia, blasphemiæ:
19Want uit het hart komen slechte gedachten voort, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, godslasteringen.
20hæc sunt, quæ coinquinant hominem. Non lotis autem manibus manducare, non coinquinat hominem.
20Dit is het, wat den mens bezoedelt. Maar met ongewassen handen eten, bezoedelt den mens niet.
21Et egressus inde Jesus secessit in partes Tyri et Sidonis.
21Toen vertrok Jesus van daar, en begaf zich naar de streek van Tyrus en Sidon.
22Et ecce mulier chananæa a finibus illis egressa clamavit, dicens ei: Miserere mei, Domine fili David: filia mea male a dæmonio vexatur.
22En zie, een kanaänietische vrouw, afkomstig uit die streek, riep Hem toe: Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David; mijn dochter wordt vreselijk door den duivel gekweld.
23Qui non respondit ei verbum. Et accedentes discipuli ejus rogabant eum dicentes: Dimitte eam: quia clamat post nos.
23Hij gaf haar geen antwoord. En zijn leerlingen kwamen, en verzochten Hem: Stel haar tevreden; want ze roept ons achterna.
24Ipse autem respondens ait: Non sum missus nisi ad oves, quæ perierunt domus Israël.
24Hij antwoordde: Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden.
25At illa venit, et adoravit eum, dicens: Domine, adjuva me.
25Maar ze kwam naar Hem toe, wierp zich voor Hem neer, en zeide: Heer, help mij.
26Qui respondens ait: Non est bonum sumere panem filiorum, et mittere canibus.
26Hij gaf haar ten antwoord: Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen, en het voor de hondjes te werpen.
27At illa dixit: Etiam Domine: nam et catelli edunt de micis quæ cadunt de mensa dominorum suorum.
27Maar ze zeide: Ja wel, Heer; ook de hondjes eten toch van de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen.
28Tunc respondens Jesus, ait illi: O mulier, magna est fides tua: fiat tibi sicut vis. Et sanata est filia ejus ex illa hora.
28Toen antwoordde Jesus: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, zoals ge verlangt. Van dat ogenblik af was haar dochter genezen.
29Et cum transisset inde Jesus, venit secus mare Galilææ: et ascendens in montem, sedebat ibi.
29Toen Jesus van daar was vertrokken, kwam Hij aan het meer van Galilea, ging de berg op, en zette Zich daar neer.
30Et accesserunt ad eum turbæ multæ, habentes secum mutos, cæcos, claudos, debiles, et alios multos: et projecerunt eos ad pedes ejus, et curavit eos,
30Daar kwamen grote scharen naar Hem toe, die kreupelen, lammen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden; men legde ze aan zijn voeten neer, en Hij genas ze.
31ita ut turbæ mirarentur, videntes mutos loquentes, claudos ambulantes, cæcos videntes: et magnificabant Deum Israël.
31De menigte stond verbaasd bij het zien, hoe stommen spraken, lammen genazen, kreupelen liepen, blinden zagen; en ze verheerlijkten den God van Israël.
32Jesus autem, convocatis discipulis suis, dixit: Misereor turbæ, quia triduo jam perseverant mecum, et non habent quod manducent: et dimittere eos jejunos nolo, ne deficiant in via.
32Nu riep Jesus zijn leerlingen bijeen, en sprak: Ik heb medelijden met de schare; want reeds drie dagen zijn ze bij Mij, en ze hebben niets te eten. Ik wil ze dus niet ongespijsd laten gaan, opdat ze onderweg niet bezwijken.
33Et dicunt ei discipuli: Unde ergo nobis in deserto panes tantos, ut saturemus turbam tantam?
33Maar de leerlingen zeiden tot Hem: Hoe zullen we ons in een woestijn genoeg brood verschaffen, om zulk een grote menigte te verzadigen?
34Et ait illis Jesus: Quot habetis panes? At illi dixerunt: Septem, et paucos pisciculos.
34Jesus zei hun: Hoeveel broden hebt gij? Ze antwoordden: Zeven, en enkele visjes.
35Et præcepit turbæ ut discumberent super terram.
35Toen beval Hij het volk, op de grond te gaan zitten.
36Et accipiens septem panes, et pisces, et gratias agens, fregit, et dedit discipulis suis, et discipuli dederunt populo.
36Hij nam de zeven broden en de vissen, sprak een dankzegging uit, brak ze, en gaf ze aan zijn leerlingen; en de leerlingen gaven ze aan het volk.
37Et comederunt omnes, et saturati sunt. Et quod superfuit de fragmentis, tulerunt septem sportas plenas.
37Allen aten, en werden verzadigd. En ze verzamelden de overgeschoten brokken: zeven korven vol.
38Erant autem qui manducaverunt quatuor millia hominum, extra parvulos et mulieres.
38Het waren ongeveer vier duizend mannen, die hadden gegeten, behalve nog de vrouwen en kinderen.
39Et, dimissa turba, ascendit in naviculam: et venit in fines Magedan.
39En nadat Hij de menigte had heengezonden, ging Hij de boot in, en vertrok naar het gebied van Magadán.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.