Mattheum 7
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Nolite judicare, ut non judicemini.
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
2In quo enim judicio judicaveritis, judicabimini: et in qua mensura mensi fueritis, remetietur vobis.
2Want met het oordeel, dat gij velt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat, waarmee gij meet, zal men ook meten voor u.
3Quid autem vides festucam in oculo fratris tui, et trabem in oculo tuo non vides?
3Waarom ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
4aut quomodo dicis fratri tuo: Sine ejiciam festucam de oculo tuo, et ecce trabs est in oculo tuo?
4Of waarom zegt ge tot uw broeder: laat mij de splinter uit uw oog trekken; en zie, de balk zit in uw eigen oog?
5Hypocrita, ejice primum trabem de oculo tuo, et tunc videbis ejicere festucam de oculo fratris tui.
5Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
6Nolite dare sanctum canibus: neque mittatis margaritas vestras ante porcos, ne forte conculcent eas pedibus suis, et conversi dirumpant vos.
6Geeft het heilige niet aan de honden, en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met de poten vertrappen, zich omkeren, en u gaan verscheuren.
7Petite, et dabitur vobis: quærite, et invenietis: pulsate, et aperietur vobis.
7Vraagt en men zal u geven; zoekt en ge zult vinden; klopt en men zal u opendoen.
8Omnis enim qui petit, accipit: et qui quærit, invenit: et pulsanti aperietur.
8Want wie vraagt, ontvangt; wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem doet men open.
9Aut quis est ex vobis homo, quem si petierit filius suus panem, numquid lapidem porriget ei?
9Of wie is er onder u, die aan zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt,
10aut si piscem petierit, numquid serpentem porriget ei?
10of een slang, als hij om vis vraagt?
11Si ergo vos, cum sitis mali, nostis bona data dare filiis vestris: quanto magis Pater vester, qui in cælis est, dabit bona petentibus se?
11Als gij dus, zondige mensen, aan uw kinderen goede gaven weet te schenken, hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemelen is, het goede geven aan wie het Hem vragen.
12Omnia ergo quæcumque vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis. Hæc est enim lex, et prophetæ.
12Al wat gij dus wilt, dat de mensen u doen, doet het ook hun; want dat is de Wet en de Profeten.
13Intrate per angustam portam: quia lata porta, et spatiosa via est, quæ ducit ad perditionem, et multi sunt qui intrant per eam.
13Gaat binnen door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die ten verderve leidt; en velen zijn er, die daardoor naar binnen gaan.
14Quam angusta porta, et arcta via est, quæ ducit ad vitam: et pauci sunt qui inveniunt eam !
14Hoe eng is de poort en hoe smal is de weg, die ten leven voert; en weinigen zijn er, die hem vinden.
15Attendite a falsis prophetis, qui veniunt ad vos in vestimentis ovium, intrinsecus autem sunt lupi rapaces:
15Wacht u voor de valse profeten, die tot u komen in schaapskleren, maar inwendig roofgierige wolven zijn.
16a fructibus eorum cognoscetis eos. Numquid colligunt de spinis uvas, aut de tribulis ficus?
16Aan hun vruchten zult gij ze kennen. Plukt men wel druiven van doornen, of vijgen van distels?
17Sic omnis arbor bona fructus bonos facit: mala autem arbor malos fructus facit.
17Zo draagt iedere goede boom ook goede vruchten; maar een slechte boom draagt slechte vruchten.
18Non potest arbor bona malos fructus facere: neque arbor mala bonos fructus facere.
18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, en een slechte boom geen goede vruchten.
19Omnis arbor, quæ non facit fructum bonum, excidetur, et in ignem mittetur.
19Iedere boom, die geen goede vruchten draagt, zal omgehouwen worden en in het vuur geworpen.
20Igitur ex fructibus eorum cognoscetis eos.
20Aan hun vruchten dus zult gij ze kennen.
21Non omnis qui dicit mihi, Domine, Domine, intrabit in regnum cælorum: sed qui facit voluntatem Patris mei, qui in cælis est, ipse intrabit in regnum cælorum.
21Niet iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het rijk der hemelen; maar wel wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is.
22Multi dicent mihi in illa die: Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus, et in nomine tuo dæmonia ejecimus, et in nomine tuo virtutes multas fecimus?
22Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben we niet in uw Naam voorzeggingen gedaan, in uw Naam duivels uitgedreven, in uw Naam veel wonderen verricht?
23Et tunc confitebor illis: Quia numquam novi vos: discedite a me, qui operamini iniquitatem.
23En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet.
24Omnis ergo qui audit verba mea hæc, et facit ea, assimilabitur viro sapienti, qui ædificavit domum suam supra petram,
24Een ieder dus, die deze woorden van Mij hoort, en ze in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een wijzen man, die zijn huis bouwde op een rots.
25et descendit pluvia, et venerunt flumina, et flaverunt venti, et irruerunt in domum illam, et non cecidit: fundata enim erat super petram.
25En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; doch het zakte niet in, want het was gegrond op de rots.
26Et omnis qui audit verba mea hæc, et non facit ea, similis erit viro stulto, qui ædificavit domum suam super arenam:
26Maar wie deze woorden van Mij hoort, doch ze niet in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een dwazen man, die zijn huis bouwde op het zand.
27et descendit pluvia, et venerunt flumina, et flaverunt venti, et irruerunt in domum illam, et cecidit, et fuit ruina illius magna.
27En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; het zakte in, en zijn val was geweldig.
28Et factum est: cum consummasset Jesus verba hæc, admirabantur turbæ super doctrina ejus.
28Toen Jesus deze toespraak geëindigd had, stonden de scharen verbaasd over zijn leer.
29Erat enim docens eos sicut potestatem habens, et non sicut scribæ eorum, et pharisæi.
29Want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals hun schriftgeleerden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.