Mateus 24
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Jesus saiu do templo e ia embora. Seus discípulos se aproximaram dele para lhe mostrar os edifícios do templo.
1Toen verliet Jesus de tempel, en ging heen. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe, en wezen Hem op de tempelgebouwen.
2Mas ele lhes respondeu: “Vocês veem todas estas coisas, não veem? Em verdade lhes digo: não ficará aqui pedra sobre pedra que não seja derrubada.”
2Maar Hij antwoordde hun: Ziet gij dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: Hier zal geen steen op de andere blijven, maar alles zal worden verwoest.
3Estando ele assentado no Monte das Oliveiras, os discípulos aproximaram-se dele em particular, dizendo: “Diga-nos, quando acontecerão estas coisas? E qual será o sinal da sua vinda e do fim dos tempos?”
3Terwijl Hij neerzat op de Olijfberg, kwamen de leerlingen alleen naar Hem toe, en zeiden: Zeg ons, wanneer dit gebeuren zal, en wat het teken zal zijn van uw komst en van het einde der wereld?
4Jesus lhes respondeu: “Cuidado para que ninguém os engane.
4Jesus antwoordde hun: Past op, dat niemand u misleidt.
5Pois muitos virão em meu nome, dizendo: ‘Eu sou o Cristo’, e enganarão a muitos.
5Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben de Christus; en ze zullen er velen misleiden.
6Vocês ouvirão falar de guerras e rumores de guerras. Cuidem para não se perturbarem, pois é necessário que tudo isso aconteça, mas ainda não é o fim.
6En gij zult horen van oorlogen en van oorlogsgeruchten. Past op, verschrikt er niet van; want dit moet allemaal gebeuren. maar het is het einde nog niet.
7Pois nação se levantará contra nação, e reino contra reino; e haverá fomes, pestes e terremotos em vários lugares.
7Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; en er zal hongersnood zijn en aardbevingen hier en elders.
8Mas todas estas coisas são o princípio das dores de parto.
8Maar dit alles is slechts het begin van de weeën.
9“Então eles os entregarão à opressão e os matarão. Vocês serão odiados por todas as nações por causa do meu nome.
9Dan zal men u overleveren, om u te mishandelen en te doden; en gij zult een voorwerp zijn van haat bij alle volken terwille van mijn Naam.
10Então muitos tropeçarão, entregarão uns aos outros e odiarão uns aos outros.
10Dan zullen velen zich ergeren, elkander verraden en haten.
11Muitos falsos profetas se levantarão e enganarão a muitos.
11Ook tal van valse profeten zullen opstaan, en velen verleiden.
12E, porque a iniquidade se multiplicará, o amor de muitos esfriará.
12En omdat de ongerechtigheid dan de overhand neemt, zal de liefde van velen verkoelen.
13Mas aquele que perseverar até o fim será salvo.
13Maar wie tot het einde toe heeft volhard, hij zal behouden worden.
14Este Evangelho do Reino será pregado em todo o mundo como testemunho a todas as nações, e então virá o fim.
14Doch eerst zal dit Evangelie van het rijk over heel de wereld worden verkondigd tot een getuigenis voor alle volkeren; dan zal het einde komen.
15“Quando, pois, vocês virem a abominação da desolação, da qual falou o profeta Daniel, instalada no lugar santo (quem lê, entenda),
15Wanneer gij dus de gruwel der ontheiliging. waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, in de heilige plaats zult zien staan—die het leest, begrijpe het! —
16então, os que estiverem na Judeia, fujam para os montes.
16laten zij die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten;
17Quem estiver no telhado não desça para tirar as coisas de sua casa.
17en wie op het dakterras is, dale niet af, om iets uit zijn huis mee te nemen;
18E quem estiver no campo não volte atrás para buscar suas roupas.
18en wie op het veld is, kere niet terug, om zijn kleed te gaan halen.
19Mas ai das que estiverem grávidas e das que amamentarem naqueles dias!
19Wee in die dagen de zwangere en zogende vrouwen!
20Orem para que a fuga de vocês não aconteça no inverno nem no sábado,
20Bidt toch, dat uw vlucht niet in de winter geschiedt, of op een sabbat.
21pois haverá então grande sofrimento, como nunca houve desde o princípio do mundo até agora, não, nem jamais haverá.
21Want er zal grote ellende zijn, zoals er nog nooit is geweest van het begin der wereld af tot heden toe, en zoals er ook nooit meer zal zijn.
22Se aqueles dias não fossem abreviados, ninguém seria salvo. Mas, por causa dos escolhidos, aqueles dias serão abreviados.
22En zo die dagen niet werden verkort, geen mens bleef behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.
23“Então, se alguém lhes disser: ‘Vejam, aqui está o Cristo!’ ou ‘Ali está!’, não acreditem.
23Als dan iemand u zegt: Ziet, hier is de Christus, of ginds; gelooft het niet.
24Pois falsos cristos e falsos profetas se levantarão, e farão grandes sinais e maravilhas, a fim de enganar, se possível, até mesmo os escolhidos.
24Want er zal menig valse-christus opstaan en tal van valse profeten. Ze zullen grote tekenen en wonderen verrichten, zodat, als het mogelijk was, ze zelfs de uitverkorenen zouden misleiden.
25“Vejam, eu lhes avisei de antemão.
25Ziet, Ik heb het u voorspeld.
26“Portanto, se lhes disserem: ‘Vejam, ele está no deserto’, não saiam; ou ‘Vejam, ele está nos aposentos interiores’, não acreditem.
26Dus, als men u zegt: Ziet, hij is in de woestijn, gaat er niet heen; ziet, hij is in de binnenkamers, gelooft het niet.
27Pois assim como o relâmpago sai do oriente e é visto até o ocidente, assim será a vinda do Filho do Homem.
27Want zooals de bliksem uitschiet van het oosten, en flitst tot het westen: zo zal ook de komst van den Menschenzoon zijn.
28Pois onde estiver o cadáver, aí os abutres se ajuntarão.
28En waar dan het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
29“Mas logo após o sofrimento daqueles dias, o sol escurecerá, a lua não dará a sua luz, as estrelas cairão do céu e os poderes dos céus serão abalados;
29En terstond na de kwelling dier dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
30e então aparecerá no céu o sinal do Filho do Homem. Então todas as tribos da terra se lamentarão, e verão o Filho do Homem vindo sobre as nuvens do céu, com poder e grande glória.
30Dan zal het teken van den Mensenzoon aan de hemel verschijnen; dan zullen alle geslachten der aarde jammeren, en den Mensenzoon op de wolken des hemels zien komen met grote macht en majesteit.
31Ele enviará os seus anjos com grande som de trombeta, e eles reunirão os seus escolhidos dos quatro ventos, de uma extremidade do céu à outra.
31Dan zal Hij zijn engelen zenden met luid schallende bazuinen; en ze zullen van de vier windstreken zijn uitverkorenen verzamelen, van het éne einde des hemels tot aan het andere.
32“Agora, aprendam esta parábola da figueira: Quando o seu ramo se torna tenro e brotam as suas folhas, vocês sabem que o verão está próximo.
32Leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht is geworden en de bladeren al ontspruiten, dan weet ge, dat de zomer nabij is;
33Da mesma forma, vocês também, quando virem todas estas coisas, saibam que ele está próximo, às portas.
33zo ook wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het dicht voor de deur staat.
34Em verdade lhes digo: esta geração não passará até que todas estas coisas se cumpram.
34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, eer dit alles is geschied.
35O céu e a terra passarão, mas as minhas palavras não passarão.
35Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
36“Mas a respeito daquele dia e hora ninguém sabe, nem mesmo os anjos do céu, mas somente o meu Pai.
36Maar van die dag en dat uur weet niemand iets af, zelfs de engelen in de hemel niet; maar de Vader alleen.
37Como foram os dias de Noé, assim será a vinda do Filho do Homem.
37Zoals het was in de dagen van Noë, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
38Pois assim como naqueles dias antes do dilúvio eles estavam comendo e bebendo, casando-se e dando-se em casamento, até o dia em que Noé entrou na arca,
38Zoals men toch in de dagen vóór de zondvloed at en dronk, huwde en uithuwde, tot op de dag, waarop Noë de ark binnenging:
39e não perceberam, até que veio o dilúvio e os levou a todos, assim será a vinda do Filho do Homem.
39en zoals men er geen acht op sloeg, totdat de zondvloed kwam en allen verzwolg, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
40Então, dois homens estarão no campo: um será levado e o outro será deixado.
40Dan zullen er twee zijn op de akker: de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
41Duas mulheres estarão moendo no moinho: uma será levada e a outra será deixada.
41twee zullen er met de handmolen malen, de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten.
42Vigiem, portanto, pois vocês não sabem a que hora o seu Senhor virá.
42Waakt dus, omdat gij niet weet, op welke dag uw Heer zal komen.
43Mas saibam disto: se o dono da casa soubesse em qual vigília da noite o ladrão viria, ele teria vigiado e não teria permitido que a sua casa fosse arrombada.
43Dit weet gij wel: zo een huisvader wist, op welk uur de dief zou komen, dan zou hij zeker wakker blijven en niet laten inbreken in zijn huis.
44Por isso, estejam também preparados, pois em uma hora que vocês não esperam, o Filho do Homem virá.
44Weest ook gij dus bereid, want de Mensenzoon komt op een onverwacht uur.
45“Quem é, pois, o servo fiel e prudente, a quem o seu senhor encarregou dos de sua casa, para lhes dar o alimento no tempo devido?
45Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht, dien de meester over zijn ondergeschikten heeft gesteld. om hun spijs te geven te rechter tijd?
46Bem-aventurado é aquele servo a quem o seu senhor, quando vier, encontrar fazendo assim.
46Gelukkig de knecht, dien de heer bij zijn komst daarmee bezig zal vinden.
47Em verdade lhes digo que ele o encarregará de todos os seus bens.
47Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal hem stellen over heel zijn bezit.
48Mas se aquele servo mau disser em seu coração: ‘Meu senhor está demorando a vir’,
48Maar zo die dienaar slecht is, en denkt bij zichzelf:
49e começar a espancar os seus companheiros de serviço, e a comer e beber com os bêbados,
49“Mijn heer komt nog lang niet,” zo hij zijn medeknechten gaat slaan, en met de dronkaards eet en drinkt,
50o senhor daquele servo virá em um dia em que ele não o espera e em uma hora que ele não sabe,
50dan zal de heer van dien knecht komen op een dag, waarop hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij niet kent.
51e o cortará em pedaços e lhe destinará a sua porção com os hipócritas. Ali haverá choro e ranger de dentes.
51En hij zal hem in stukken houwen, en hem het lot der huichelaars doen delen: daar zal geween zijn en gekners der tanden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.