Judite 9
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Judite se prostrou com o rosto em terra, pôs cinzas sobre a cabeça e descobriu o pano de saco que vestia. Naquele momento, em Jerusalém, na casa de Deus, estava sendo oferecido o incenso da tarde. Então Judite clamou ao Senhor em alta voz e disse:
1Toen de oudsten waren weggegaan, trok Judit zich terug in haar bidvertrek, deed een boetekleed aan, strooide as op haar hoofd, wierp zich neer voor den Heer en riep
2“Ó Senhor, Deus de meu pai Simeão, em cuja mão deste uma espada para se vingar dos estrangeiros que desataram o cinto de uma virgem para profaná-la, descobriram sua coxa para envergonhá-la e violaram seu ventre para desonrá-la. Tu disseste: ‘Isso não deve acontecer’; mas eles o fizeram.
2Heer, God van mijn vader Simeon; Gij hebt hem een zwaard gegeven, om wraak te nemen op de vreemdelingen, die in hun bedorvenheid een maagd overweldigden en haar lichaam op schandelijke wijze onteerden.
3Por isso entregaste seus governantes à morte e fizeste com que a cama, envergonhada por causa da mulher enganada, ficasse manchada de sangue. Feriste os servos juntamente com seus senhores e os senhores em seus tronos.
3Gij hebt toen hun vrouwen ten prooi, hun dochters in gevangenschap en heel hun bezit als buit aan uw dienaars gegeven, die in gloeiende ijver voor U waren ontstoken. Ik smeek U, mijn Heer en mijn God, kom nu ook mij, een weduwe, te hulp.
4Entregaste suas mulheres como presa, suas filhas ao cativeiro e todos os seus despojos para serem repartidos entre teus filhos amados, que foram movidos por zelo por ti, abominaram a profanação de seu sangue e clamaram a ti por socorro. Ó Deus, meu Deus, ouve também a mim, que sou viúva.
4Gij hebt bewerkt, wat vroeger geschiedde, en wat erop volgde, hebt Gij beraamd; Gij wilt dus ook, wat nu geschiedt.
5Pois tu fizeste as coisas que aconteceram antes daquelas, aquelas mesmas coisas e as que vieram depois. Planejaste as coisas presentes e as futuras, e tudo o que planejaste aconteceu.
5Want al uw wegen zijn gebaand en al uw beslissingen tevoren bepaald.
6Sim, as coisas que determinaste se apresentaram diante de ti e disseram: ‘Aqui estamos’, pois todos os teus caminhos estão preparados, e teu julgamento é feito com pleno conhecimento.
6Richt thans uw blik op het assyrische leger, zoals Gij vroeger uw blik hebt geworpen op de troepen der Egyptenaren, toen zij in vertrouwen op hun strijdwagens, ruiterij en hun talrijke soldaten, uw dienaars gewapend achtervolgden.
7Eis que os assírios se multiplicaram em seu poder. Exaltam-se por seus cavalos e cavaleiros, orgulham-se da força de sua infantaria e confiam em escudo, lança, arco e funda. Eles não sabem que tu és o Senhor que põe fim às guerras. ‘O Senhor’ é o teu nome.
7Toen hebt Gij uw blik over dat leger laten gaan: en de duisternis sloeg hen met verlamming,
8Quebra a força deles com teu poder e abate sua violência em tua ira, pois pretendem profanar teu santuário, contaminar o tabernáculo onde repousa teu nome glorioso e derrubar à espada o chifre de teu altar.
8de afgrond greep hun voeten vast en het water golfde over hen heen.
9Olha para a soberba deles e envia tua ira sobre suas cabeças. Dá à minha mão, à mão de uma viúva, a força para realizar aquilo que planejei.
9Heer, laat het ook hun zo vergaan, die op hun overmacht vertrouwen, die groot gaan op hun wagens en speren, op hun schilden, pijlen en lansen;
10Pelo engano de meus lábios, fere o servo juntamente com o príncipe e o príncipe juntamente com seu servo. Destrói a arrogância deles pela mão de uma mulher.
10hun die niet weten, dat Gij onze God zijt, die van ouds de oorlog beslist; hun die niet weten, dat uw Naam is “de Heer”.
11Pois teu poder não depende de números, nem tua força de homens valentes. Tu és o Deus dos aflitos, auxílio dos oprimidos, socorro dos fracos, protetor dos abandonados e salvador dos que perderam a esperança.
11Verhef uw arm, als in vroeger dagen, en breek hun sterkte door uw macht. Verpletter hun kracht onder uw toorn, omdat zij besloten, uw heiligdom te onteren, de woonplaats van uw Naam te bezoedelen, en met hun zwaard de hoornen van uw altaar af te slaan.
12Eu te peço, ó Deus de meu pai e Deus da herança de Israel, Senhor dos céus e da terra, Criador das águas, Rei de toda a tua criação: ouve minha oração.
12Heer, laat de hoogmoedige met zijn eigen zwaard worden onthoofd;
13Faz com que minhas palavras e meu engano se tornem ferida e golpe contra aqueles que planejam coisas terríveis contra tua aliança, tua santa casa, o monte de Sião e a casa que pertence a teus filhos.
13maak hem weerloos, als zijn ogen mij zien, en sla hem neer door de slimheid van mijn lippen.
14Faz com que toda nação e toda tribo reconheçam que tu és Deus, o Deus de todo poder e força, e que não há outro que proteja a descendência de Israel além de ti.”
14Verleen mijn hart standvastigheid, om hem te verachten, en geef mij kracht, om hem neer te slaan.
no verse 15 in this text
15Want het zal een gedenksteen zijn voor uw Naam, als hij door de hand van een vrouw ten val wordt gebracht.
no verse 16 in this text
16Neen, Heer, niet in een groot getal ligt uw macht, en uw beslissing steunt niet op de kracht van paarden. Nooit waart Gij de trotsen genegen, maar het gebed van nederigen en ootmoedigen heeft U altijd behaagd.
no verse 17 in this text
17God van de hemel, Schepper der wateren en Heer van het ganse heelal, verhoor het gebed van een rampzalige, die op uw ontferming vertrouwt.
no verse 18 in this text
18Heer, gedenk uw verbond, leg mij een schrander woord in de mond en steun de plannen, die ik heb beraamd, opdat uw huis geheiligd blijft,
no verse 19 in this text
19en alle heidenen mogen erkennen, dat Gij alleen God zijt, en dat er geen andere is buiten U.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.