ΙΟΥΔΙΘ
Chapter 9
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΙΟΥΔΙΘ δὲ ἔπεσεν ἐπὶ πρόσωπον καὶ ἐπέθετο σποδὸν ἐπὶ τὴν κεφαλὴν αὐτῆς καὶ ἐγύμνωσεν ὃν ἐνεδιδύσκετο σάκκον, καὶ ἦν ἄρτι προσφερόμενον ἐν Ἱερουσαλὴμ εἰς τὸν οἶκον τοῦ Θεοῦ τὸ θυμίαμα τῆς ἑσπέρας ἐκείνης, καὶ ἐβόησε φωνῇ μεγάλῃ Ἰουδὶθ πρὸς Κύριον καὶ εἶπε·
1Toen de oudsten waren weggegaan, trok Judit zich terug in haar bidvertrek, deed een boetekleed aan, strooide as op haar hoofd, wierp zich neer voor den Heer en riep
2Κύριε ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου Συμεών, ᾧ ἔδωκας ἐν χειρὶ ρομφαίαν εἰς ἐκδίκησιν ἀλλογενῶν, οἳ ἔλυσαν μήτραν παρθένου εἰς μίασμα καὶ ἐγύμνωσαν μηρὸν εἰς αἰσχύνην καὶ ἐβεβήλωσαν μήτραν εἰς ὄνειδος· εἶπας γάρ, οὐχ οὕτως ἔσται· καὶ ἐποίησαν
2Heer, God van mijn vader Simeon; Gij hebt hem een zwaard gegeven, om wraak te nemen op de vreemdelingen, die in hun bedorvenheid een maagd overweldigden en haar lichaam op schandelijke wijze onteerden.
3ἀνθ᾿ ὧν ἔδωκας ἄρχοντας αὐτῶν εἰς φόνον καὶ τὴν στρωμνὴν αὐτῶν, ἣ ᾐδέσατο τὴν ἀπάτην αὐτῶν, εἰς αἷμα, καὶ ἐπάταξας δούλους ἐπὶ δυνάσταις καὶ δυνάστας ἐπὶ θρόνους αὐτῶν.
3Gij hebt toen hun vrouwen ten prooi, hun dochters in gevangenschap en heel hun bezit als buit aan uw dienaars gegeven, die in gloeiende ijver voor U waren ontstoken. Ik smeek U, mijn Heer en mijn God, kom nu ook mij, een weduwe, te hulp.
4καὶ ἔδωκας γυναῖκας αὐτῶν εἰς προνομὴν καὶ θυγατέρας εἰς αἰχμαλωσίαν καὶ πάντα τὰ σκῦλα εἰς διαίρεσιν υἱῶν ἠγαπημένων ὑπὸ σοῦ, οἳ καὶ ἐζήλωσαν τὸν ζῆλόν σου καὶ ἐβδελύξαντο μίασμα αἵματος αὐτῶν καὶ ἐπεκαλέσαντό σε εἰς βοηθόν. ὁ Θεὸς ὁ Θεὸς ὁ ἐμός, καὶ εἰσάκουσον ἐμοῦ τῆς χήρας·
4Gij hebt bewerkt, wat vroeger geschiedde, en wat erop volgde, hebt Gij beraamd; Gij wilt dus ook, wat nu geschiedt.
5σὺ γὰρ ἐποίησας τὰ πρότερα ἐκείνων καὶ ἐκεῖνα καὶ τὰ μετέπειτα καὶ τὰ νῦν καὶ τὰ ἐπερχόμενα διενοήθης, καὶ ἐγενήθησαν ἃ ἐνενοήθης,
5Want al uw wegen zijn gebaand en al uw beslissingen tevoren bepaald.
6καὶ παρέστησαν ἃ ἐβουλεύσω καὶ εἶπαν· ἰδοὺ πάρεσμεν· πᾶσαι γὰρ αἱ ὁδοί σου ἕτοιμοι, καὶ ἡ κρίσις σου ἐν προγνώσει·
6Richt thans uw blik op het assyrische leger, zoals Gij vroeger uw blik hebt geworpen op de troepen der Egyptenaren, toen zij in vertrouwen op hun strijdwagens, ruiterij en hun talrijke soldaten, uw dienaars gewapend achtervolgden.
7ἰδοὺ γὰρ Ἀσσύριοι ἐπληθύνθησαν ἐν δυνάμει αὐτῶν, ὑψώθησαν ἐφ᾿ ἵππῳ καὶ ἀναβάτῃ ἐγαυρίασαν ἐν βραχίονι πεζῶν, ἤλπισαν ἐν ἀσπίδι καὶ ἐν γαισῷ καὶ τόξῳ καὶ σφενδόνῃ καὶ οὐκ ἔγνωσαν ὅτι σὺ εἶ Κύριος συντρίβων πολέμους.
7Toen hebt Gij uw blik over dat leger laten gaan: en de duisternis sloeg hen met verlamming,
8Κύριος ὄνομά σοι· σὺ ράξον αὐτῶν τὴν ἰσχὺν ἐν δυνάμει σου καὶ κάταξον τὸ κράτος αὐτῶν ἐν τῷ θυμῷ σου· ἐβουλεύσαντο γὰρ βεβηλῶσαι τὰ ἅγιά σου, μιᾶναι τὸ σκήνωμα τῆς καταπαύσεως τοῦ ὀνόματος τῆς δόξης σου καὶ καταβαλεῖν σιδήρῳ κέρας θυσιαστηρίου σου.
8de afgrond greep hun voeten vast en het water golfde over hen heen.
9βλέψον εἰς ὑπερηφανίαν αὐτῶν, ἀπόστειλον τὴν ὀργήν σου εἰς κεφαλὰς αὐτῶν, δὸς ἐν χειρί μου τῆς χήρας ὃ διενοήθην κράτος.
9Heer, laat het ook hun zo vergaan, die op hun overmacht vertrouwen, die groot gaan op hun wagens en speren, op hun schilden, pijlen en lansen;
10πάταξον δοῦλον ἐκ χειλέων ἀπάτης μου ἐπ᾿ ἄρχοντι καὶ ἄρχοντα ἐπὶ θεράποντι αὐτοῦ, θραῦσον αὐτῶν τὸ ἀνάστημα ἐν χειρὶ θηλείας·
10hun die niet weten, dat Gij onze God zijt, die van ouds de oorlog beslist; hun die niet weten, dat uw Naam is “de Heer”.
11οὐ γὰρ ἐν πλήθει τὸ κράτος σου, οὐδὲ ἡ δυναστεία σου ἐν ἰσχύουσιν, ἀλλὰ ταπεινῶν εἶ Θεός, ἐλαττόνων εἶ βοηθός, ἀντιλήπτωρ ἀσθενούντων, ἀπεγνωσμένων σκεπαστής, ἀπηλπισμένων σωτήρ.
11Verhef uw arm, als in vroeger dagen, en breek hun sterkte door uw macht. Verpletter hun kracht onder uw toorn, omdat zij besloten, uw heiligdom te onteren, de woonplaats van uw Naam te bezoedelen, en met hun zwaard de hoornen van uw altaar af te slaan.
12ναὶ ναὶ ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου καὶ Θεὸς κληρονομίας Ἰσραήλ, δέσποτα τῶν οὐρανῶν καὶ τῆς γῆς, κτίστα τῶν ὑδάτων, βασιλεῦ πάσης κτίσεώς σου, σὺ εἰσάκουσον τῆς δεήσεώς μου
12Heer, laat de hoogmoedige met zijn eigen zwaard worden onthoofd;
13καὶ δὸς λόγον μου καὶ ἀπάτην εἰς τραῦμα καὶ μώλωπα αὐτῶν, οἳ κατὰ τῆς διαθήκης σου καὶ οἴκου ἡγιασμένου σου καὶ κορυφῆς Σιὼν καὶ οἴκου κατασχέσεως υἱῶν σου ἐβουλεύσαντο σκληρά.
13maak hem weerloos, als zijn ogen mij zien, en sla hem neer door de slimheid van mijn lippen.
14καὶ ποίησον ἐπὶ πᾶν τὸ ἔθνος σου, καὶ πάσης φυλῆς ἐπίγνωσιν τοῦ εἰδῆσαι ὅτι σὺ εἶ ὁ Θεὸς πάσης δυνάμεως καὶ κράτους, καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος ὑπερασπίζων τοῦ γένους Ἰσραήλ, εἰ μὴ σύ.
14Verleen mijn hart standvastigheid, om hem te verachten, en geef mij kracht, om hem neer te slaan.
no verse 15 in this text
15Want het zal een gedenksteen zijn voor uw Naam, als hij door de hand van een vrouw ten val wordt gebracht.
no verse 16 in this text
16Neen, Heer, niet in een groot getal ligt uw macht, en uw beslissing steunt niet op de kracht van paarden. Nooit waart Gij de trotsen genegen, maar het gebed van nederigen en ootmoedigen heeft U altijd behaagd.
no verse 17 in this text
17God van de hemel, Schepper der wateren en Heer van het ganse heelal, verhoor het gebed van een rampzalige, die op uw ontferming vertrouwt.
no verse 18 in this text
18Heer, gedenk uw verbond, leg mij een schrander woord in de mond en steun de plannen, die ik heb beraamd, opdat uw huis geheiligd blijft,
no verse 19 in this text
19en alle heidenen mogen erkennen, dat Gij alleen God zijt, en dat er geen andere is buiten U.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.