ΙΟΥΔΙΘ 5
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἀνηγγέλη Ὀλοφέρνῃ ἀρχιστρατήγῳ δυνάμεως Ἀσσοὺρ διότι οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ παρεσκευάσαντο εἰς πόλεμον καὶ τὰς διόδους τῆς ὀρεινῆς συνέκλεισαν καὶ ἐτείχισαν πᾶσαν κορυφὴν ὄρους ὑψηλοῦ καὶ ἔθηκαν ἐν τοῖς πεδίοις σκάνδαλα.
1Maar nu deelde men Holoférnes, den opperbevelhebber van het assyrische leger, mee, dat de Israëlieten hun maatregelen hadden getroffen, om weerstand te bieden en dat zij de bergpassen bezet hielden.
2καὶ ὠργίσθη θυμῷ σφόδρα καὶ ἐκάλεσε πάντας τοὺς ἄρχοντας Μωὰβ καὶ τοὺς στρατηγοὺς Ἀμμὼν καὶ πάντας σατράπας τῆς παραλίας
2Toen ontstak hij in hevige woede, ontbood alle vorsten en hoofden van Moab en Ammon,
3καὶ εἶπεν αὐτοῖς· ἀναγγείλατε δή μοι, υἱοὶ Χαναάν, τίς ὁ λαὸς οὗτος ὁ καθήμενος ἐν τῇ ὀρεινῇ, καὶ τίνες ἃς κατοικοῦσι πόλεις, καὶ τὸ πλῆθος τῆς δυνάμεως αὐτῶν, καὶ ἐν τίνι τὸ κράτος αὐτῶν, καὶ ἡ ἰσχὺς αὐτῶν, καὶ τίς ἀνέστηκεν ἐπ᾿ αὐτῶν βασιλεὺς ἡγούμενος στρατιᾶς αὐτῶν,
3en sprak tot hen: Zegt mij eens, wat is dat voor een volk, dat in de bergen woont; wat voor steden hebben zij, hoe zien die er uit, en hoe groot zijn ze? Hoe groot en hoe sterk is hun leger, en wie is hun aanvoerder?
4καὶ διατὶ κατενωτίσαντο τοῦ μὴ ἐλθεῖν εἰς ἀπάντησίν μοι παρὰ πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν δυσμαῖς;
4Waarom zijn ze van alle volken in het westen de enigen, die geweigerd hebben, ons tegemoet te komen en ons in vrede te ontvangen?
5καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ἀχιὼρ ὁ ἡγούμενος πάντων υἱῶν Ἀμμών· ἀκουσάτω δὴ ὁ κύριός μου λόγον ἐκ στόματος τοῦ δούλου σου, καὶ ἀναγγελῶ σοι τὴν ἀλήθειαν περὶ τοῦ λαοῦ, ὃς κατοικεῖ τὴν ὀρεινὴν ταύτην, πλησίον σου οἰκοῦντος, καὶ οὐκ ἐξελεύσεται ψεῦδος ἐκ τοῦ στόματος τοῦ δούλου σου.
5Toen antwoordde Achior, het hoofd van alle Ammonieten: Zo ge naar mij wilt luisteren, zal ik u de waarheid zeggen over dit volk, dat in de bergen woont en komt er geen leugen uit mijn mond.
6ὁ λαὸς οὗτός εἰσιν ἀπόγονοι Χαλδαίων,
6Dit volk stamt af van de Chaldeën,
7καὶ παρῴκησαν τὸ πρότερον ἐν τῇ Μεσοποταμίᾳ, ὅτι οὐκ ἐβουλήθησαν ἀκολουθῆσαι τοῖς θεοῖς τῶν πατέρων αὐτῶν, οἳ ἐγένοντο ἐν γῇ Χαλδαίων·
7en woonde eerst in Mesopotamië. Maar omdat zij de goden van hun voorvaders, die in het land der Chaldeën woonden, niet wilden dienen,
8καὶ ἐξέβησαν ἐξ ὁδοῦ τῶν γονέων αὐτῶν καὶ προσεκύνησαν τῷ Θεῷ τοῦ οὐρανοῦ, Θεῷ ᾧ ἐπέγνωσαν, καὶ ἐξέβαλον αὐτοὺς ἀπὸ προσώπου τῶν θεῶν αὐτῶν, καὶ ἔφυγον εἰς Μεσοποταμίαν καὶ παρῴκησαν ἐκεῖ ἡμέρας πολλάς.
8verlieten zij het veelgodendom, de godsdienst van hun voorouders,
9καὶ εἶπεν ὁ Θεὸς αὐτῶν ἐξελθεῖν ἐκ τῆς παροικίας αὐτῶν καὶ πορευθῆναι εἰς γῆν Χαναάν, καὶ κατῴκησαν ἐκεῖ καὶ ἐπληθύνθησαν χρυσίῳ καὶ ἀργυρίῳ καὶ ἐν κτήνεσι πολλοῖς σφόδρα.
9en dienden den énen God van de hemel, die hun bevel gaf, het land te verlaten en zich in Kanaän te vestigen. Bij het uitbreken van een hongersnood, die het gehele land teisterde, trokken zij naar Egypte af en groeiden daar, in de loop van vierhonderd jaar, tot zulk een menigte aan, dat hun getal niet meer te berekenen was.
10καὶ κατέβησαν εἰς Αἴγυπτον, ἐκάλυψε γὰρ τὸ πρόσωπον τῆς γῆς Χαναὰν λιμός, καὶ παρῴκησαν ἐκεῖ μέχρις οὗ διετράφησαν· καὶ ἐγένοντο ἐκεῖ εἰς πλῆθος πολύ, καὶ οὐκ ἦν ἀριθμὸς τοῦ γένους αὐτῶν.
10Maar toen de koning van Egypte hen onderdrukte, en hen als slaven dwong, klei en tichelstenen te maken voor de bouw van hun steden, riepen zij den Heer aan; en Hij sloeg het gehele land van Egypte met verschillende plagen.
11καὶ ἐπανέστη αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς Αἰγύπτου καὶ κατεσοφίσαντο αὐτοὺς ἐν πόνῳ καὶ ἐν πλίνθῳ, καὶ ἐταπείνωσαν αὐτοὺς καὶ ἔθεντο αὐτοὺς εἰς δούλους·
11Nadat daarom de Egyptenaren hen van zich hadden weggejaagd en de plaag was opgehouden, wilden zij hen echter terughalen, om hen opnieuw tot slaven te maken.
12καὶ ἀνεβόησαν πρὸς τὸν Θεὸν αὐτῶν, καὶ ἐπάταξε πᾶσαν τὴν γῆν Αἰγύπτου πληγαῖς, ἐν αἷς οὐκ ἦν ἴασις· καὶ ἐξέβαλον αὐτοὺς οἱ Αἰγύπτιοι ἀπὸ προσώπου αὐτῶν.
12Toen opende de God van de hemel de zee voor de Israëlieten, zodat zij konden vluchten; want als een muur stond het water aan weerskanten onbewegelijk overeind, zodat zij droogvoets hun weg konden vervolgen over de bodem der zee.
13καὶ κατεξήρανεν ὁ Θεὸς τὴν ἐρυθρὰν θάλασσαν ἔμπροσθεν αὐτῶν
13Maar toen een ontelbaar leger van Egyptenaren hun ook hier achterna ging, sloeg het water over de Egyptenaren heen, zodat er niemand overbleef, om het gebeurde aan het nageslacht te vertellen.
14καὶ ἤγαγεν αὐτοὺς εἰς ὁδὸν τοῦ Σινὰ καὶ Κάδης Βαρνή· καὶ ἐξέβαλον πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν τῇ ἐρήμῳ
14Na hun doortocht door de Rode Zee, sloegen de Israëlieten hun legerplaats op in de woestijn van het Sinaïgebergte, waar nog nooit een mens had kunnen wonen en geen mensenkind zich had gevestigd.
15καὶ ᾤκησαν ἐν γῇ Ἀμορραίων καὶ πάντας τοὺς Ἐσεβωνίτας ἐξωλόθρευσαν ἐν τῇ ἰσχύϊ αὐτῶν. καὶ διαβάντες τὸν Ἰορδάνην ἐκληρονόμησαν πᾶσαν τὴν ὀρεινὴν
15Daar werden bittere bronnen voor hen in zoet drinkwater veranderd, en kregen zij veertig jaar lang voedsel uit de hemel.
16καὶ ἐξέβαλον ἐκ προσώπου αὐτῶν τὸν Χαναναῖον καὶ τὸν Φερεζαῖον καὶ τὸν Ἰεβουσαῖον καὶ τὸν Συχὲμ καὶ πάντας τοὺς Γεργεσαίους καὶ κατῴκησαν ἐν αὐτῇ ἡμέρας πολλάς.
16Overal waar zij binnentrokken zonder pijl en boog, zonder schild en zwaard, streed hun God voor hen en behaalde de zege.
17καὶ ἕως οὐχ ἥμαρτον ἐνώπιον τοῦ Θεοῦ αὐτῶν, ἦν τὰ ἀγαθὰ μετ᾿ αὐτῶν, ὅτι Θεὸς μισῶν ἀδικίαν μετ᾿ αὐτῶν ἐστιν.
17Niemand was bij machte, dit volk te weerstaan, behalve wanneer het was afgeweken van de dienst van den Heer, zijn God.
18ὅτε δὲ ἀπέστησαν ἀπὸ τῆς ὁδοῦ, ἧς διέθετο αὐτοῖς, ἐξωλοθρεύθησαν ἐν πολλοῖς πολέμοις ἐπὶ πολὺ σφόδρα καὶ ᾐχμαλωτεύθησαν εἰς γῆν οὐκ ἰδίαν, καὶ ὁ ναὸς τοῦ Θεοῦ αὐτῶν ἐγενήθη εἰς ἔδαφος, καὶ οἱ πόλεις αὐτῶν ἐκρατήθησαν ὑπὸ τῶν ὑπεναντίων.
18Want telkens, wanneer zij iemand anders dan hun eigen God vereerden, werden zij prijsgegeven aan plundering, zwaard en verachting.
19καὶ νῦν ἐπιστρέψαντες ἐπὶ τὸν Θεὸν αὐτῶν ἀνέβησαν ἐκ τῆς διασπορᾶς, οὗ διεσπάρησαν ἐκεῖ, καὶ κατέσχον τὴν Ἱερουσαλήμ, οὗ τὸ ἁγίασμα αὐτῶν, καὶ κατῳκίσθησαν ἐν τῇ ὀρεινῇ, ὅτι ἦν ἔρημος.
19Maar zodra zij berouw toonden, dat zij de dienst van hun God hadden verlaten, gaf de God van de hemel hun de kracht terug, om weerstand te bieden.
20καὶ νῦν, δέσποτα κύριε, εἰ μέν ἐστιν ἀγνόημα ἐν τῷ λαῷ τούτῳ καὶ ἁμαρτάνουσιν εἰς τὸν Θεὸν αὐτῶν καὶ ἐπισκεψόμεθα ὅτι ἐστὶν ἐν αὐτοῖς σκάνδαλον τοῦτο, καὶ ἀναβησόμεθα καὶ ἐκπολεμήσομεν αὐτούς.
20Zo versloegen zij ten slotte de koningen der Kanaänieten, Jeboesieten, Perizzieten, Chittieten, Chiwwieten, Amorieten en alle machthebbers van Chesjbon, en namen hun landen en steden in bezit.
21εἰ δὲ οὐκ ἔστιν ἀνομία ἐν τῷ ἔθνει αὐτῶν, παρελθέτω δὴ ὁ κύριός μου, μήποτε ὑπερασπίσῃ ὁ Κύριος αὐτῶν καὶ ὁ Θεὸς αὐτῶν ὑπὲρ αὐτῶν, καὶ ἐσόμεθα εἰς ὀνειδισμὸν ἐναντίον πάσης τῆς γῆς.
21Zolang zij dus voor het aanschijn van hun God geen zonde bedreven, hadden zij voorspoed; want hun God haat de ongerechtigheid.
22καὶ ἐγένετο ὡς ἐπαύσατο Ἀχιὼρ λαλῶν τοὺς λόγους τούτους, καὶ ἐγόγγυσε πᾶς ὁ λαὸς ὁ κυκλῶν τὴν σκηνὴν καὶ περιεστώς, καὶ εἶπαν οἱ μεγιστᾶνες Ὀλοφέρνου καὶ πάντες οἱ κατοικοῦντες τὴν παραλίαν καὶ τὴν Μωὰβ συγκόψαι αὐτόν·
22Toen zij dan ook jaren geleden van de weg, die God hun had voorgeschreven, waren afgeweken, werden zij in een groot aantal oorlogen door de volkeren vernietigd en de meesten van hen gevangen weggevoerd naar een vreemd land.
23οὐ γὰρ φοβηθησόμεθα ἀπὸ υἱῶν Ἰσραήλ· ἰδοὺ γὰρ λαός, ἐν ᾧ οὐκ ἔστι δύναμις οὐδὲ κράτος εἰς παράταξιν ἰσχυράν·
23Maar omdat ze zich toen tot hun God hebben bekeerd, zijn ze onlangs uit de wijde verstrooiing weer bijeen gekomen, hebben zich weer overal in de bergen gevestigd en zijn opnieuw in het bezit van Jerusalem, waar hun heiligdom is.
24διὸ δὴ ἀναβησόμεθα, καὶ ἔσονται εἰς κατάβρωμα πάσης τῆς στρατιᾶς σου, δέσποτα Ὀλοφέρνη.
24Mijn heer dient dus een onderzoek in te stellen. Als zij zich tegenover hun God aan een of andere zonde hebben schuldig gemaakt, moeten wij tegen hen optrekken; want dan zal hun God hen zeker aan u overleveren, en zullen zij zich moeten buigen onder het juk van uw macht.
no verse 25 in this text
25Maar als dit volk niet tegen zijn God heeft gezondigd, zullen wij niet tegen hen bestand zijn; want dan zal hun God ze verdedigen, en zullen wij voor de gehele wereld te schande staan.
no verse 26 in this text
26Toen Achior deze toespraak geëindigd had, waren alle legeraanvoerders van Holoférnes woedend, en wilden hem doden. Ze riepen tot elkander:
no verse 27 in this text
27Hoe durft die man beweren, dat de Israëlieten weerstand kunnen bieden aan koning Nabukodonosor en zijn leger? Het zijn maar ongewapende en hulpeloze mensen, die niets van krijgskunst verstaan.
no verse 28 in this text
28Laat ons het gebergte intrekken; dan kan Achior zien, dat hij ons bedriegt. En als wij hun voornaamste mannen hebben gevangen genomen, zal hij tegelijk met hen door het zwaard worden gedood.
no verse 29 in this text
29Dan zullen alle volkeren moeten erkennen, dat Nabukodonosor de god der wereld is, dat hij alleen god is en niemand anders.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.