Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And it was told Holofernes the general of the army of the Assyrians, that the children of Israel prepared themselves to resist, and had shut up the ways of the mountains.
1Maar nu deelde men Holoférnes, den opperbevelhebber van het assyrische leger, mee, dat de Israëlieten hun maatregelen hadden getroffen, om weerstand te bieden en dat zij de bergpassen bezet hielden.
2And he was transported with exceeding great fury and indignation, and he called all the princes of Moab and the leaders of Amman.
2Toen ontstak hij in hevige woede, ontbood alle vorsten en hoofden van Moab en Ammon,
3And he said to them: Tell me what is this people that besetteth the mountains: or what are their cities, and of what sort, and how great: also what is their power, or what is their multitude: or who is the king over their warfare:
3en sprak tot hen: Zegt mij eens, wat is dat voor een volk, dat in de bergen woont; wat voor steden hebben zij, hoe zien die er uit, en hoe groot zijn ze? Hoe groot en hoe sterk is hun leger, en wie is hun aanvoerder?
4And why they above all that dwell in the east, have despised us, and have not come out to meet us, that they might receive us with peace?
4Waarom zijn ze van alle volken in het westen de enigen, die geweigerd hebben, ons tegemoet te komen en ons in vrede te ontvangen?
5Then Achior captain of all the children of Ammon answering, said: If thou vouch safe, my lord, to hear, I will tell the truth in thy sight concerning this people, that dwelleth in the mountains, and there shall not a false word come out of my mouth.
5Toen antwoordde Achior, het hoofd van alle Ammonieten: Zo ge naar mij wilt luisteren, zal ik u de waarheid zeggen over dit volk, dat in de bergen woont en komt er geen leugen uit mijn mond.
6This people is of the offspring of the Chaldeans.
6Dit volk stamt af van de Chaldeën,
7They dwelt first in Mesopotamia, because they would not follow the gods of their fathers, who were in the land of the Chaldeans.
7en woonde eerst in Mesopotamië. Maar omdat zij de goden van hun voorvaders, die in het land der Chaldeën woonden, niet wilden dienen,
8Wherefore forsaking the ceremonies of their fathers, which consisted in the worship of many gods,
8verlieten zij het veelgodendom, de godsdienst van hun voorouders,
9They worshipped one God of heaven, who also commanded them to depart from thence, and to dwell in Charan. And when there was a famine over all the land, they went down into Egypt, and there for four hundred years were so multiplied, that the army of them could not be numbered.
9en dienden den énen God van de hemel, die hun bevel gaf, het land te verlaten en zich in Kanaän te vestigen. Bij het uitbreken van een hongersnood, die het gehele land teisterde, trokken zij naar Egypte af en groeiden daar, in de loop van vierhonderd jaar, tot zulk een menigte aan, dat hun getal niet meer te berekenen was.
10And when the king of Egypt oppressed them, and made slaves of them to labour in clay and brick, in the building of his cities, they cried to their Lord, and he struck the whole land of Egypt with divers plagues.
10Maar toen de koning van Egypte hen onderdrukte, en hen als slaven dwong, klei en tichelstenen te maken voor de bouw van hun steden, riepen zij den Heer aan; en Hij sloeg het gehele land van Egypte met verschillende plagen.
11And when the Egyptians had cast them out from them, and the plague had ceased from them, and they had a mind to take them again, and bring them back to their service,
11Nadat daarom de Egyptenaren hen van zich hadden weggejaagd en de plaag was opgehouden, wilden zij hen echter terughalen, om hen opnieuw tot slaven te maken.
12The God of heaven opened the sea to them in their flight, so that the waters were made to stand firm as a wall on either side, and they walked through the bottom of the sea and passed it dry foot.
12Toen opende de God van de hemel de zee voor de Israëlieten, zodat zij konden vluchten; want als een muur stond het water aan weerskanten onbewegelijk overeind, zodat zij droogvoets hun weg konden vervolgen over de bodem der zee.
13And when an innumerable army of the Egyptians pursued after them in that place, they were so overwhelmed with the waters, that there was not one left, to tell what had happened to posterity.
13Maar toen een ontelbaar leger van Egyptenaren hun ook hier achterna ging, sloeg het water over de Egyptenaren heen, zodat er niemand overbleef, om het gebeurde aan het nageslacht te vertellen.
14And after they came out of the Red Sea, they abode in the deserts of mount Sina, in which never man could dwell, or son of man rested.
14Na hun doortocht door de Rode Zee, sloegen de Israëlieten hun legerplaats op in de woestijn van het Sinaïgebergte, waar nog nooit een mens had kunnen wonen en geen mensenkind zich had gevestigd.
15There bitter fountains were made sweet for them to drink, and for forty years they received food from heaven.
15Daar werden bittere bronnen voor hen in zoet drinkwater veranderd, en kregen zij veertig jaar lang voedsel uit de hemel.
16Wheresoever they went in without bow and arrow, and without shield and sword, their God fought for them and overcame.
16Overal waar zij binnentrokken zonder pijl en boog, zonder schild en zwaard, streed hun God voor hen en behaalde de zege.
17And there was no one that triumphed over this people, but when they departed from the worship of the Lord their God.
17Niemand was bij machte, dit volk te weerstaan, behalve wanneer het was afgeweken van de dienst van den Heer, zijn God.
18But as often as beside their own God, they worshipped any other, they were given to spoil, and to the sword, and to reproach.
18Want telkens, wanneer zij iemand anders dan hun eigen God vereerden, werden zij prijsgegeven aan plundering, zwaard en verachting.
19And as often as they were penitent for having revolted from the worship of their God, the God of heaven gave them power to resist.
19Maar zodra zij berouw toonden, dat zij de dienst van hun God hadden verlaten, gaf de God van de hemel hun de kracht terug, om weerstand te bieden.
20So they overthrew the king of the Chanaanites, and of the Jebusites, and of the Pherezites, and of the Hethites, and of the Hevites, and of the Amorrhites, and all the mighty ones in Hesebon, and they possessed their lands, and their cities:
20Zo versloegen zij ten slotte de koningen der Kanaänieten, Jeboesieten, Perizzieten, Chittieten, Chiwwieten, Amorieten en alle machthebbers van Chesjbon, en namen hun landen en steden in bezit.
21And as long as they sinned not in the sight of their God, it was well with them: for their God hateth iniquity.
21Zolang zij dus voor het aanschijn van hun God geen zonde bedreven, hadden zij voorspoed; want hun God haat de ongerechtigheid.
22And even some years ago when they had revolted from the way which God had given them to walk therein, they were destroyed in battles by many nations, and very many of them were led away captive into a strange land.
22Toen zij dan ook jaren geleden van de weg, die God hun had voorgeschreven, waren afgeweken, werden zij in een groot aantal oorlogen door de volkeren vernietigd en de meesten van hen gevangen weggevoerd naar een vreemd land.
23But of late returning to the Lord their God, from the different places wherein they were scattered, they are come together and are gone up into all these mountains, and possess Jerusalem again, where their holies are.
23Maar omdat ze zich toen tot hun God hebben bekeerd, zijn ze onlangs uit de wijde verstrooiing weer bijeen gekomen, hebben zich weer overal in de bergen gevestigd en zijn opnieuw in het bezit van Jerusalem, waar hun heiligdom is.
24Now therefore, my lord, search if there be any iniquity of theirs in the sight of their God: let us go up to them, because their God will surely deliver them to thee, and they shall be brought under the yoke of thy power:
24Mijn heer dient dus een onderzoek in te stellen. Als zij zich tegenover hun God aan een of andere zonde hebben schuldig gemaakt, moeten wij tegen hen optrekken; want dan zal hun God hen zeker aan u overleveren, en zullen zij zich moeten buigen onder het juk van uw macht.
25But if there be no offense of this people in the sight of their God, we can not resist them, because their God will defend them: and we shall be a reproach to the whole earth.
25Maar als dit volk niet tegen zijn God heeft gezondigd, zullen wij niet tegen hen bestand zijn; want dan zal hun God ze verdedigen, en zullen wij voor de gehele wereld te schande staan.
26And it came to pass, when Achior had ceased to speak these words, all the great men of Holofernes were angry, and they had a mind to kill him, saying to each other:
26Toen Achior deze toespraak geëindigd had, waren alle legeraanvoerders van Holoférnes woedend, en wilden hem doden. Ze riepen tot elkander:
27Who is this, that saith the children of Israel can resist king Nabuchodonosor, and his armies, men unarmed, and without force, and without skill in the art of war?
27Hoe durft die man beweren, dat de Israëlieten weerstand kunnen bieden aan koning Nabukodonosor en zijn leger? Het zijn maar ongewapende en hulpeloze mensen, die niets van krijgskunst verstaan.
28That Achior therefore may know that he deceiveth us, let us go up into the mountains: and when the bravest of them shall be taken, then shall he with them be stabbed with the sword:
28Laat ons het gebergte intrekken; dan kan Achior zien, dat hij ons bedriegt. En als wij hun voornaamste mannen hebben gevangen genomen, zal hij tegelijk met hen door het zwaard worden gedood.
29That every nation may know that Nabuchodonosor is god of the earth, and besides him there is no other.
29Dan zullen alle volkeren moeten erkennen, dat Nabukodonosor de god der wereld is, dat hij alleen god is en niemand anders.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.