Judith 4
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Then the children of Israel, who dwelt in the land of Juda, hearing these things, were exceedingly afraid of him.
1Toen de Israëlieten in het land Juda dit hoorden, begonnen zij zeer bevreesd voor hem te worden;
2Dread and horror seized upon their minds, lest he should do the same to Jerusalem and to the temple of the Lord, that he had done to other cities and their temples.
2een ontzettende angst sloeg hun om het hart, daar zij bang waren, dat hij met Jerusalem en de tempel van den Heer hetzelfde zou doen als met de andere steden en haar tempels.
3And they sent into all Samaria round about, as far as Jericho, and seized upon all the tops of the mountains:
3Daarom zonden zij een oproep naar het gehele gebied van Samaria tot aan Jericho toe, om de bergtoppen te bezetten,
4And they compassed their towns with walls, and gathered together corn for provision for war.
4hun dorpen te versterken en proviand in te slaan met het oog op de oorlog.
5And Eliachim the priest wrote to all that were over against Esdrelon, which faceth the great plain near Dothain, and to all by whom there might be a passage of way, that they should take possession of the ascents of the mountains, by which there might be any way to Jerusalem, and should keep watch where the way was narrow between the mountains.
5Ook zond de priester Eljakim een schrijven aan alle bewoners van Betoel, dat tegenover Esdrelon ligt, nog vóór de vlakte en dicht bij Dotan, en gelastte aan allen, bij wie de doortocht zou kunnen plaats hebben,
6And the children of Israel did as the priest of the Lord Eliachim had appointed them,
6dat zij de bergpassen moesten bezetten, waarlangs men Jerusalem kon bereiken, en dat zij overal wachtposten moesten uitzetten, waar zich mogelijkerwijze een smalle kloof tussen de bergen bevond.
7And all the people cried to the Lord with great earnestness, and they humbled their souls in fastings, and prayers, both they and their wives.
7En de kinderen van Israël deden, wat de priester Eljakim hun had opgedragen.
8And the priests put on haircloths, and they caused the little children to lie prostrate before the temple of the Lord, and the altar of the Lord they covered with haircloth.
8Nu riep heel het volk met grote aandrang tot den den Heer en vrouwen vernederden zich in vasten en gebeden;
9And they cried to the Lord the God of Israel with one accord, that their children might not be made a prey, and their wives carried off, and their cities destroyed, and their holy things profaned, and that they might not be made a reproach to the Gentiles.
9de priesters deden het boetekleed aan, kinderen wierpen zich neer voor de tempel, en men bedekte het altaar des Heren met een boetekleed.
10Then Eliachim the high priest of the Lord went about all Israel and spoke to them,
10Eenparig smeekten zij den Heer, den God van Israël, dat Hij zou verhinderen, dat hun kinderen werden geroofd, hun vrouwen buit gemaakt, hun steden verwoest, dat hun heiligdom zou worden onteerd en zij zelf tot spot zouden worden voor de heidenen.
11Saying: Know ye that the Lord will hear your prayers, if you continue with perseverance in fastings and prayers in the sight of the Lord.
11Daarop trok Eljakim, de hogepriester van den Heer, geheel Israël rond en sprak hun toe:
12Remember Moses the servant of the Lord, who overcame Amalec that trusted in his own strength, and in his power, and in his army, and in his shields, and in his chariots, and in his horsemen, not by fighting with the sword, but by holy prayers:
12Weet wel, dat de Heer uw gebeden zal verhoren, als gij maar blijft volharden in vasten en gebeden voor den Heer.
13So shall all the enemies of Israel be, if you persevere in this work which you have begun.
13Denkt aan Moses, den dienaar des Heren. Hij versloeg Amalek, dat op zijn macht en sterkte, zijn leger, schilden, wagens en ruiters vertrouwde, niet omdat Moses streed met het zwaard, maar omdat hij vrome gebeden stortte.
14So they being moved by this exhortation of his, prayed to the Lord, and continued in the sight of the Lord.
14Zo zal het ook nu met alle vijanden van Israël gaan, als gij volhardt, zoals gij zijt begonnen.
15So that even they who offered the holocausts to the Lord, offered the sacrifices to the Lord girded with haircloths, and with ashes upon their head.
15Door deze woorden aangespoord, bleven zij in hun gebed tot God voor het aanschijn des Heren volharden,
16And they all begged of God with all their heart, that he would visit his people Israel.
16zó zelfs, dat zij, die den Heer brandoffers moesten opdragen, dit deden met een boetekleed aan en met as op hun hoofd.
no verse 17 in this text
17En met heel hun hart smeekten zij God, dat Hij zijn volk Israël zou bijstaan. Achior raadt Holofernes de oorlog met de Joden af.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.