Iudith
Chapter 4
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Iudith 4

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tunc audientes hæc filii Israël qui habitabant in terra Juda, timuerunt valde a facie ejus.
1Toen de Israëlieten in het land Juda dit hoorden, begonnen zij zeer bevreesd voor hem te worden;
2Tremor et horror invasit sensus eorum, ne hoc faceret Jerusalem et templo Domini, quod fecerat ceteris civitatibus et templis earum.
2een ontzettende angst sloeg hun om het hart, daar zij bang waren, dat hij met Jerusalem en de tempel van den Heer hetzelfde zou doen als met de andere steden en haar tempels.
3Et miserunt in omnem Samariam per circuitum usque Jericho, et præoccupaverunt omnes vertices montium:
3Daarom zonden zij een oproep naar het gehele gebied van Samaria tot aan Jericho toe, om de bergtoppen te bezetten,
4et muris circumdederunt vicos suos, et congregaverunt frumenta in præparationem pugnæ.
4hun dorpen te versterken en proviand in te slaan met het oog op de oorlog.
5Sacerdos etiam Eliachim scripsit ad universos qui erant contra Esdrelon, quæ est contra faciem campi magni juxta Dothain, et universos per quos viæ transitus esse poterat,
5Ook zond de priester Eljakim een schrijven aan alle bewoners van Betoel, dat tegenover Esdrelon ligt, nog vóór de vlakte en dicht bij Dotan, en gelastte aan allen, bij wie de doortocht zou kunnen plaats hebben,
6ut obtinerent ascensus montium, per quos via esse poterat ad Jerusalem, et illic custodirent ubi angustum iter esse poterat inter montes.
6dat zij de bergpassen moesten bezetten, waarlangs men Jerusalem kon bereiken, en dat zij overal wachtposten moesten uitzetten, waar zich mogelijkerwijze een smalle kloof tussen de bergen bevond.
7Et fecerunt filii Israël secundum quod constituerat eis sacerdos Domini Eliachim.
7En de kinderen van Israël deden, wat de priester Eljakim hun had opgedragen.
8Et clamavit omnis populus ad Dominum instantia magna, et humiliaverunt animas suas in jejuniis et orationibus, ipsi et mulieres eorum.
8Nu riep heel het volk met grote aandrang tot den den Heer en vrouwen vernederden zich in vasten en gebeden;
9Et induerunt se sacerdotes ciliciis, et infantes prostraverunt contra faciem templi Domini, et altare Domini operuerunt cilicio:
9de priesters deden het boetekleed aan, kinderen wierpen zich neer voor de tempel, en men bedekte het altaar des Heren met een boetekleed.
10et clamaverunt ad Dominum Deum Israël unanimiter ne darentur in prædam infantes eorum, et uxores eorum in divisionem, et civitates eorum in exterminium, et sancta eorum in pollutionem, et fierent opprobrium gentibus.
10Eenparig smeekten zij den Heer, den God van Israël, dat Hij zou verhinderen, dat hun kinderen werden geroofd, hun vrouwen buit gemaakt, hun steden verwoest, dat hun heiligdom zou worden onteerd en zij zelf tot spot zouden worden voor de heidenen.
11Tunc Eliachim sacerdos Domini magnus circuivit omnem Israël, allocutusque est eos,
11Daarop trok Eljakim, de hogepriester van den Heer, geheel Israël rond en sprak hun toe:
12dicens: Scitote quoniam exaudiet Dominus preces vestras, si manentes permanseritis in jejuniis et orationibus in conspectu Domini.
12Weet wel, dat de Heer uw gebeden zal verhoren, als gij maar blijft volharden in vasten en gebeden voor den Heer.
13Memores estote Moysi servi Domini, qui Amalec confidentem in virtute sua, et in potentia sua, et in exercitu suo, et in clypeis suis, et in curribus suis, et in equitibus suis, non ferro pugnando, sed precibus sanctis orando dejecit:
13Denkt aan Moses, den dienaar des Heren. Hij versloeg Amalek, dat op zijn macht en sterkte, zijn leger, schilden, wagens en ruiters vertrouwde, niet omdat Moses streed met het zwaard, maar omdat hij vrome gebeden stortte.
14sic erunt universi hostes Israël, si perseveraveritis in hoc opere quod cœpistis.
14Zo zal het ook nu met alle vijanden van Israël gaan, als gij volhardt, zoals gij zijt begonnen.
15Ad hanc igitur exhortationem ejus deprecantes Dominum, permanebant in conspectu Domini,
15Door deze woorden aangespoord, bleven zij in hun gebed tot God voor het aanschijn des Heren volharden,
16ita ut etiam hi qui offerebant Domino holocausta, præcincti ciliciis offerrent sacrificia Domino, et erat cinis super capita eorum.
16zó zelfs, dat zij, die den Heer brandoffers moesten opdragen, dit deden met een boetekleed aan en met as op hun hoofd.
17Et ex toto corde suo omnes orabant Deum, ut visitaret populum suum Israël.
17En met heel hun hart smeekten zij God, dat Hij zijn volk Israël zou bijstaan. Achior raadt Holofernes de oorlog met de Joden af.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.