Iudith
Chapter 10
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Iudith 10

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Factum est autem, cum cessasset clamare ad Dominum, surrexit de loco in quo jacuerat prostrata ad Dominum.
1Toen zij haar dringende bede tot den Heer had geëindigd, stond zij op van de plaats, waar zij zich voor den Heer had neergeworpen,
2Vocavitque abram suam, et descendens in domum suam, abstulit a se cilicium, et exuit se vestimentis viduitatis suæ,
2riep haar dienstmaagd en ging naar beneden in haar huis. Daar deed zij haar boetekleed uit, legde haar weduwkleed af,
3et lavit corpus suum, et unxit se myro optimo, et discriminavit crinem capitis sui, et imposuit mitram super caput suum, et induit se vestimentis jucunditatis suæ, induitque sandalia pedibus suis, assumpsitque dextraliola, et lilia, et inaures, et annulos, et omnibus ornamentis suis ornavit se.
3waste zich en zalfde zich met mirrebalsem. Zij maakte haar hoofdhaar op, legde er een hoofdband omheen, en trok haar feestkleren aan. Zij bond sandalen aan haar voeten, deed haar armbanden om, haar halssnoeren, oorhangers en ringen, en tooide zich met al haar sieraden.
4Cui etiam Dominus contulit splendorem: quoniam omnis ista compositio non ex libidine, sed ex virtute pendebat: et ideo Dominus hanc in illam pulchritudinem ampliavit, ut incomparabili decore omnium oculis appareret.
4En de Heer verleende haar nog groter schoonheid, omdat zij zich opsierde niet uit zinnelijkheid maar met een vrome bedoeling; daarom vermeerderde de Heer nog haar schoonheid, zodat zij aan allen verscheen in onvergelijkelijke pracht.
5Imposuit itaque abræ suæ ascoperam vini, et vas olei, et polentam, et palathas, et panes, et caseum, et profecta est.
5Nu gaf zij haar dienstmaagd een leren zak met wijn, een kruik olie, geroosterd gerstebrood, vijgenkoeken, brood en kaas, en begaf zich op weg.
6Cumque venissent ad portam civitatis, invenerunt expectantem Oziam et presbyteros civitatis.
6Bij de stadspoort gekomen, troffen zij daar Oezzi-ja aan met de oudsten der stad, die op haar wachtten.
7Qui cum vidissent eam, stupentes mirati sunt nimis pulchritudinem ejus.
7Toen zij haar zagen, stonden zij stom van verbazing over haar schoonheid,
8Nihil tamen interrogantes eam, dimiserunt transire, dicentes: Deus patrum nostrorum det tibi gratiam, et omne consilium tui cordis sua virtute corroboret, ut glorietur super te Jerusalem, et sit nomen tuum in numero sanctorum et justorum.
8maar stelden geen vragen. Zij lieten haar doorgaan en zeiden slechts: De God van onze vaderen schenke u zijn genade en steune u met zijn kracht bij al de plannen, die gij beraamt, opdat Jerusalem op u mag roemen en uw naam wordt genoemd onder het getal van de heiligen en rechtvaardigen.
9Et dixerunt hi qui illic erant omnes una voce: Fiat, fiat.
9En allen, die daar tegenwoordig waren, riepen eenparig: Amen, Amen!
10Judith vero orans Dominum, transivit per portas, ipsa et abra ejus.
10En in gebed tot den Heer ging Judit met haar dienstmaagd de poort uit.
11Factum est autem cum descenderet montem, circa ortum diei, occurrerunt ei exploratores Assyriorum, et tenuerunt eam, dicentes: Unde venis? aut quo vadis?
11Toen zij nu bij het aanbreken van de dag de berg afdaalde, kwamen er assyrische verkenners op haar af, die haar aanhielden en zeiden: Waar komt ge vandaan, en waar gaat ge naar toe?
12Quæ respondit: Filia sum Hebræorum, ideo ego fugi a facie eorum, quoniam futurum agnovi quod dentur vobis in deprædationem, pro eo quod contemnentes vos, noluerunt ultro tradere seipsos ut invenirent misericordiam in conspectu vestro.
12Zij antwoordde: Ik ben een hebreeuwse vrouw; ik ben van hen weggevlucht, omdat ik voorzie, dat zij uw prooi zullen worden, daar zij u hebben geminacht en zich niet vrijwillig aan u wilden overgeven, om genade bij u te vinden.
13Hac de causa cogitavi mecum, dicens: Vadam ad faciem principis Holofernis, ut indicem illi secreta illorum, et ostendam illi quo aditu possit obtinere eos, ita ut non cadat vir unus de exercitu ejus.
13Daarom dacht ik bij mezelf: Ik zal naar Holoférnes gaan, den legeraanvoerder, om hem hun geheimen te verraden, en hem te zeggen, langs welke weg hij hen overrompelen kan, zonder ook maar één man van zijn leger te verliezen.
14Et cum audissent viri illi verba ejus, considerabant faciem ejus, et erat in oculis eorum stupor, quoniam pulchritudinem ejus mirabantur nimis.
14Toen de mannen haar antwoord hadden gehoord, staarden zij haar aan met verbaasde ogen, omdat zij door haar schoonheid waren verbluft.
15Et dixerunt ad eam: Conservasti animam tuam, eo quod tale reperisti consilium, ut descenderes ad dominum nostrum.
15En ze zeiden tot haar: Gij hebt uw leven gered, door het besluit te nemen, naar omlaag te komen en tot onzen veldheer te gaan.
16Hoc autem scias, quoniam cum steteris in conspectu ejus, bene tibi faciet, et eris gratissima in corde ejus. Duxeruntque illam ad tabernaculum Holofernis, annuntiantes eam.
16Ge kunt er zeker van zijn, dat hij u goed zal behandelen, als ge voor hem verschijnt, en dat ge hem zeer welkom zult zijn. Zij brachten haar dus naar de tent van Holoférnes, en dienden haar aan.
17Cumque intrasset ante faciem ejus, statim captus est in suis oculis Holofernes.
17Maar nauwelijks was zij voor hem verschenen, of hij werd door haar aanblik overweldigd.
18Dixeruntque ad eum satellites ejus: Quis contemnat populum Hebræorum, qui tam decoras mulieres habent, ut non pro his merito pugnare contra eos debeamus?
18En zijn dienaars zeiden tot hem: Wie zou het volk der Hebreën kunnen verachten, dat zulke schone vrouwen heeft? Dit alles reeds is reden genoeg, om hen te bestrijden!
19Videns itaque Judith Holofernem sedentem in conopeo, quod erat ex purpura, et auro, et smaragdo, et lapidibus pretiosis intextum,
19Zodra Judit Holoférnes bemerkte, die gezeten was achter een muskietengaas van purper- en gouddraad, bezet met smaragden en edelstenen,
20et cum in faciem ejus intendisset, adoravit eum, prosternens se super terram. Et elevaverunt eam servi Holofernis, jubente domino suo.
20zag zij hem aan en boog zich diep voor hem ter aarde, om hem te huldigen. Maar op bevel van hun heer richtten de dienaars van Holoférnes haar op.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.